Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-25
ECLI:NL:GHSHE:2026:812
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
12,232 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:812 text/xml public 2026-04-28T11:59:46 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-25 24/505 tot en met 24/507 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1487, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042205 V-N Vandaag 2026/823 FutD 2026-0730 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:812 text/html public 2026-04-14T16:18:07 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:812 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-03-2026 / 24/505 tot en met 24/507 Belanghebbende, een stichting, is op 31 december 2017 ontbonden. In 2019 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. De inspecteur heeft op 17 december 2019 (navorderings)aanslagen Vpb 2014, 2015 en 2016 opgelegd. Het hof oordeelt dat belanghebbende, die na de ontbinding nog baten bleek te hebben en van wie het vermogen niet is vereffend, is ontbonden maar niet is opgehouden te bestaan. De (navorderings)aanslagen zijn tijdig en op juiste wijze bekendgemaakt. Het hof heeft de zaak teruggewezen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/505 tot en met 24/507 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummers BRE 22/1318 tot en met 22/1320, in het geding tussen de inspecteur en [belanghebbende] , hierna: belanghebbende, met gekozen domicilie in [plaats 1] . 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over 2014 en 2015 en de aanslag Vpb 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de boetes gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/502 tot en met 24/504. 1.7. Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is opgericht op 8 november 2012. Haar bestuurders waren [bestuurder 1] , [bestuurder 2] (zijn echtgenote) en [bestuurder 3] (zijn zus). Belanghebbende had als doel het bevorderen van het fokken en beschermen van [belanghebbende] postduiven. 2.2. Artikel 12 van de oprichtingsakte van belanghebbende vermeldt het volgende: “ Ontbinding en vereffening Artikel 12 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. (…) 3. Indien het bestuur besluit tot ontbinding wordt tevens de bestemming van het liquidatiesaldo vastgesteld. In andere gevallen van ontbinding wordt de bestemming van het liquidatiesaldo door de vereffenaars vastgesteld. 4. Na ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuurders, tenzij bij het besluit tot ontbinding anderen tot vereffenaars zijn aangewezen. 5. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende de bij de wet voorgeschreven termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. 6. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van Titel 1, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.” 2.3. De Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft op 3 november 2017 formulier 17a (Inschrijving ontbinding vennootschap, rechtspersoon of maatschap) ontvangen . Daarmee heeft [bestuurder 1] doorgegeven dat belanghebbende (met KvK nummer [nummer] ) per 31 december 2017 was ontbonden, dat belanghebbende geen baten had en dat [bestuurder 2] , [adres] te [plaats 2] de bewaarder van de boeken en bescheiden was. Bij de vraag of het bestuur optreedt als vereffenaar en of een vereffening had plaatsgevonden is niets ingevuld. Ook bij de andere vragen naar de vereffenaar is niets ingevuld. Alle bestuurders hebben voor akkoord getekend. 2.4. Belanghebbende is op 31 december 2017 ontbonden. Het uittreksel van de KvK vermeldt op 24 januari 2018 het volgende: “KvK nummer [nummer] uitgeschreven uit het handelsregister per 02-01-2018. Op 02-01-2018 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31-12-2017” 2.5. Belanghebbende heeft op 9 juli 2018 de aangifte Vpb over 2017 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat zij per 31 december 2017 over € 19.449 aan activa beschikte. Voor de jaren 2018 en 2019 heeft belanghebbende op 19 augustus 2020 aangifte Vpb gedaan naar een winst van nihil en in die aangiften een bedrag van € 19.449 aan liquide middelen als activa aangegeven. 2.6. Op 20 maart 2019 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij belanghebbende naar aanleiding van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek die de FIOD aan de inspecteur had verstrekt. De inspecteur heeft derdenonderzoeken gedaan. Het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgestelde controlerapport is gedateerd 24 april 2020. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur op 17 december 2019 de volgende (navorderings)aanslagen en beschikkingen (hierna: de (navorderings)aanslagen) vastgesteld: - Een navorderingsaanslag Vpb 2014 naar een belastbare winst van € 486.898 met na te verrekenen verlies van € 8.062 een belastbaar bedrag van € 478.836, € 109.708 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 38.997 berekend en een vergrijpboete van € 53.515; - Een navorderingsaanslag Vpb 2015 naar een belastbare winst van € 345.311, € 76.327 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 21.224 berekend en een vergrijpboete van € 37.384; - De aanslag Vpb 2016 naar een belastbare winst van € 698.102, € 164.525 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 33.518 berekend en een vergrijpboete van € 81.268. 2.8. De belastingdeurwaarder heeft de (navorderings)aanslagen en beschikkingen op 17 december 2019 betekend aan belanghebbende op het adres [adres] te [plaats 2] . In de akte van betekening is bij het onderdeel dat aangeeft wie de opdracht tot betekening heeft gegeven met pen het woord "ontvanger" doorgestreept en vervangen door het woord "inspecteur". De akten van betekening zijn aan [bestuurder 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder overhandigd. 2.9. Op 14 januari 2020 heeft de ontvanger executoriaal beslag onder derden gelegd bij het Openbaar Ministerie voor een openstaande schuld van in totaal € 626.305. In dit bedrag zijn onder meer de (navorderings)aanslagen begrepen. 2.10. Uit een overzicht van de op naam van belanghebbende staande bankrekeningen volgt dat belanghebbende op [datum] 2023 twee bankrekeningen aanhield, een ING Zakelijke Oranje Spaarrekening met nummer [rekeningnummer 1] met een saldo van € 8 en een ING Zakelijke rekening met nummer [rekeningnummer 2] met een saldo van € 19.068. 2.11. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen, de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd en de boetebeschikkingen vernietigd. De rechtbank heeft de (navorderings)aanslagen vernietigd. 2.12.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:812 text/xml public 2026-04-28T11:59:46 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-25 24/505 tot en met 24/507 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1487, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042205 V-N Vandaag 2026/823 FutD 2026-0730 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:812 text/html public 2026-04-14T16:18:07 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:812 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-03-2026 / 24/505 tot en met 24/507 Belanghebbende, een stichting, is op 31 december 2017 ontbonden. In 2019 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. De inspecteur heeft op 17 december 2019 (navorderings)aanslagen Vpb 2014, 2015 en 2016 opgelegd. Het hof oordeelt dat belanghebbende, die na de ontbinding nog baten bleek te hebben en van wie het vermogen niet is vereffend, is ontbonden maar niet is opgehouden te bestaan. De (navorderings)aanslagen zijn tijdig en op juiste wijze bekendgemaakt. Het hof heeft de zaak teruggewezen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/505 tot en met 24/507 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummers BRE 22/1318 tot en met 22/1320, in het geding tussen de inspecteur en [belanghebbende] , hierna: belanghebbende, met gekozen domicilie in [plaats 1] . 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over 2014 en 2015 en de aanslag Vpb 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de boetes gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/502 tot en met 24/504. 1.7. Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is opgericht op 8 november 2012. Haar bestuurders waren [bestuurder 1] , [bestuurder 2] (zijn echtgenote) en [bestuurder 3] (zijn zus). Belanghebbende had als doel het bevorderen van het fokken en beschermen van [belanghebbende] postduiven. 2.2. Artikel 12 van de oprichtingsakte van belanghebbende vermeldt het volgende: “ Ontbinding en vereffening Artikel 12 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. (…) 3. Indien het bestuur besluit tot ontbinding wordt tevens de bestemming van het liquidatiesaldo vastgesteld. In andere gevallen van ontbinding wordt de bestemming van het liquidatiesaldo door de vereffenaars vastgesteld. 4. Na ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuurders, tenzij bij het besluit tot ontbinding anderen tot vereffenaars zijn aangewezen. 5. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende de bij de wet voorgeschreven termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. 6. Op de vereffening zijn overigens de bepalingen van Titel 1, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.” 2.3. De Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft op 3 november 2017 formulier 17a (Inschrijving ontbinding vennootschap, rechtspersoon of maatschap) ontvangen . Daarmee heeft [bestuurder 1] doorgegeven dat belanghebbende (met KvK nummer [nummer] ) per 31 december 2017 was ontbonden, dat belanghebbende geen baten had en dat [bestuurder 2] , [adres] te [plaats 2] de bewaarder van de boeken en bescheiden was. Bij de vraag of het bestuur optreedt als vereffenaar en of een vereffening had plaatsgevonden is niets ingevuld. Ook bij de andere vragen naar de vereffenaar is niets ingevuld. Alle bestuurders hebben voor akkoord getekend. 2.4. Belanghebbende is op 31 december 2017 ontbonden. Het uittreksel van de KvK vermeldt op 24 januari 2018 het volgende: “KvK nummer [nummer] uitgeschreven uit het handelsregister per 02-01-2018. Op 02-01-2018 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31-12-2017” 2.5. Belanghebbende heeft op 9 juli 2018 de aangifte Vpb over 2017 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende aangegeven dat zij per 31 december 2017 over € 19.449 aan activa beschikte. Voor de jaren 2018 en 2019 heeft belanghebbende op 19 augustus 2020 aangifte Vpb gedaan naar een winst van nihil en in die aangiften een bedrag van € 19.449 aan liquide middelen als activa aangegeven. 2.6. Op 20 maart 2019 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd bij belanghebbende naar aanleiding van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek die de FIOD aan de inspecteur had verstrekt. De inspecteur heeft derdenonderzoeken gedaan. Het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgestelde controlerapport is gedateerd 24 april 2020. 2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur op 17 december 2019 de volgende (navorderings)aanslagen en beschikkingen (hierna: de (navorderings)aanslagen) vastgesteld: - Een navorderingsaanslag Vpb 2014 naar een belastbare winst van € 486.898 met na te verrekenen verlies van € 8.062 een belastbaar bedrag van € 478.836, € 109.708 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 38.997 berekend en een vergrijpboete van € 53.515; - Een navorderingsaanslag Vpb 2015 naar een belastbare winst van € 345.311, € 76.327 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 21.224 berekend en een vergrijpboete van € 37.384; - De aanslag Vpb 2016 naar een belastbare winst van € 698.102, € 164.525 te betalen belasting, bij beschikking is belastingrente van € 33.518 berekend en een vergrijpboete van € 81.268. 2.8. De belastingdeurwaarder heeft de (navorderings)aanslagen en beschikkingen op 17 december 2019 betekend aan belanghebbende op het adres [adres] te [plaats 2] . In de akte van betekening is bij het onderdeel dat aangeeft wie de opdracht tot betekening heeft gegeven met pen het woord "ontvanger" doorgestreept en vervangen door het woord "inspecteur". De akten van betekening zijn aan [bestuurder 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder overhandigd. 2.9. Op 14 januari 2020 heeft de ontvanger executoriaal beslag onder derden gelegd bij het Openbaar Ministerie voor een openstaande schuld van in totaal € 626.305. In dit bedrag zijn onder meer de (navorderings)aanslagen begrepen. 2.10. Uit een overzicht van de op naam van belanghebbende staande bankrekeningen volgt dat belanghebbende op [datum] 2023 twee bankrekeningen aanhield, een ING Zakelijke Oranje Spaarrekening met nummer [rekeningnummer 1] met een saldo van € 8 en een ING Zakelijke rekening met nummer [rekeningnummer 2] met een saldo van € 19.068. 2.11. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen, de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd en de boetebeschikkingen vernietigd. De rechtbank heeft de (navorderings)aanslagen vernietigd. 2.12.
Volledig
Een schermprint uit het systeem van de ontvanger vermeldt op 2 februari 2024 een beslagen bedrag van € 19.448,83. Verder is in dat systeem de volgende opmerking geplaatst: “Aanhouden in afwachting onderzoek FIOD. Er loopt strafrechtelijk traject.” Onder deze opmerking zijn onder meer de aanslagnummers van de (navorderings)aanslagen genoemd. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Heeft de rechtbank terecht de (navorderings)aanslagen vernietigd? Meer specifiek: - Was belanghebbende ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen opgehouden te bestaan? - Was belanghebbende ontvankelijk in bezwaar en beroep? - Zijn de (navorderings-)aanslagen rechtsgeldig bekend gemaakt? 3.2. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Status van belanghebbende 4.1. Artikel 2:19 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: “1. Een rechtspersoon wordt ontbonden: a. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien; b. bij het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft, en die niet een besluit of een op ontbinding gerichte handeling is; c.na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie; d. door het geheel ontbreken van leden, indien de rechtspersoon een vereniging, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is; e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 19a; f. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt. (…) 3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: in de gevallen als bedoeld in lid 1, onder a, b en d door de vereffenaar, indien deze er is en anders door het bestuur, in het geval als bedoeld in lid 1, onder c door de faillissementscurator, in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en in het geval als bedoeld in lid 1 onder f door de griffier van het betrokken gerecht. 4. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. 5. De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie . 6. De rechtspersoon houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar of de faillissementscurator doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgaaf. (…)” 4.2. Op grond van deze bepaling houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen pas op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl artikel 2:23c, lid 1, BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Bij de rechtbank was tussen partijen niet in geschil dat het vermogen van belanghebbende was vereffend en dat de vereffening ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen was gesloten. 4.3. De vraag of degene aan wie de aanslag is opgelegd al dan niet is opgehouden te bestaan en de daaropvolgende vraag of degene die rechtsmiddelen heeft ingesteld daartoe wel bevoegd was, zijn vragen die de rechter ambtshalve moet toetsen. Dat betekent dat het hof deze vraag moet beantwoorden, tenzij de inspecteur bij de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt op dit punt heeft prijsgegeven. 4.4. De inspecteur heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat niet in geschil is dat het vermogen van belanghebbende en Stichting [naam] vereffend was ten tijde van de bekendmaking van de aanslagen. Ter zitting van het hof heeft hij verklaard dat hij zich heeft gebaseerd op de mededeling van de KvK waarvan naderhand is gebleken dat deze onjuist was. Naar het oordeel van het hof heeft hij daarmee niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt prijsgegeven. Het hof zal daarom onderzoeken of belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen was opgehouden te bestaan. 4.5. De KvK heeft in het handelsregister opgenomen dat belanghebbende is ontbonden en bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Deze mededeling brengt op zichzelf nog niet met zich dat belanghebbende is opgehouden te bestaan want daarvoor geldt dat de mededeling ook juist moet zijn . Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. 4.6. De inspecteur betoogt op dit punt dat belanghebbende niet is opgehouden te bestaan. De inspecteur stelt dat een ontbindingsbesluit niet is overgelegd en dat de statuten een dergelijk besluit wel voorschrijven. Daarnaast wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in haar aangiften Vpb over 2017, 2018 en 2019 activa van € 19.449 opgaf en dat dat niet strookt met de mededeling dat per 31 december 2017 geen baten meer bekend waren. Verder wijst de inspecteur op de bankrekeningen op naam van belanghebbende waarop in 2023 een batig saldo stond en op een beslag dat bij belanghebbende is gelegd naar een bedrag van € 19.448,93 en dat is aangehouden in afwachting van een lopend FIOD-onderzoek. Tot slot stelt de inspecteur dat het bezwaarschrift en het beroepschrift namens belanghebbende zijn ingediend en zij toen dus kennelijk een gemachtigde in de arm heeft genomen. Belanghebbende stelt daartegenover dat tussen partijen niet in geschil was dat belanghebbende was opgehouden te bestaan en dat de rechtbank terecht partijen daarin is gevolgd. Belanghebbende acht het in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel dat de inspecteur terugkomt op zijn eerdere standpunt dat belanghebbende was opgehouden te bestaan en pas in hoger beroep stelt dat belanghebbende nog wel bestaat. Verder stelt belanghebbende dat er ten tijde van het invullen van het formulier 17a geen baten waren omdat zij belastingschulden had, executoriaal beslag was gelegd en de bestuurder ervan uitging dat de ontvanger het banksaldo rechtstreeks had gebruikt om een deel van de schuld te betalen. 4.7. De inspecteur heeft met dat wat hij heeft aangevoerd, het vermoeden dat de mededeling van de KvK juist is, ontzenuwd. Immers, uit de stukken die de inspecteur heeft overgelegd volgt dat in ieder geval in 2023 twee bankrekeningen op naam van belanghebbende stonden en dat op die bankrekeningen een batig saldo stond . Verder volgt uit de stukken dat de ontvanger weliswaar beslag had gelegd, maar dat de afwikkeling van dit beslag in 2024 is aangehouden in afwachting van een onderzoek bij de FIOD. Belanghebbende heeft gesteld dat zij geen activiteiten meer ontplooide en dat zij schulden had die de baten overtroffen en dat in die situatie een zogenoemde turboliquidatie, een liquidatie zonder vereffening, kan plaatsvinden. Ter zitting heeft belanghebbende nog gesteld dat het formulier 17a juist is ingevuld omdat er geen baten meer waren en belanghebbende op dat moment geen onderneming meer dreef. Dit alles leidt evenwel niet tot een ander oordeel omdat uit de stukken die de inspecteur heeft overgelegd volgt dat nog in 2023 sprake was van baten. De omstandigheden dat een executoriaal beslag is gelegd en dat de schulden de baten overtroffen maken dat niet anders omdat het beslag gelet op de opmerking in het systeem van de ontvanger niet is uitgewonnen maar is aangehouden. De stelling dat de schulden de baten overtreffen, kan het hof bij gebrek aan verdere gegevens en zonder afsluitende balans per 31 december 2017 niet verifiëren. Verder heeft belanghebbende gesteld dat zij een turboliquidatie heeft toegepast.
Volledig
Een schermprint uit het systeem van de ontvanger vermeldt op 2 februari 2024 een beslagen bedrag van € 19.448,83. Verder is in dat systeem de volgende opmerking geplaatst: “Aanhouden in afwachting onderzoek FIOD. Er loopt strafrechtelijk traject.” Onder deze opmerking zijn onder meer de aanslagnummers van de (navorderings)aanslagen genoemd. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Heeft de rechtbank terecht de (navorderings)aanslagen vernietigd? Meer specifiek: - Was belanghebbende ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen opgehouden te bestaan? - Was belanghebbende ontvankelijk in bezwaar en beroep? - Zijn de (navorderings-)aanslagen rechtsgeldig bekend gemaakt? 3.2. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Status van belanghebbende 4.1. Artikel 2:19 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende: “1. Een rechtspersoon wordt ontbonden: a. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien; b. bij het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft, en die niet een besluit of een op ontbinding gerichte handeling is; c.na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie; d. door het geheel ontbreken van leden, indien de rechtspersoon een vereniging, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is; e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 19a; f. door de rechter in de gevallen die de wet bepaalt. (…) 3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: in de gevallen als bedoeld in lid 1, onder a, b en d door de vereffenaar, indien deze er is en anders door het bestuur, in het geval als bedoeld in lid 1, onder c door de faillissementscurator, in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en in het geval als bedoeld in lid 1 onder f door de griffier van het betrokken gerecht. 4. Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. 5. De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie . 6. De rechtspersoon houdt in geval van vereffening op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffenaar of de faillissementscurator doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, daarvan opgaaf. (…)” 4.2. Op grond van deze bepaling houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen pas op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt, terwijl artikel 2:23c, lid 1, BW voorziet in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen, onder meer ingeval nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. Bij de rechtbank was tussen partijen niet in geschil dat het vermogen van belanghebbende was vereffend en dat de vereffening ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen was gesloten. 4.3. De vraag of degene aan wie de aanslag is opgelegd al dan niet is opgehouden te bestaan en de daaropvolgende vraag of degene die rechtsmiddelen heeft ingesteld daartoe wel bevoegd was, zijn vragen die de rechter ambtshalve moet toetsen. Dat betekent dat het hof deze vraag moet beantwoorden, tenzij de inspecteur bij de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt op dit punt heeft prijsgegeven. 4.4. De inspecteur heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat niet in geschil is dat het vermogen van belanghebbende en Stichting [naam] vereffend was ten tijde van de bekendmaking van de aanslagen. Ter zitting van het hof heeft hij verklaard dat hij zich heeft gebaseerd op de mededeling van de KvK waarvan naderhand is gebleken dat deze onjuist was. Naar het oordeel van het hof heeft hij daarmee niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt prijsgegeven. Het hof zal daarom onderzoeken of belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen en beschikkingen was opgehouden te bestaan. 4.5. De KvK heeft in het handelsregister opgenomen dat belanghebbende is ontbonden en bij gebrek aan baten is opgehouden te bestaan. Deze mededeling brengt op zichzelf nog niet met zich dat belanghebbende is opgehouden te bestaan want daarvoor geldt dat de mededeling ook juist moet zijn . Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. 4.6. De inspecteur betoogt op dit punt dat belanghebbende niet is opgehouden te bestaan. De inspecteur stelt dat een ontbindingsbesluit niet is overgelegd en dat de statuten een dergelijk besluit wel voorschrijven. Daarnaast wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in haar aangiften Vpb over 2017, 2018 en 2019 activa van € 19.449 opgaf en dat dat niet strookt met de mededeling dat per 31 december 2017 geen baten meer bekend waren. Verder wijst de inspecteur op de bankrekeningen op naam van belanghebbende waarop in 2023 een batig saldo stond en op een beslag dat bij belanghebbende is gelegd naar een bedrag van € 19.448,93 en dat is aangehouden in afwachting van een lopend FIOD-onderzoek. Tot slot stelt de inspecteur dat het bezwaarschrift en het beroepschrift namens belanghebbende zijn ingediend en zij toen dus kennelijk een gemachtigde in de arm heeft genomen. Belanghebbende stelt daartegenover dat tussen partijen niet in geschil was dat belanghebbende was opgehouden te bestaan en dat de rechtbank terecht partijen daarin is gevolgd. Belanghebbende acht het in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel dat de inspecteur terugkomt op zijn eerdere standpunt dat belanghebbende was opgehouden te bestaan en pas in hoger beroep stelt dat belanghebbende nog wel bestaat. Verder stelt belanghebbende dat er ten tijde van het invullen van het formulier 17a geen baten waren omdat zij belastingschulden had, executoriaal beslag was gelegd en de bestuurder ervan uitging dat de ontvanger het banksaldo rechtstreeks had gebruikt om een deel van de schuld te betalen. 4.7. De inspecteur heeft met dat wat hij heeft aangevoerd, het vermoeden dat de mededeling van de KvK juist is, ontzenuwd. Immers, uit de stukken die de inspecteur heeft overgelegd volgt dat in ieder geval in 2023 twee bankrekeningen op naam van belanghebbende stonden en dat op die bankrekeningen een batig saldo stond . Verder volgt uit de stukken dat de ontvanger weliswaar beslag had gelegd, maar dat de afwikkeling van dit beslag in 2024 is aangehouden in afwachting van een onderzoek bij de FIOD. Belanghebbende heeft gesteld dat zij geen activiteiten meer ontplooide en dat zij schulden had die de baten overtroffen en dat in die situatie een zogenoemde turboliquidatie, een liquidatie zonder vereffening, kan plaatsvinden. Ter zitting heeft belanghebbende nog gesteld dat het formulier 17a juist is ingevuld omdat er geen baten meer waren en belanghebbende op dat moment geen onderneming meer dreef. Dit alles leidt evenwel niet tot een ander oordeel omdat uit de stukken die de inspecteur heeft overgelegd volgt dat nog in 2023 sprake was van baten. De omstandigheden dat een executoriaal beslag is gelegd en dat de schulden de baten overtroffen maken dat niet anders omdat het beslag gelet op de opmerking in het systeem van de ontvanger niet is uitgewonnen maar is aangehouden. De stelling dat de schulden de baten overtreffen, kan het hof bij gebrek aan verdere gegevens en zonder afsluitende balans per 31 december 2017 niet verifiëren. Verder heeft belanghebbende gesteld dat zij een turboliquidatie heeft toegepast.
Volledig
Daarmee staat vast dat belanghebbendes vermogen niet is vereffend. Het hof gaat daarom ervan uit dat een vereffening niet heeft plaatsgevonden en dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen is ontbonden, maar gelet op artikel 2:19, lid 6, BW niet is opgehouden te bestaan. 4.8. Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur handelt in strijd met vertrouwensbeginsel of het rechtzekerheidsbeginsel faalt dat betoog. Belanghebbende wist, of had moeten weten, dat de mededeling niet juist was omdat zij zelf na het invullen van het formulier 17a nog aangiften Vpb heeft ingediend waarin zij activa heeft aangegeven en bankrekeningen heeft aangehouden. De stelling dat belanghebbende bij het invullen van het formulier ervan mocht uitgaan dat de ontvanger de belastingschulden van het banksaldo zou betalen, mist feitelijke grondslag aangezien de ontvanger pas op 14 januari 2020 executoriaal beslag heeft gelegd en ten tijde van het invullen van het formulier 17a daarvan nog geen sprake was. In deze situatie komt belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel toe. Ontvankelijkheid in bezwaar en beroep 4.9. De (navorderings)aanslagen zijn op 17 december 2019 aan belanghebbende opgelegd. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft op 21 januari 2020 tijdig een bezwaarschrift ingediend tegen de (navorderings)aanslagen. In het bezwaarschrift is vermeld: “Tot ons heeft zich gewend [belanghebbende] , met het verzoek haar fiscale belangen te vertegenwoordigen”. Op 3 maart 2022 heeft de gemachtigde tijdig een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroepschrift vermeld het volgende: “Belanghebbende, [belanghebbende] , gevestigd aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , te dezen vertegenwoordigd door en domicilie kiezende (…) stelt, (…) hierbij beroep in” 4.10. Het hof heeft hiervoor in 4.7. geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan. Zij bestaat weliswaar nog slechts voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is maar dat betekent niet dat zij geen rechtsmiddelen kan instellen. Dit betekent dat de juiste persoon bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld en dat zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift ontvankelijk zijn. Bekendmaking aanslagen 4.11. Op grond van artikel 11, lid 3, Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 16, lid 3, AWR vervalt de bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5 AWR bepaalt dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de aanslag. Indien voor de toepassing van de in artikelen 11, lid 3, AWR en 16, lid 3, AWR voorziene termijn onverkort zou worden vastgehouden aan de dagtekening van het aanslagbiljet, ook in gevallen waarin de aanslag op die datum nog niet is bekendgemaakt, zou tekort worden gedaan aan de strekking van deze aanslagtermijn. Op grond van artikel 5, lid 1, eerste volzin AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Bekendmaking van een aanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. De omstandigheid dat een door de inspecteur opgemaakt aanslagbiljet vervolgens aan de belastingschuldige bekend is gemaakt op een andere wijze dan is voorzien in artikel 8, lid 1, IW 1990, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de uit dat biljet blijkende belastingaanslag . Gedurende de periode dat een rechtspersoon is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan, kan een ten name van die rechtspersoon vastgestelde belastingaanslag worden bekendgemaakt door toezending aan de vereffenaar dan wel, indien er meer dan één vereffenaar is, aan één van die vereffenaars. 4.12. Het hof heeft geoordeeld dat in dit geval belanghebbende is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen op 17 december 2019 uitgereikt en betekend op het laatst bekende adres van belanghebbende aan een van de bestuurders, [bestuurder 1] . Artikel 12 van de statuten van belanghebbende bepaalt dat de leden van het bestuur optreden als vereffenaars tenzij bij besluit iets anders is bekend gemaakt. Verder heeft de gemachtigde ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij namens de vereffenaar [bestuurder 1] optrad. Gelet op de bepaling in de statuten en artikel 2:23, lid 1, BW dat het bestuur van een rechtspersoon in eerste instantie aanwijst als vereffenaars van een ontbonden rechtspersoon, acht het hof aannemelijk dat [bestuurder 1] als vereffenaar moet worden aangemerkt. Dit betekent dat de (navorderings)aanslagen aan de juiste persoon zijn bekendgemaakt. Verder zijn de (navorderings)aanslagen opgelegd binnen de termijnen van artikel 11, lid 3, en 16, lid 3, AWR en dus tijdig opgelegd. Voor zover belanghebbende betoogt dat de (navorderings)aanslagen ten onrechte door de inspecteur bekend zijn gemaakt, faalt dat betoog. Die omstandigheid doet immers geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de aanslag. 4.13. Dit alles betekent dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. In dat geval heeft belanghebbende ter zitting laten weten dat zij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak verzoekt om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat zij recht heeft op een behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties. Het hof zal derhalve de zaak terugwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Tussenconclusie 4.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten 4.15. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht; wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E. Royakkers J.M. van der Vegt Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.
Volledig
Daarmee staat vast dat belanghebbendes vermogen niet is vereffend. Het hof gaat daarom ervan uit dat een vereffening niet heeft plaatsgevonden en dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen is ontbonden, maar gelet op artikel 2:19, lid 6, BW niet is opgehouden te bestaan. 4.8. Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur handelt in strijd met vertrouwensbeginsel of het rechtzekerheidsbeginsel faalt dat betoog. Belanghebbende wist, of had moeten weten, dat de mededeling niet juist was omdat zij zelf na het invullen van het formulier 17a nog aangiften Vpb heeft ingediend waarin zij activa heeft aangegeven en bankrekeningen heeft aangehouden. De stelling dat belanghebbende bij het invullen van het formulier ervan mocht uitgaan dat de ontvanger de belastingschulden van het banksaldo zou betalen, mist feitelijke grondslag aangezien de ontvanger pas op 14 januari 2020 executoriaal beslag heeft gelegd en ten tijde van het invullen van het formulier 17a daarvan nog geen sprake was. In deze situatie komt belanghebbende geen beroep op het vertrouwensbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel toe. Ontvankelijkheid in bezwaar en beroep 4.9. De (navorderings)aanslagen zijn op 17 december 2019 aan belanghebbende opgelegd. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft op 21 januari 2020 tijdig een bezwaarschrift ingediend tegen de (navorderings)aanslagen. In het bezwaarschrift is vermeld: “Tot ons heeft zich gewend [belanghebbende] , met het verzoek haar fiscale belangen te vertegenwoordigen”. Op 3 maart 2022 heeft de gemachtigde tijdig een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroepschrift vermeld het volgende: “Belanghebbende, [belanghebbende] , gevestigd aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , te dezen vertegenwoordigd door en domicilie kiezende (…) stelt, (…) hierbij beroep in” 4.10. Het hof heeft hiervoor in 4.7. geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de (navorderings)aanslagen is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan. Zij bestaat weliswaar nog slechts voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is maar dat betekent niet dat zij geen rechtsmiddelen kan instellen. Dit betekent dat de juiste persoon bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld en dat zowel het bezwaarschrift als het beroepschrift ontvankelijk zijn. Bekendmaking aanslagen 4.11. Op grond van artikel 11, lid 3, Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 16, lid 3, AWR vervalt de bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5 AWR bepaalt dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de aanslag. Indien voor de toepassing van de in artikelen 11, lid 3, AWR en 16, lid 3, AWR voorziene termijn onverkort zou worden vastgehouden aan de dagtekening van het aanslagbiljet, ook in gevallen waarin de aanslag op die datum nog niet is bekendgemaakt, zou tekort worden gedaan aan de strekking van deze aanslagtermijn. Op grond van artikel 5, lid 1, eerste volzin AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Bekendmaking van een aanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. De omstandigheid dat een door de inspecteur opgemaakt aanslagbiljet vervolgens aan de belastingschuldige bekend is gemaakt op een andere wijze dan is voorzien in artikel 8, lid 1, IW 1990, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de uit dat biljet blijkende belastingaanslag . Gedurende de periode dat een rechtspersoon is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan, kan een ten name van die rechtspersoon vastgestelde belastingaanslag worden bekendgemaakt door toezending aan de vereffenaar dan wel, indien er meer dan één vereffenaar is, aan één van die vereffenaars. 4.12. Het hof heeft geoordeeld dat in dit geval belanghebbende is ontbonden maar nog niet is opgehouden te bestaan. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen op 17 december 2019 uitgereikt en betekend op het laatst bekende adres van belanghebbende aan een van de bestuurders, [bestuurder 1] . Artikel 12 van de statuten van belanghebbende bepaalt dat de leden van het bestuur optreden als vereffenaars tenzij bij besluit iets anders is bekend gemaakt. Verder heeft de gemachtigde ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij namens de vereffenaar [bestuurder 1] optrad. Gelet op de bepaling in de statuten en artikel 2:23, lid 1, BW dat het bestuur van een rechtspersoon in eerste instantie aanwijst als vereffenaars van een ontbonden rechtspersoon, acht het hof aannemelijk dat [bestuurder 1] als vereffenaar moet worden aangemerkt. Dit betekent dat de (navorderings)aanslagen aan de juiste persoon zijn bekendgemaakt. Verder zijn de (navorderings)aanslagen opgelegd binnen de termijnen van artikel 11, lid 3, en 16, lid 3, AWR en dus tijdig opgelegd. Voor zover belanghebbende betoogt dat de (navorderings)aanslagen ten onrechte door de inspecteur bekend zijn gemaakt, faalt dat betoog. Die omstandigheid doet immers geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de aanslag. 4.13. Dit alles betekent dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. In dat geval heeft belanghebbende ter zitting laten weten dat zij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak verzoekt om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat zij recht heeft op een behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties. Het hof zal derhalve de zaak terugwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Tussenconclusie 4.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten 4.15. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht; wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E. Royakkers J.M. van der Vegt Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.