Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-19
ECLI:NL:GHSHE:2026:752
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 19 maart 2026 Zaaknummer : 200.354.038/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/426012 / HA RK 24-164 in de zaak in hoger beroep van: 1 [appellant] , 2. [appellante] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna aan te duiden: [appellant] c.s., advocaat: mr. A.M. Smetsers te Nijmegen, tegen Gemeente [Gemeente] , zetelend te [zetelplaats] , verweerster, hierna aan te duiden als de gemeente, advocaat: mr. N.D. Niederer te Breda. 5 De beschikking van 25 september 2025 5.1. In genoemde beschikking heeft het hof aangegeven voornemens te zijn om de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen: Wanneer is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht van toepassing in het geval in een verzoekschriftenprocedure de rechter in eerste aanleg het oude (bewijs)recht van toepassing heeft verklaard: vanaf de datum op of na 1 januari 2025 waarop de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan of vanaf de datum waarop de zaak in hoger beroep aanhangig is gemaakt, dat wil zeggen vanaf het moment van indienen van het beroepschrift, zodat de beroepstermijn en in voorkomend geval de appelmogelijkheid door oud recht wordt beheerst? 5.2. Omdat bij de Hoge Raad een procedure liep over dezelfde vraag als hiervoor genoemd heeft het hof de beslissing over de ontvankelijkheid aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad. 6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.1. Het hof heeft na de tussenbeschikking van 25 september 2025 kennis genomen van: - de uitspraak van de Hoge Raad van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201; - de reactie van mr. Smetsers namens [appellant] c.s., bij het hof binnengekomen op 2 maart 2026; - de reactie van mr. Niederer namens de gemeente, bij het hof binnengekomen op 4 maart 2026. 6.2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken. 7 De verdere beoordeling Ontvankelijkheid 7.1. In de genoemde beschikking van de Hoge Raad is in r.o. 3.8 over de van toepassing zijnde termijn voor het instellen van rechtsmiddelen het volgende beslist: “ Bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, moet in zoverre worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.” 7.2. [appellant] c.s. hebben zich over de uitspraak van de Hoge Raad uitgelaten en komen tot de conclusie dat zij in hun hoger beroep primair op basis van artikel XIIA en de toelichting van de Wet Vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht ontvankelijk zijn, dan wel subsidiair op basis van artikel 74 lid 1 Overgangswet Nieuw BW, omdat in beide gevallen de oude appeltermijn van drie maanden van toepassing is. 7.3. De gemeente heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. 7.4. Het hof overweegt als volgt. Het verzoek van [appellant] c.s. inzage te verkrijgen in onderhandse akten en bescheiden op de voet van art. 843a (oud) Rv is bij de rechtbank ingediend vóór 1 januari 2025 (zie b