Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-17
ECLI:NL:GHSHE:2026:724
Parketnummer : 20-000115-25 Uitspraak : 17 maart 2026 TEGENSPRAAK Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-309390-24 tegen: [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘valsheid in geschrift’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging. Overweging Op grond van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechter ambtshalve, op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van een betrokken procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang. Het hof heeft op 3 maart 2026 de zaak tegen de verdachte behandeld. Het hof is tot de conclusie gekomen dat de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden en dat het stellen van prejudiciële vragen ook aangewezen is vanwege het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang van rechtseenheid. Korte schets van de zaak Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 12 januari 2021 te Istanboel, in elk geval in Turkije, en/of in Syrië, en/of in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op dit geschrift/formulier in strijd met de waarheid te vermelden dat hij ongehuwd was en nimmer gehuwd was geweest en/of geen duurzame relatie of exclusieve relatie met een partner had en/of niet de zorg had over kinderen (middels het plaatsen van een vinkje en/of het zwart maken van een hokje), met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken." Uit het dossier volgt dat de broer van de verdachte als minderjarige alleenstaande asielzoeker naar Nederland is gereisd en een asielverzoek heeft ingediend dat werd ingewilligd. De broer is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Personen die in het bezit zijn van een dergelijke vergunning hebben het recht om gezinshereniging aan te vragen. Dat heeft deze broer ook gedaan. Het in de tenlastelegging bedoelde ‘formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)’ is bestemd voor een nareisprocedure, strekkende tot gezinshereniging. Uit het dossier volgt dat de verdachte, die de Syrische nationaliteit heeft, de verklaring op 12 januari 2021 in Turkije heeft afgelegd en ondertekend. Tijdens zijn politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat het betreffende formulier niet de waarheid bevat, dat hij heeft gelogen en dat als hij de waarheid zou vertellen hij niet naar Nederland zou mogen komen. De IND heeft op 6 december 2022 aangifte gedaan van het opzettelijk opgeven van onjuiste gegevens door de verdachte. In deze aangifte wordt onder meer opgemerkt: " (…) [Het] is duidelijk dat betrokkene Zowel in het primaire als in het subsidiaire gedeelte ervan worden in de tenlastelegging de zojuist omschreven gedragingen aan de verdachte verweten als het op 4 oktober 2021 plegen van het misdrijf van valsheid in geschrift (artikel 225, eerste lid, Sr), waarbij telkens als pleegplaats wordt vermeld “te Latakia (Syrië), althans in Syrië”. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het formulier inderdaad in Syrië heeft ingevuld en dat hij het op zijn reis naar Nederland onder meer heeft getoond aan personeel van de Nederlandse ambassade in Beiroet (Libanon). Van belang is verder nog dat de verdachte in oktober 2021 niet gold als ‘Nederlander’ in de zin van (het derde lid van) artikel 7 Sr. Het voorgaande betekent dat er sprake is van een feit dat buiten Nederland zou zijn gepleegd door een niet-Nederlander. Daardoor dient de vraag zich aan of Nederland in dit geval beschikt over zogenoemde extraterritoriale rechtsmacht. Voor een bevestigende beantwoording van deze vraag is nodig dat één van de op extraterritoriale rechtsmacht betrekking hebbende wettelijke bepalingen op het geval van de verdachte van toepassing is. In dat verband dient zich in het bijzonder aan het reeds genoemde artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr. Sinds 1 juli 2014 luidt deze bepaling als volgt: “De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) aan een van de misdrijven in de artikelen 225 tot en met 227b en 232 [van het Wetboek van Strafrecht] indien het strafbare feit is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling”. Aan (onder meer) onderdeel d van artikel 4 Sr ligt het zogenoemde beschermingsbeginsel ten grondslag. In de literatuur wordt daarover gezegd: “Wanneer bepaalde delicten het aanknopingspunt vormen voor extraterritoriale rechtsmacht, wordt veelal in de eerste plaats het beschermingsbeginsel onderscheiden. Dan staan zulke vitale nationale belangen op het spel (bijvoorbeeld politiek of economisch gezien) dat aantasting daarvan, door wie en waar ook begaan, onder het beschermende bereik van de nationale strafwet wordt gebracht.” In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de op 1 juli 2014 in werking getreden versie van artikel 4 Sr wordt de werking van het beschermingsbeginsel onder meer als volgt onder woorden gebracht: “Voorgesteld wordt om het huidige artikel 4 Sr om te vormen tot een rechtsmachtgrondslag op basis waarvan de Nederlandse strafwet ongeclausuleerd kan worden toegepast op een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan nader aangeduide strafbare feiten die algemene nationale rechtsbelangen beschermen . Het gaat hier om de misdrijven die (van oudsher) in artikel 4, onderdelen 1° tot en met 6°, Sr zijn opgenomen. Voor zover het betreft de aldaar genoemde misdrijven tegen de veiligheid van de staat, tegen de Koninklijke waardigheid, de valsemunterij, de misdrijven betreffende de van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken of andere valsheidsdelicten tegen Nederlandse overheidsinstellingen is het duidelijk dat zij de Nederlandse staatkundige structuur en economie – ook in het buitenland – beogen te beschermen .” In dit citaat is sprake van “andere valsheidsdelicten tegen Nederlandse overheidsinstellingen”. Daarmee doelen de ondertekenaars van de memorie op artikel 4, aanhef en onder 4°, Sr (oud), dat destijds als volgt luidde: “De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt: (…) aan valsheid in schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat of van een Nederlandse provincie, gemeente of openbare instelling, de talons, dividend- en rentebewijzen tot deze stukken behorende, en de bewijzen, uitgegeven in plaats van deze stukken, inbegrepen, of aan het opzettelijk gebruik maken van zodanig vals of vervalst stuk als ware het echt en onvervalst”. Louter uitgaand van de tekst van (het huidige) onderdeel d van artikel 4 Sr lijkt de conclusie voor de hand te Nu ook ieder ander aangrijpingspunt voor extraterritoriale rechtsmacht (en voor gewone, territoriale rechtsmacht) ontbreekt, betekent dit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging." De overwegingen uit dit arrest zijn gevolgd in het eveneens onherroepelijke arrest Gerechtshof Den Haag 28 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1566. In Tekst & Commentaar Strafrecht merkt R. van Elst in het commentaar op artikel 4 Sr (actueel tot en met 15 oktober 2025) het volgende over deze twee arresten op: " 6b. De betekenis van gepleegd 'tegen een Nederlandse overheidsinstelling' en de valse geschriften Een beperkte uitleg van de voorwaarde dat het misdrijf moet zijn gepleegd 'tegen een Nederlandse overheidsinstelling' en de in art. 4 onder d aangewezen geschriften, heeft het gerechtshof Den Haag gegeven in twee zaken waarin aan de telkens Syrische verdachte ten laste was gelegd dat hij in Latakia (Syrië) een Appendix Certificate of non-impediment van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst door daarop in strijd met de waarheid te vermelden dat hij ongehuwd was en geen kinderen had (zaak 1 en 2) en/of geen zorg voor kinderen had of droeg en/of te vermelden dat hij geen langdurige en exclusieve relatie had met iemand (zaak 2). In beide zaken zou het formulier zijn ingevuld in het kader van een door de moeder gedaan nareisverzoek dat strekt tot gezinshereniging. Het hof legt 'tegen een Nederlandse overheidsinstelling' beperkt uit in het licht van het beschermingsbeginsel dat 'vitale nationale belangen' onder de extraterritoriale toepasselijkheid van de strafwet brengt en beperkt de geschriften in het licht van art. 4 onderdeel 3 (oud) tot geschriften 'die van zichzelf reeds een financieel karakter hebben' en 'doorgaans, min of meer direct, een financiële benadeling van (een instelling van) de centrale of lagere overheid tot gevolg hebben'. De toepasselijkheid op grond van art. 4 onder d op iedere valsheid in nagenoeg ieder overheidsformulier zou niet te rijmen zijn met de zwaarwegendheid van de belangen die het beschermingsbeginsel beoogt te beschermen, aldus gerechtshof Den Haag 22 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1080, uitdrukkelijk gevolgd door een kamer in geheel andere samenstelling in een arrest van 28 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1566, dat het OM vervolgens wegens het ontbreken van rechtsmacht niet-ontvankelijk verklaarde in de vervolging (in beide zaken is geen cassatieberoep ingesteld). Beide arresten illustreren dat uit de parlementaire voorbereiding niet blijkt dat de wetgever goed heeft doordacht wat de betekenis zou zijn van het resterende art. 4 nadat daaruit de meeste grondslagen voor universele rechtsmacht zouden zijn overgebracht naar art. 6 Sr i.c.m. het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht. En mogelijk zijn de 'schuldbrieven of certificaten van schuld van de Nederlandse staat et cetera' daarbij vervangen door een te grove verwijzing naar de bepalingen uit het wetboek waarop art. 4 onderdeel 3 (oud) betrekking had. Maar het is ook de vraag of het vervalsen van een door de IND verstrekt geschrift in het kader van een door een familielid in Nederland gedaan nareisverzoek strekkend tot gezinshereniging, niet zou kunnen worden aangemerkt als 'bescherming van gewichtige algemene nationale rechtsbelangen' dat als rechtsmachtgrondslag voor art. 4 is aangewezen (Kamerstukken II 2012/13, 33572, nr. 3, p. 4). Dan zou ook de vraag beantwoord moeten worden of de wetgever daarmee niet onbedoeld (want vooral bedoeld om het onderscheid aan te scherpen met universele rechtsmacht) een te ruime uitleg geeft aan het beschermingsbeginsel waaronder uit de aard van het beginsel slechts misdrijven gebracht mogen worden tegen de onafhankelijkheid en de territoriale integriteit, de veiligheid van de staat of de politieke of economische stabiliteit (Van Elst, 'Rechtsmacht', in: Van Elst & Van Sliedregt, Handboek Internationaal strafrecht 2022,