Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-18
ECLI:NL:GHSHE:2026:740
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:740 text/xml public 2026-04-16T13:53:51 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-18 25/751 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:1811, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:740 text/html public 2026-04-07T15:46:56 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:740 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-03-2026 / 25/751 Inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet terecht geheven, ondanks dat AOW-uitkering zeer gering is. De belastingrechter is niet bevoegd de Sociale Verzekeringsbank op te dragen de AOW-uitkering met terugwerkende kracht stop te zetten. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/751 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 maart 2025, nummer BRE 24/3501 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2021 (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende bijgestaan door zijn echtgenote [de echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland. 2.2. Belanghebbende heeft in 2021 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) ontvangen tot een bedrag van € 328. Daarnaast heeft belanghebbende vanuit Duitsland pensioenuitkeringen ontvangen van Deutsche Rentenversicherung (hierna: DRV), van in totaal € 24.850 en van Philips Pensionskasse Hamburg van € 1.408. 2.3. De aanslag Zvw voor het jaar 2021 (aanslag Zvw) is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 26.258. Dit is het totaal van de uit Duitsland ontvangen pensioenuitkeringen. 2.4. De Svb heeft belanghebbende op 22 oktober 2007 een ontheffing verleend van de verplichte verzekering ten aanzien van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet. In dit stuk is tevens vermeld dat de ontheffing niet geldt voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). 2.5. In een emailbericht van 23 oktober 2023 heeft de inspecteur gemachtigde het volgende bericht: “Mijn advies is inderdaad om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten per direct en omdat zij niet met terug werkende kracht werken zult u bezwaar moeten maken en vragen of de ontvangen AOW uitkering eventueel terug betaald kan worden. Mocht de SVB hier positief op beslissen dan passen wij de aangifte hierop aan.” 2.6. Belanghebbende heeft de Svb eind 2023 verzocht om de AOW-uitkering te beëindigen. De Svb heeft de AOW-uitkering beëindigd met ingang van 1 december 2023. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt en verzocht om de uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 te beëindigen. Dat bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. De rechtbank Limburg heeft het hiertegen ingestelde beroep op 21 januari 2025 ongegrond verklaard. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Is de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag vastgesteld? 2. Handelt de inspecteur onzorgvuldig door in de rechtsmiddelverwijzing op te nemen dat bezwaar moet worden gemaakt bij de Belastingdienst? 3. Is de aanslag dermate laat opgelegd waardoor belanghebbende niet tijdig de AOW-uitkering heeft kunnen stopzetten? 4. Dient de Svb de AOW-uitkering stop te zetten met ingang van 1 januari 2021? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslag en belastingrentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. Rechtmatigheid en juistheid van de aanslag 4.1. Hoewel de grieven in hoger beroep vooral gericht lijken te zijn tegen de beslissing van de Svb om geen terugwerkende kracht te verlenen aan het stopzetten van de AOW-uitkering, gaat het hof ervan uit dat belanghebbende ook de rechtmatigheid van de aanslag ter discussie stelt. 4.2. Het hof is van oordeel dat de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het hof verwijst naar r.o. 4.1 tot en met 4.6 van de uitspraak van de rechtbank en neemt deze over. 2. Onzorgvuldige rechtsmiddelverwijzing? 4.3. Belanghebbende stelt dat de rechtsmiddelverwijzing bij de aanslag onjuist is, althans dat zij hierdoor op het verkeerde been is gezet en dat de voorlichtende taak van de inspecteur niet juist is uitgevoerd. Naar het hof begrijpt bedoelt belanghebbende hiermee te stellen dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de Svb ontheffing te krijgen en dat de rechtsmiddelverwijzing bij het aanslagbiljet slechts wijst op de mogelijkheid van bezwaar bij de inspecteur. 4.4. Het hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. De inspecteur dient te zorgen voor een duidelijke rechtsmiddelverwijzing ten aanzien van aanslag die hij oplegt. Op de inspecteur rust geen verplichting om belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid om ontheffing te vragen bij de Svb. Het hof wijst er overigens op dat de aanslag is opgelegd op 28 november 2023 en dat de inspecteur al op 23 oktober 2023 in een emailbericht aan gemachtigde geadviseerd heeft om de Svb te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de reeds ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Hieruit volgt dat de inspecteur niet is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak. 3. Tijdigheid opleggen aanslag 4.5. Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur ten onrechte lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. Belanghebbende stelt dat als de inspecteur eerder een aanslag had opgelegd, zij eerder op de hoogte was van de heffing van de premies Zvw en eerder bij de Svb aan de bel had kunnen trekken, waardoor deze negatieve gevolgen op een eerder tijdstip dan 1 december 2023 gestopt hadden kunnen worden. 4.6. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de bevoegdheid heeft op tot drie jaar na afloop van het jaar 2021 een aanslag op te leggen en dat binnen die termijn de aanslag is opgelegd. Het feit dat belanghebbende bij het eerder opleggen van de aanslag ook eerder aan de bel had kunnen trekken bij de Svb, brengt niet mee dat de rechtmatigheid van de onderhavige aanslag daarmee vervalt. Belanghebbende heeft een beschikking van de Svb ontvangen waarbij de AOW-uitkering is stopgezet. Zij heeft de mogelijkheid gehad om rechtsmiddelen tegen die beschikking aan te wenden en zij had daarbij ook de vraag aan de orde kunnen stellen of de Svb ten onrechte geen terugwerkende kracht aan de stopzetting heeft verleend. Zij heeft echter niet tijdig bezwaar ingediend als gevolg waarvan het bezwaarschrift niet ontvankelijk is verklaard. 4. Stopzetting verzekeringsplicht door de Svb 4.7. Belanghebbende verzoekt het hof de Svb op te dragen de verzekeringsplicht stop te zetten met ingang van 2021. Het hof is daar, als belastingrechter, in deze procedure niet toe bevoegd. Tegen beslissingen van de Svb staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. Belanghebbende heeft daar ook gebruik van gemaakt door bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank Limburg.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:740 text/xml public 2026-04-16T13:53:51 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-18 25/751 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:1811, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:740 text/html public 2026-04-07T15:46:56 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:740 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-03-2026 / 25/751 Inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet terecht geheven, ondanks dat AOW-uitkering zeer gering is. De belastingrechter is niet bevoegd de Sociale Verzekeringsbank op te dragen de AOW-uitkering met terugwerkende kracht stop te zetten. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/751 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 maart 2025, nummer BRE 24/3501 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2021 (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende bijgestaan door zijn echtgenote [de echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland. 2.2. Belanghebbende heeft in 2021 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) ontvangen tot een bedrag van € 328. Daarnaast heeft belanghebbende vanuit Duitsland pensioenuitkeringen ontvangen van Deutsche Rentenversicherung (hierna: DRV), van in totaal € 24.850 en van Philips Pensionskasse Hamburg van € 1.408. 2.3. De aanslag Zvw voor het jaar 2021 (aanslag Zvw) is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 26.258. Dit is het totaal van de uit Duitsland ontvangen pensioenuitkeringen. 2.4. De Svb heeft belanghebbende op 22 oktober 2007 een ontheffing verleend van de verplichte verzekering ten aanzien van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet. In dit stuk is tevens vermeld dat de ontheffing niet geldt voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). 2.5. In een emailbericht van 23 oktober 2023 heeft de inspecteur gemachtigde het volgende bericht: “Mijn advies is inderdaad om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten per direct en omdat zij niet met terug werkende kracht werken zult u bezwaar moeten maken en vragen of de ontvangen AOW uitkering eventueel terug betaald kan worden. Mocht de SVB hier positief op beslissen dan passen wij de aangifte hierop aan.” 2.6. Belanghebbende heeft de Svb eind 2023 verzocht om de AOW-uitkering te beëindigen. De Svb heeft de AOW-uitkering beëindigd met ingang van 1 december 2023. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt en verzocht om de uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 te beëindigen. Dat bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. De rechtbank Limburg heeft het hiertegen ingestelde beroep op 21 januari 2025 ongegrond verklaard. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Is de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag vastgesteld? 2. Handelt de inspecteur onzorgvuldig door in de rechtsmiddelverwijzing op te nemen dat bezwaar moet worden gemaakt bij de Belastingdienst? 3. Is de aanslag dermate laat opgelegd waardoor belanghebbende niet tijdig de AOW-uitkering heeft kunnen stopzetten? 4. Dient de Svb de AOW-uitkering stop te zetten met ingang van 1 januari 2021? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de aanslag en belastingrentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. Rechtmatigheid en juistheid van de aanslag 4.1. Hoewel de grieven in hoger beroep vooral gericht lijken te zijn tegen de beslissing van de Svb om geen terugwerkende kracht te verlenen aan het stopzetten van de AOW-uitkering, gaat het hof ervan uit dat belanghebbende ook de rechtmatigheid van de aanslag ter discussie stelt. 4.2. Het hof is van oordeel dat de aanslag rechtmatig en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het hof verwijst naar r.o. 4.1 tot en met 4.6 van de uitspraak van de rechtbank en neemt deze over. 2. Onzorgvuldige rechtsmiddelverwijzing? 4.3. Belanghebbende stelt dat de rechtsmiddelverwijzing bij de aanslag onjuist is, althans dat zij hierdoor op het verkeerde been is gezet en dat de voorlichtende taak van de inspecteur niet juist is uitgevoerd. Naar het hof begrijpt bedoelt belanghebbende hiermee te stellen dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de Svb ontheffing te krijgen en dat de rechtsmiddelverwijzing bij het aanslagbiljet slechts wijst op de mogelijkheid van bezwaar bij de inspecteur. 4.4. Het hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. De inspecteur dient te zorgen voor een duidelijke rechtsmiddelverwijzing ten aanzien van aanslag die hij oplegt. Op de inspecteur rust geen verplichting om belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid om ontheffing te vragen bij de Svb. Het hof wijst er overigens op dat de aanslag is opgelegd op 28 november 2023 en dat de inspecteur al op 23 oktober 2023 in een emailbericht aan gemachtigde geadviseerd heeft om de Svb te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de reeds ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Hieruit volgt dat de inspecteur niet is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak. 3. Tijdigheid opleggen aanslag 4.5. Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur ten onrechte lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. Belanghebbende stelt dat als de inspecteur eerder een aanslag had opgelegd, zij eerder op de hoogte was van de heffing van de premies Zvw en eerder bij de Svb aan de bel had kunnen trekken, waardoor deze negatieve gevolgen op een eerder tijdstip dan 1 december 2023 gestopt hadden kunnen worden. 4.6. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de bevoegdheid heeft op tot drie jaar na afloop van het jaar 2021 een aanslag op te leggen en dat binnen die termijn de aanslag is opgelegd. Het feit dat belanghebbende bij het eerder opleggen van de aanslag ook eerder aan de bel had kunnen trekken bij de Svb, brengt niet mee dat de rechtmatigheid van de onderhavige aanslag daarmee vervalt. Belanghebbende heeft een beschikking van de Svb ontvangen waarbij de AOW-uitkering is stopgezet. Zij heeft de mogelijkheid gehad om rechtsmiddelen tegen die beschikking aan te wenden en zij had daarbij ook de vraag aan de orde kunnen stellen of de Svb ten onrechte geen terugwerkende kracht aan de stopzetting heeft verleend. Zij heeft echter niet tijdig bezwaar ingediend als gevolg waarvan het bezwaarschrift niet ontvankelijk is verklaard. 4. Stopzetting verzekeringsplicht door de Svb 4.7. Belanghebbende verzoekt het hof de Svb op te dragen de verzekeringsplicht stop te zetten met ingang van 2021. Het hof is daar, als belastingrechter, in deze procedure niet toe bevoegd. Tegen beslissingen van de Svb staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. Belanghebbende heeft daar ook gebruik van gemaakt door bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank Limburg.