Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-11
ECLI:NL:GHSHE:2026:669
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,028 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2026:669 text/xml public 2026-04-07T11:20:27 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-11 24/423 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Wet waardering onroerende zaken 40 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:669 text/html public 2026-04-01T14:01:27 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:669 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-03-2026 / 24/423 Wet WOZ. Het geschil beperkt zicht tot de vraag of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase op grond artikel 40, lid 2, Wet WOZ de indexeringspercentages van de referentiewoningen had moeten verstrekken. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar de toegepaste indexering inzichtelijk gemaakt met het weergeven van de door hem gehanteerde gegevens, aangeduid als ‘Verkoopdatum (overdracht bij notaris)’, ‘Verkoopprijs’ en ‘Vastgestelde WOZ waarde’. Alhoewel belanghebbende terecht stelt dat de verkoopdatum ten onrechte is gebaseerd op de datum van overdracht bij de notaris, is dat wel de datum die de heffingsambtenaar heeft gehanteerd. De gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde, zoals benoemd in artikel 40, lid 2, Wet WOZ, zijn dus verstrekt. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/423 Uitspraak op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Veldhoven, hierna: de heffingsambtenaar, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 februari 2024, nummer SHE 22/2596 in het geding tussen de heffingsambtenaar en [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is op 1 januari 2022 eigenaar van de onroerende zaak. 2.2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 381.000. 2.3. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase aan belanghebbende een taxatieverslag overgelegd, waarin de waarde van de onroerende zaak is vastgesteld door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (de referentiewoningen). 2.4. De verkoopprijs en de naar de peildatum geïndexeerde waarde van de referentiewoningen is in het taxatieverslag steeds als volgt weergegeven: Verkoopdatum (overdracht bij notaris) [datum] Verkoopprijs [€ bedrag] Waardepeildatum 01-01-2021 Vastgesteld WOZ-waarde [€ bedrag] Vorige vastgestelde WOZ-waarde [€ bedrag] 2.5. De rechtbank heeft de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 379.000 en de aanslag onroerendezaakbelastingen overeenkomstig verminderd. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in ieder geval was gehouden te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van de indexeringspercentages te verstrekken. Nu deze indexeringspercentages niet waren verstrekt, heeft de rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de eisen van het genoemde wetsartikel. De rechtbank heeft tot slot bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden, evenals de proceskosten tot een bedrag van € 2.498,26. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar richt zich tegen de oordelen van de rechtbank dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld en dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase op grond artikel 40, lid 2, Wet WOZ de indexeringspercentages van de referentiewoningen had moeten verstrekken. 3.2. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende concludeert tot bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Belanghebbende heeft ter zitting bij het hof uitdrukkelijk en zonder voorbehoud bevestigd dat de heffingsambtenaar de beschikte waarde in hoger beroep alsnog aannemelijk heeft gemaakt. De waarde van de onroerende zaak is daarmee niet meer in geschil. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure de voor de vergelijkingswoningen gebruikte indexeringspercentages had moeten verstrekken, nu hij daar naar had gevraagd. Belanghebbende stelt verder dat de verstrekte gegevens ten aanzien van de waarde op de verkoopdatum en de geïndexeerde waarde op de waardepeildatum niet voldoen, omdat de heffingsambtenaar voor de verkoopdatum ten onrechte aansluit bij de datum van overdracht bij de notaris. 4.2. De heffingsambtenaar stelt dat de indexering volgt uit de opgegeven waardes die in het taxatieverslag zijn aangegeven met de aanduiding ‘Verkoopprijs’ en ‘Vastgestelde WOZ waarde’. Dat voor de verkoopdatum abusievelijk is aangesloten bij de overdracht bij de notaris, hetgeen in de regel een latere datum is dan de verkoopdatum, is volgens de heffingsambtenaar niet in het nadeel van belanghebbende geweest. 4.3. Artikel 40, lid 2, Wet WOZ luidt: “De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.”. 4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar de toegepaste indexering inzichtelijk gemaakt met het weergeven van de door hem gehanteerde gegevens, aangeduid als ‘Verkoopdatum (overdracht bij notaris)’, ‘Verkoopprijs’ en ‘Vastgestelde WOZ waarde’. Alhoewel belanghebbende terecht stelt dat de verkoopdatum ten onrechte is gebaseerd op de datum van overdracht bij de notaris, is dat wel de datum die de heffingsambtenaar heeft gehanteerd. De gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde, zoals benoemd in artikel 40, lid 2, Wet WOZ, zijn dus verstrekt. Weliswaar kunnen onjuiste gegevens vervolgens wel invloed hebben op het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, maar de waarde van de onroerende zaak is in hoger beroep niet meer in geschil (€ 381.000). 4.5. Naar oordeel van het hof bestaat in dit geval geen dwingende reden voor de heffingsambtenaar om de toegepaste indexering ook weer te geven in de vorm van een indexeringspercentage. Gesteld noch gebleken is dat de daarvoor geldende wet- en regelgeving daartoe zou nopen. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat belanghebbende met de ontvangst van het taxatieverslag voldoende gegevens heeft verkregen om desgewenst zelf het indexeringspercentage vast te stellen en te beoordelen. 4.6. Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat de stelling van belanghebbende, dat de heffingsambtenaar de indexeringspercentages had moeten verstrekken, niet slaagt. Tussenconclusie 4.7. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten 4.8.