Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-26
ECLI:NL:GHSHE:2026:605
Strafrecht
Hoger beroep
34,984 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:605 text/xml public 2026-05-06T16:04:38 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-26 20-003284-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:605 text/html public 2026-05-06T16:04:31 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:605 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-02-2026 / 20-003284-24 Bevestiging vonnis met aanvulling van gronden, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende diefstal met geweld en bedreiging met geweld in een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, door twee of meer verenigde personen. Anders gezegd: een woningoverval. Aan de verdachte wordt, mede gelet op de talrijke strafverzwarende omstandigheden, een gevangenisstraf opgelegd van 6 jaren en 3 maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Voorts is beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Parketnummer : 20-003284-24 Uitspraak : 26 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-328166-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991, thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van “ diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft tevens beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.205,86, bestaande uit een bedrag van € 1.205,86 materiële schadevergoeding en € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.155,00, als vergoeding van materiële schade. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, als vergoeding van materiële schade. De benadeelde partijen zijn voor het overige telkens niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat zij hun vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De rechtbank heeft daarnaast beslist dat de toegewezen bedragen telkens dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij de rechtbank de verdachte telkens heeft veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partijen zijn begroot op nihil. Daarnaast heeft de rechtbank ten behoeve van de slachtoffers voornoemd de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft de rechtbank beslist op het beslag en ten aanzien van een T-shirt en een baken de teruggave gelast aan de als rechthebbende aan te merken personen en daarnaast twee kabelbinders verbeurdverklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – onder aanvulling dan wel aanpassing van de bewijsoverwegingen – zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman – naar het hof begrijpt ingeval het hof tot een bewezenverklaring komt en aldus bij wijze van subsidiair standpunt – betoogd dat het hof overeenkomstig de rechtbank zal beslissen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, zulks onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Niettegenstaande dat het hof zich in overwegende mate kan verenigen met de beslissingen van de rechtbank op de vorderingen van de benadeelde partijen, komt het hof op onderdelen tot een andere beslissing dan wel motivering, zodat het vonnis op dit punt, om redenen van efficiëntie, eveneens wordt vernietigd. Bijgevolg zullen de overwegingen van de rechtbank, voor zover deze betrekking hebben op de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen in zijn geheel worden vervangen op de wijze als hierna is vermeld. Ten slotte worden de wettelijke voorschriften vervangen. Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof voorts van oordeel dat de bewijsmiddelen, alsmede de bewijsoverwegingen van de rechtbank aanvulling en/of verbetering behoeven. Het hof zal daarom hierna de bewijsmiddelen aanvullen en/of verbeteren. Andermaal omwille van efficiëntie en de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof de bewijsoverwegingen van de rechtbank integraal vervangen en diens eigen overwegingen – op de wijze als hierna is vermeld – daarvan in de plaats stellen. Aanvulling en/of verbetering van de bewijsmiddelen Het hof vult bewijsmiddel 5. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] afgelegd op 31 december 2020, p. 66-70 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina 7 van het vonnis aan door voor: “Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij geen telefoon meer had” het volgende toe te voegen: “Ik woon op [adres 2] . Ik woon hier samen met mijn kinderen [slachtoffer] 21 en [benadeelde 2] 19. Ik heb mijn stoffenmagazijn voor de weekmarkt in de garage naast het huis. Dit magazijn is ook met een deur vanuit de eetkamer bereikbaar. In dit magazijn stond de kluis verstopt. De enige die wisten dat daar een kluis stond waren mijn kinderen. Ik heb tegen de kinderen verteld dat die kluis daar stond.”. Het hof schrapt uit bewijsmiddel 7. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 2] , afgelegd op 5 januari 2021, p. 79-86 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina 8 van het vonnis, het volgende: “V: Heb jij om ook bijvoorbeeld stoer te doen, foto’s van de kluis, al dan niet met het geld naar [naam] gestuurd? A: Ja dat heb ik gedaan.”. Het hof vult bewijsmiddel 8. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 2] , afgelegd op 11 januari 2021, p. 90-96 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina’s 8 en 9 van het vonnis aan door na: “Het was daar best donker dus ik moest de foto met een flits maken” het volgende toe te voegen: “ Er stond in ieder geval een stukje van mijn benen op.” In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen: De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof, op 12 februari 2026, voor zover – en waar nodig zakelijk en samengevat weergegeven – inhoudende: U, voorzitter, houdt mij voor dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat zij mij foto’s heeft toegestuurd. Ja, dat klopt. Ik heb wel eens foto’s van haar ontvangen.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:605 text/xml public 2026-05-06T16:04:38 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-26 20-003284-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:605 text/html public 2026-05-06T16:04:31 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:605 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-02-2026 / 20-003284-24 Bevestiging vonnis met aanvulling van gronden, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende diefstal met geweld en bedreiging met geweld in een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, door twee of meer verenigde personen. Anders gezegd: een woningoverval. Aan de verdachte wordt, mede gelet op de talrijke strafverzwarende omstandigheden, een gevangenisstraf opgelegd van 6 jaren en 3 maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Voorts is beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Parketnummer : 20-003284-24 Uitspraak : 26 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-328166-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991, thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van “ diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen ” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft tevens beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.205,86, bestaande uit een bedrag van € 1.205,86 materiële schadevergoeding en € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.155,00, als vergoeding van materiële schade. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, als vergoeding van materiële schade. De benadeelde partijen zijn voor het overige telkens niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat zij hun vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De rechtbank heeft daarnaast beslist dat de toegewezen bedragen telkens dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij de rechtbank de verdachte telkens heeft veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partijen zijn begroot op nihil. Daarnaast heeft de rechtbank ten behoeve van de slachtoffers voornoemd de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft de rechtbank beslist op het beslag en ten aanzien van een T-shirt en een baken de teruggave gelast aan de als rechthebbende aan te merken personen en daarnaast twee kabelbinders verbeurdverklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – onder aanvulling dan wel aanpassing van de bewijsoverwegingen – zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman – naar het hof begrijpt ingeval het hof tot een bewezenverklaring komt en aldus bij wijze van subsidiair standpunt – betoogd dat het hof overeenkomstig de rechtbank zal beslissen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, zulks onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop het berust, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Niettegenstaande dat het hof zich in overwegende mate kan verenigen met de beslissingen van de rechtbank op de vorderingen van de benadeelde partijen, komt het hof op onderdelen tot een andere beslissing dan wel motivering, zodat het vonnis op dit punt, om redenen van efficiëntie, eveneens wordt vernietigd. Bijgevolg zullen de overwegingen van de rechtbank, voor zover deze betrekking hebben op de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen in zijn geheel worden vervangen op de wijze als hierna is vermeld. Ten slotte worden de wettelijke voorschriften vervangen. Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof voorts van oordeel dat de bewijsmiddelen, alsmede de bewijsoverwegingen van de rechtbank aanvulling en/of verbetering behoeven. Het hof zal daarom hierna de bewijsmiddelen aanvullen en/of verbeteren. Andermaal omwille van efficiëntie en de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof de bewijsoverwegingen van de rechtbank integraal vervangen en diens eigen overwegingen – op de wijze als hierna is vermeld – daarvan in de plaats stellen. Aanvulling en/of verbetering van de bewijsmiddelen Het hof vult bewijsmiddel 5. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] afgelegd op 31 december 2020, p. 66-70 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina 7 van het vonnis aan door voor: “Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij geen telefoon meer had” het volgende toe te voegen: “Ik woon op [adres 2] . Ik woon hier samen met mijn kinderen [slachtoffer] 21 en [benadeelde 2] 19. Ik heb mijn stoffenmagazijn voor de weekmarkt in de garage naast het huis. Dit magazijn is ook met een deur vanuit de eetkamer bereikbaar. In dit magazijn stond de kluis verstopt. De enige die wisten dat daar een kluis stond waren mijn kinderen. Ik heb tegen de kinderen verteld dat die kluis daar stond.”. Het hof schrapt uit bewijsmiddel 7. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 2] , afgelegd op 5 januari 2021, p. 79-86 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina 8 van het vonnis, het volgende: “V: Heb jij om ook bijvoorbeeld stoer te doen, foto’s van de kluis, al dan niet met het geld naar [naam] gestuurd? A: Ja dat heb ik gedaan.”. Het hof vult bewijsmiddel 8. “Een proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [benadeelde 2] , afgelegd op 11 januari 2021, p. 90-96 van het einddossier”, zoals weergegeven op pagina’s 8 en 9 van het vonnis aan door na: “Het was daar best donker dus ik moest de foto met een flits maken” het volgende toe te voegen: “ Er stond in ieder geval een stukje van mijn benen op.” In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen: De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof, op 12 februari 2026, voor zover – en waar nodig zakelijk en samengevat weergegeven – inhoudende: U, voorzitter, houdt mij voor dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat zij mij foto’s heeft toegestuurd. Ja, dat klopt. Ik heb wel eens foto’s van haar ontvangen.
Volledig
U, voorzitter, wijst mij op de foto’s, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 257 en verder van het dossier, welke foto’s door de politie zijn aangetroffen in mijn i-Phone. U, houdt mij voor dat op de foto’s een zilverkleurige revolver is te zien met daarnaast een arm van een persoon met een donkere huidskleur. Om die pols is voorts een goudkleurig horloge te zien. Die foto’s heb ik gemaakt, dat is mijn pols. Dat ben ik. Die foto’s zijn gemaakt in mijn auto, de Volkswagen Golf GTE. U, voorzitter, wijst mij daarnaast op de foto’s met stapels contant geld, onder meer bestaande uit stapels van briefjes van vijftig. U houdt mij voor dat ook deze foto’s zijn aangetroffen in mijn telefoon en dat de politie in dat verband relateert dat een deel van de foto’s lijkt te zijn gemaakt in een Volkswagen Golf GTE. Ja, dat klopt die foto’s zijn gemaakt in mijn auto. Ik had dat geld bij mij in mijn auto. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 7 januari 2021 (dossierpagina 36), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , arts: Medische informatie betreffende: Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedag 2] 1999 Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] in Nederland Adres: [adres 2] Omschrijving van het letsel: Behaarde hoofdhuid: meerdere snij/schaafwonden Blauwe plek grote teen links Blauwe plek onder oog links Blauwe plek rug links Blauwe plekken boven armen (…) en schouder rechts Schaafwonden onderbeen links Enkelbandletsel links. Geschatte duur van de genezing: blauwe plekken + schaafwonden ± 2 weken. Datum waarop persoon werd onderzocht: 4 januari 2021 Vervanging bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de rechtbank gebezigde – en door het hof aangevulde en verbeterde – bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. II. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en op de gronden zoals nader in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota verwoord – aangevoerd dat er in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen, in welk verband de verdediging voorts een alternatief scenario heeft aangedragen. Het alternatief scenario behelst – kort weergegeven – dat twee mannen kort voor de woningoverval onder bedreiging van een vuurwapen de auto van de verdachte hebben afgenomen en vervolgens met gebruikmaking van die auto de woningoverval hebben gepleegd. Niet kan worden uitgesloten dat het DNA van de verdachte uit de auto middels indirecte overdracht door de overvallers op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen. Omdat de verdachte bovendien de dag voor de woningoverval seksueel contact heeft gehad met de zus van het slachtoffer, is het evenmin onaannemelijk dat er langs die weg sprake is geweest van indirecte overdracht van het DNA van de verdachte op het T-shirt van het slachtoffer. Nu een en ander in redelijkheid niet kan worden uitgesloten, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen, zodat vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In navolging van de overwegingen van de rechtbank, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de navolgende feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld, welke overigens ter terechtzitting in hoger beroep niet ter discussie hebben gestaan. In de nacht van 30 december 2020 op 31 december 2020, omstreeks 02:00 uur, is het slachtoffer [slachtoffer] in de woning aan [adres 2] overvallen door twee gewapende mannen. Deze mannen hadden ieder een vuurwapen, – zilverkleurige revolvers volgens het slachtoffer – althans een daarop gelijkend voorwerp, bij zich. Bij de overval is geweld gebruikt jegens het slachtoffer, waarbij hij onder meer met kracht door de overvallers is vastgegrepen. Er is een worsteling ontstaan en in de geweldsuitoefening heeft het slachtoffer, naast andersoortig letsel, een forse hoofdwond opgelopen. De overvallers hebben het slachtoffer tevens met de dood bedreigd, onder meer door een vuurwapen tegen diens hoofd te zetten en meermalen gedreigd het slachtoffer dood te schieten. Door de overvallers is een kluis met inhoud, waaronder een fors geldbedrag, een telefoon en een jas buitgemaakt. De overvallers zijn met de auto van de verdachte naar de woning gereden en direct na de overval weer met die auto vertrokken. Op het tijdens de overval door het slachtoffer gedragen T-shirt is op twee plaatsen DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte ontkent betrokkenheid bij de woningoverval en zijdens de verdediging wordt een alternatief scenario geschetst, waarin anderen dan de verdachte de woningoverval hebben gepleegd. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de verdachte één van de twee overvallers is geweest. Anders dan de raadsman, doch met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Het hof acht het – gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – boven redelijke twijfel verheven dat de verdachte één van de twee woningovervallers is geweest en concludeert derhalve dat hij samen met zijn mededader op 31 december 2020 het slachtoffer in diens woning heeft overvallen, op de wijze zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld. Het hof grondt dit oordeel op het geheel aan de in de bewijsmiddelen vervatte redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, in welk verband het hof – in navolging van de rechtbank – bijzonder gewicht toekent aan de omstandigheid dat het DNA van de verdachte – waarover het hof hierna in het bijzonder komt te spreken – is aangetroffen op het T-shirt van het slachtoffer. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen, zonder overigens in dat verband uitputtend te zijn, dat de verdachte via de zus van het slachtoffer wetenschap had van de mogelijke aanwezigheid van behoorlijk grote geldbedragen in de woning van het slachtoffer en diens zus. Daarbij hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof dat hij de foto’s die via Snapchat zijn verstuurd niet zou hebben ontvangen, nu hij tevens heeft verklaard andere berichten van [benadeelde 2] wel gewoon te hebben ontvangen. Daar komt bij dat de verdachte kans en gelegenheid heeft gehad om de huissleutel van de zus te dupliceren. Mede in aanmerking genomen dat er geen braaksporen zijn aangetroffen en gelet op de verdere inhoud van het dossier, is het hof van oordeel dat het er in rechte voor moet worden gehouden dat de verdachte zulks ook daadwerkelijk heeft gedaan. Voorts staat vast dat de auto van de verdachte ten tijde van de woningoverval in de omgeving van de woning van het slachtoffer is geweest en aldaar is waargenomen. Uit het door de politie verrichte onderzoek naar de reisbewegingen van de auto van de verdachte, in samenhang bezien met het tijdstip waarop de verdachte na de overval met de zus van het slachtoffer heeft afgesproken en samen met haar op camerabeelden is waargenomen, volgt dat het oordeel dat de verdachte één van de woningovervallers is geweest, geheel past in de uit de bewijsmiddelen naar voren komende tijdlijn. Daarbij komt dat het hof in het procesdossier (pag. 455) wel degelijk aanwijzingen heeft aangetroffen dat de verdachte op de hoogte was van het adres van de zus van het slachtoffer, zijnde de woning waarin het slachtoffer is overvallen. Tegenover de politie verklaarde de verdachte immers dat hij een screenshot had van het adres van [benadeelde 2] (de zus van het slachtoffer). Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte eigenhandig de beschikking had over een vuurwapen die zeer grote gelijkenissen vertoont met de door het slachtoffer omschreven vuurwapens van de overvallers.
Volledig
U, voorzitter, wijst mij op de foto’s, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 257 en verder van het dossier, welke foto’s door de politie zijn aangetroffen in mijn i-Phone. U, houdt mij voor dat op de foto’s een zilverkleurige revolver is te zien met daarnaast een arm van een persoon met een donkere huidskleur. Om die pols is voorts een goudkleurig horloge te zien. Die foto’s heb ik gemaakt, dat is mijn pols. Dat ben ik. Die foto’s zijn gemaakt in mijn auto, de Volkswagen Golf GTE. U, voorzitter, wijst mij daarnaast op de foto’s met stapels contant geld, onder meer bestaande uit stapels van briefjes van vijftig. U houdt mij voor dat ook deze foto’s zijn aangetroffen in mijn telefoon en dat de politie in dat verband relateert dat een deel van de foto’s lijkt te zijn gemaakt in een Volkswagen Golf GTE. Ja, dat klopt die foto’s zijn gemaakt in mijn auto. Ik had dat geld bij mij in mijn auto. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 7 januari 2021 (dossierpagina 36), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , arts: Medische informatie betreffende: Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedag 2] 1999 Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] in Nederland Adres: [adres 2] Omschrijving van het letsel: Behaarde hoofdhuid: meerdere snij/schaafwonden Blauwe plek grote teen links Blauwe plek onder oog links Blauwe plek rug links Blauwe plekken boven armen (…) en schouder rechts Schaafwonden onderbeen links Enkelbandletsel links. Geschatte duur van de genezing: blauwe plekken + schaafwonden ± 2 weken. Datum waarop persoon werd onderzocht: 4 januari 2021 Vervanging bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de rechtbank gebezigde – en door het hof aangevulde en verbeterde – bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. II. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – samengevat en op de gronden zoals nader in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota verwoord – aangevoerd dat er in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen, in welk verband de verdediging voorts een alternatief scenario heeft aangedragen. Het alternatief scenario behelst – kort weergegeven – dat twee mannen kort voor de woningoverval onder bedreiging van een vuurwapen de auto van de verdachte hebben afgenomen en vervolgens met gebruikmaking van die auto de woningoverval hebben gepleegd. Niet kan worden uitgesloten dat het DNA van de verdachte uit de auto middels indirecte overdracht door de overvallers op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen. Omdat de verdachte bovendien de dag voor de woningoverval seksueel contact heeft gehad met de zus van het slachtoffer, is het evenmin onaannemelijk dat er langs die weg sprake is geweest van indirecte overdracht van het DNA van de verdachte op het T-shirt van het slachtoffer. Nu een en ander in redelijkheid niet kan worden uitgesloten, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen, zodat vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In navolging van de overwegingen van de rechtbank, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de navolgende feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld, welke overigens ter terechtzitting in hoger beroep niet ter discussie hebben gestaan. In de nacht van 30 december 2020 op 31 december 2020, omstreeks 02:00 uur, is het slachtoffer [slachtoffer] in de woning aan [adres 2] overvallen door twee gewapende mannen. Deze mannen hadden ieder een vuurwapen, – zilverkleurige revolvers volgens het slachtoffer – althans een daarop gelijkend voorwerp, bij zich. Bij de overval is geweld gebruikt jegens het slachtoffer, waarbij hij onder meer met kracht door de overvallers is vastgegrepen. Er is een worsteling ontstaan en in de geweldsuitoefening heeft het slachtoffer, naast andersoortig letsel, een forse hoofdwond opgelopen. De overvallers hebben het slachtoffer tevens met de dood bedreigd, onder meer door een vuurwapen tegen diens hoofd te zetten en meermalen gedreigd het slachtoffer dood te schieten. Door de overvallers is een kluis met inhoud, waaronder een fors geldbedrag, een telefoon en een jas buitgemaakt. De overvallers zijn met de auto van de verdachte naar de woning gereden en direct na de overval weer met die auto vertrokken. Op het tijdens de overval door het slachtoffer gedragen T-shirt is op twee plaatsen DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte ontkent betrokkenheid bij de woningoverval en zijdens de verdediging wordt een alternatief scenario geschetst, waarin anderen dan de verdachte de woningoverval hebben gepleegd. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de verdachte één van de twee overvallers is geweest. Anders dan de raadsman, doch met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Het hof acht het – gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – boven redelijke twijfel verheven dat de verdachte één van de twee woningovervallers is geweest en concludeert derhalve dat hij samen met zijn mededader op 31 december 2020 het slachtoffer in diens woning heeft overvallen, op de wijze zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld. Het hof grondt dit oordeel op het geheel aan de in de bewijsmiddelen vervatte redengevende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, in welk verband het hof – in navolging van de rechtbank – bijzonder gewicht toekent aan de omstandigheid dat het DNA van de verdachte – waarover het hof hierna in het bijzonder komt te spreken – is aangetroffen op het T-shirt van het slachtoffer. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen, zonder overigens in dat verband uitputtend te zijn, dat de verdachte via de zus van het slachtoffer wetenschap had van de mogelijke aanwezigheid van behoorlijk grote geldbedragen in de woning van het slachtoffer en diens zus. Daarbij hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof dat hij de foto’s die via Snapchat zijn verstuurd niet zou hebben ontvangen, nu hij tevens heeft verklaard andere berichten van [benadeelde 2] wel gewoon te hebben ontvangen. Daar komt bij dat de verdachte kans en gelegenheid heeft gehad om de huissleutel van de zus te dupliceren. Mede in aanmerking genomen dat er geen braaksporen zijn aangetroffen en gelet op de verdere inhoud van het dossier, is het hof van oordeel dat het er in rechte voor moet worden gehouden dat de verdachte zulks ook daadwerkelijk heeft gedaan. Voorts staat vast dat de auto van de verdachte ten tijde van de woningoverval in de omgeving van de woning van het slachtoffer is geweest en aldaar is waargenomen. Uit het door de politie verrichte onderzoek naar de reisbewegingen van de auto van de verdachte, in samenhang bezien met het tijdstip waarop de verdachte na de overval met de zus van het slachtoffer heeft afgesproken en samen met haar op camerabeelden is waargenomen, volgt dat het oordeel dat de verdachte één van de woningovervallers is geweest, geheel past in de uit de bewijsmiddelen naar voren komende tijdlijn. Daarbij komt dat het hof in het procesdossier (pag. 455) wel degelijk aanwijzingen heeft aangetroffen dat de verdachte op de hoogte was van het adres van de zus van het slachtoffer, zijnde de woning waarin het slachtoffer is overvallen. Tegenover de politie verklaarde de verdachte immers dat hij een screenshot had van het adres van [benadeelde 2] (de zus van het slachtoffer). Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte eigenhandig de beschikking had over een vuurwapen die zeer grote gelijkenissen vertoont met de door het slachtoffer omschreven vuurwapens van de overvallers.
Volledig
Tevens zijn in de telefoon van de verdachte foto’s aangetroffen, waarop is te zien dat de verdachte grote stapels contant geld in zijn bezit heeft, onder meer in de coupures, zoals deze zich bevonden in de bij de woningoverval weggenomen kluis. Het standpunt van de raadsman dat (onder meer) deze feiten en/of omstandigheden op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien redengevend geacht kunnen voor het bewijs van het tenlastegelegde, wordt niet door het hof gedeeld. Het hof overweegt met betrekking tot het alternatief scenario – welk scenario overigens met name door de raadsman van de verdachte bij pleidooi nader van handen en voeten is voorzien – het volgende. In navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat het door de verdediging geponeerde alternatief scenario ieder begin van aannemelijkheid ontbeert. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting is het hof van enig objectief aanknopingspunt voor het alternatief scenario gebleken. Hetgeen de verdachte in dat verband naar voren heeft gebracht, is vaag, niet concreet en onverifieerbaar. Reeds bij deze stand van zaken acht het hof het alternatief scenario onaannemelijk, zodat het hof op die grond daaraan voorbijgaat. Bovendien hecht het hof geen geloof aan de in dat verband afgelegde verklaringen van de verdachte. Bij dit oordeel betrekt het hof in de eerste plaats de wijze van totstandkoming van de verklaring van de verdachte, alsmede het moment waarop de verdachte daarmee naar voren is gekomen. De verdachte ontkende aanvankelijk in diens eerste verhoor enige betrokkenheid bij de woningoverval. Hij had daar niets mee te maken en wist er niets vanaf, anders dan dat hij wist dat er een woningoverval bij [benadeelde 2] had plaatsgevonden. Bij een volgend verhoor heeft de verdachte op vragen van de politie verklaard dat hij de desbetreffende nacht (omstreeks 01:30 uur) met zijn auto naar [plaatsnaam] in de buurt van de woning van [benadeelde 2] , zijnde de zus van het slachtoffer is gereden en dat hij haar om 02:00 uur in Eindhoven heeft ontmoet. Nadat de politie de verdachte in het verhoor confronteert met de omstandigheid dat zijn DNA is aangetroffen op het T-shirt van het slachtoffer, verklaart de verdachte dat hij vaker contact en ook seks heeft gehad met [benadeelde 2] en dat de aangetroffen DNA-sporen mogelijk van haar afkomstig zijn. Het verhoor wordt vervolgens voor korte duur onderbroken voor overleg van de verdachte met zijn advocaat, waarna de verdachte zich, na hervatting van het verhoor, beroept op zijn zwijgrecht. In zijn derde verhoor presenteert de verdachte dan – nadat hij zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroept – een alternatief scenario. Dit aldus nadat de verdachte kennis heeft genomen van de omstandigheid dat zijn DNA op het T-shirt van het slachtoffer is aangetroffen, alsmede in de wetenschap – omdat de politie ook dat aan de verdachte heeft voorgehouden – dat er geen braaksporen zijn aangetroffen, in welk verband de verdachte door de politie is bevraagd over het feit dat hij twee dagen voor de woningoverval de auto van [benadeelde 2] had geleend, met aan haar sleutelbos de sleutel van de woning, waarbij de politie de verdachte heeft gewezen op de mogelijkheid van het dupliceren van de huissleutel. Dit alles doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Het alternatief scenario van de verdachte komt er in de kern op neer dat de verdachte in de dagen voor de woningoverval op een parkeerplaats is benaderd door een oudere Hollandse man. De verdachte was toen samen met [benadeelde 2] , maar zij was op dat moment in een restaurant. De man sprak de verdachte aan en vroeg hem of [benadeelde 2] met hem was. Toen de verdachte dit bevestigde, vertelde de man de verdachte dat hij moest helpen om de vader van [benadeelde 2] te zoeken en gaf hij de verdachte een telefoon. Twee dagen later is de verdachte op die telefoon gebeld en gevraagd om met de auto van [benadeelde 2] naar een garage te komen. Hij trof daar een jongere Hollandse man. Hij heeft toen aan die man de autosleutel van [benadeelde 2] gegeven en vervolgens is die man daarmee een paar minuten weg geweest. Een aantal dagen later is de verdachte gebeld en heeft hij afgesproken bij een autodealer. Daar trof de verdachte de eerder genoemde jongere Hollandse man en deze zei hem dat zij de auto van de verdachte nodig hadden. Toen de verdachte dit weigerde, kwamen er twee Antillianen uit een busje tevoorschijn en zij hebben onder bedreiging van een vuurwapen de auto van de verdachte afgepakt, waarna het drietal in de auto is weggereden. De Hollandse man zat achterin. Dit alles was omstreeks 01:00 uur die nacht, zo begrijpt het hof. Later die nacht heeft de verdachte zijn auto op diezelfde plek weer teruggekregen. De verdachte heeft eerder in de auto gekotst en zodoende kan volgens de verdachte zijn DNA op het T-shirt van het slachtoffer zijn terechtgekomen. Andermaal onder herhaling van het oordeel dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor het alternatief scenario, stelt het hof daarnaast vast dat de verdachte wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard, waarbij het hof bovendien van oordeel is dat verdachtes verklaring de toets der logica niet doorstaat en mede om die reden als volstrekt ongeloofwaardig terzijde dient te worden gesteld. Zonder uitputtend te zijn, wijst het hof in dat verband op het navolgende. De verdachte verklaart bij de politie en ten overstaan van het hof wisselend over tijdstippen, zodat het hof verdachtes verklaring in de tijd niet kan plaatsen. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij [benadeelde 2] om 05:00 uur in de nacht heeft gebeld en dat hij tevens omstreeks dat tijdstip zijn auto heeft teruggekregen. Eerder heeft de verdachte echter verklaard - en ook uit het dossier volgt - dat hij uren eerder al contact heeft gehad met [benadeelde 2] en haar eerder die nacht heeft ontmoet. Immers, komt uit het dossier naar voren dat de verdachte en [benadeelde 2] omstreeks 03:00 uur die nacht op camerabeelden bij een benzinestation zijn waargenomen. De omstandigheid dat de auto omstreeks 01:00 uur zou zijn afgenomen, kan het hof bovendien niet rijmen met de omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen omstreeks 02:00 uur die nacht al contact had met [benadeelde 2] . De verdachte heeft op enig moment verklaard dat hij zijn auto onder bedreiging van een vuurwapen heeft afgegeven en dat hij vervolgens is weggelopen. Op een later moment verklaart hij deels anders, namelijk dat hij toen eerst gepoogd heeft om weg te rennen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte eveneens wisselend verklaard over waar de verdachte in de auto heeft gekotst en wanneer dat is gebeurd. Zo lijkt de verdachte in een eerder verhoor te verklaren dat dit op de bank was. Later – wanneer de politie hem onder meer bevraagd in relatie tot het DNA – spreekt de verdachte over een stoel. Verder verklaarde hij dat hij voor het afnemen van de auto had overgegeven, doch uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op vragen van de advocaat-generaal lijkt te volgen dat het overgeven plaatsvond omstreeks het moment waarop de auto werd afgepakt. Dit verklaart de verdachte ook in een verhoor bij de politie: “Ik heb rond 01.00 uur gekotst. Toen was ik ook zelf van mijn auto overvallen .” Verder heeft de verdachte over hoe het opruimen van het braaksel is verlopen vaag verklaard. Eerst kon hij zich niet herinneren hoe hij dat had opgeruimd. Later verklaart hij dat hij dit met een handdoek heeft gedaan. Dit zou bij de garage zijn gebeurd, begrijpt het hof uit een verhoor van de verdachte, maar tevens verklaart de verdachte dat hij dit al rijdend heeft gedaan. Wat de verdachte vervolgens met de handdoek heeft gedaan, kan hij niet met zekerheid verklaren. Een en ander bevreemdt temeer, wanneer gekeken wordt naar verdachtes verklaring, inhoudende dat alles onder zat, zijn kleding en de autostoel.
Volledig
Tevens zijn in de telefoon van de verdachte foto’s aangetroffen, waarop is te zien dat de verdachte grote stapels contant geld in zijn bezit heeft, onder meer in de coupures, zoals deze zich bevonden in de bij de woningoverval weggenomen kluis. Het standpunt van de raadsman dat (onder meer) deze feiten en/of omstandigheden op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien redengevend geacht kunnen voor het bewijs van het tenlastegelegde, wordt niet door het hof gedeeld. Het hof overweegt met betrekking tot het alternatief scenario – welk scenario overigens met name door de raadsman van de verdachte bij pleidooi nader van handen en voeten is voorzien – het volgende. In navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat het door de verdediging geponeerde alternatief scenario ieder begin van aannemelijkheid ontbeert. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting is het hof van enig objectief aanknopingspunt voor het alternatief scenario gebleken. Hetgeen de verdachte in dat verband naar voren heeft gebracht, is vaag, niet concreet en onverifieerbaar. Reeds bij deze stand van zaken acht het hof het alternatief scenario onaannemelijk, zodat het hof op die grond daaraan voorbijgaat. Bovendien hecht het hof geen geloof aan de in dat verband afgelegde verklaringen van de verdachte. Bij dit oordeel betrekt het hof in de eerste plaats de wijze van totstandkoming van de verklaring van de verdachte, alsmede het moment waarop de verdachte daarmee naar voren is gekomen. De verdachte ontkende aanvankelijk in diens eerste verhoor enige betrokkenheid bij de woningoverval. Hij had daar niets mee te maken en wist er niets vanaf, anders dan dat hij wist dat er een woningoverval bij [benadeelde 2] had plaatsgevonden. Bij een volgend verhoor heeft de verdachte op vragen van de politie verklaard dat hij de desbetreffende nacht (omstreeks 01:30 uur) met zijn auto naar [plaatsnaam] in de buurt van de woning van [benadeelde 2] , zijnde de zus van het slachtoffer is gereden en dat hij haar om 02:00 uur in Eindhoven heeft ontmoet. Nadat de politie de verdachte in het verhoor confronteert met de omstandigheid dat zijn DNA is aangetroffen op het T-shirt van het slachtoffer, verklaart de verdachte dat hij vaker contact en ook seks heeft gehad met [benadeelde 2] en dat de aangetroffen DNA-sporen mogelijk van haar afkomstig zijn. Het verhoor wordt vervolgens voor korte duur onderbroken voor overleg van de verdachte met zijn advocaat, waarna de verdachte zich, na hervatting van het verhoor, beroept op zijn zwijgrecht. In zijn derde verhoor presenteert de verdachte dan – nadat hij zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroept – een alternatief scenario. Dit aldus nadat de verdachte kennis heeft genomen van de omstandigheid dat zijn DNA op het T-shirt van het slachtoffer is aangetroffen, alsmede in de wetenschap – omdat de politie ook dat aan de verdachte heeft voorgehouden – dat er geen braaksporen zijn aangetroffen, in welk verband de verdachte door de politie is bevraagd over het feit dat hij twee dagen voor de woningoverval de auto van [benadeelde 2] had geleend, met aan haar sleutelbos de sleutel van de woning, waarbij de politie de verdachte heeft gewezen op de mogelijkheid van het dupliceren van de huissleutel. Dit alles doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Het alternatief scenario van de verdachte komt er in de kern op neer dat de verdachte in de dagen voor de woningoverval op een parkeerplaats is benaderd door een oudere Hollandse man. De verdachte was toen samen met [benadeelde 2] , maar zij was op dat moment in een restaurant. De man sprak de verdachte aan en vroeg hem of [benadeelde 2] met hem was. Toen de verdachte dit bevestigde, vertelde de man de verdachte dat hij moest helpen om de vader van [benadeelde 2] te zoeken en gaf hij de verdachte een telefoon. Twee dagen later is de verdachte op die telefoon gebeld en gevraagd om met de auto van [benadeelde 2] naar een garage te komen. Hij trof daar een jongere Hollandse man. Hij heeft toen aan die man de autosleutel van [benadeelde 2] gegeven en vervolgens is die man daarmee een paar minuten weg geweest. Een aantal dagen later is de verdachte gebeld en heeft hij afgesproken bij een autodealer. Daar trof de verdachte de eerder genoemde jongere Hollandse man en deze zei hem dat zij de auto van de verdachte nodig hadden. Toen de verdachte dit weigerde, kwamen er twee Antillianen uit een busje tevoorschijn en zij hebben onder bedreiging van een vuurwapen de auto van de verdachte afgepakt, waarna het drietal in de auto is weggereden. De Hollandse man zat achterin. Dit alles was omstreeks 01:00 uur die nacht, zo begrijpt het hof. Later die nacht heeft de verdachte zijn auto op diezelfde plek weer teruggekregen. De verdachte heeft eerder in de auto gekotst en zodoende kan volgens de verdachte zijn DNA op het T-shirt van het slachtoffer zijn terechtgekomen. Andermaal onder herhaling van het oordeel dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor het alternatief scenario, stelt het hof daarnaast vast dat de verdachte wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard, waarbij het hof bovendien van oordeel is dat verdachtes verklaring de toets der logica niet doorstaat en mede om die reden als volstrekt ongeloofwaardig terzijde dient te worden gesteld. Zonder uitputtend te zijn, wijst het hof in dat verband op het navolgende. De verdachte verklaart bij de politie en ten overstaan van het hof wisselend over tijdstippen, zodat het hof verdachtes verklaring in de tijd niet kan plaatsen. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij [benadeelde 2] om 05:00 uur in de nacht heeft gebeld en dat hij tevens omstreeks dat tijdstip zijn auto heeft teruggekregen. Eerder heeft de verdachte echter verklaard - en ook uit het dossier volgt - dat hij uren eerder al contact heeft gehad met [benadeelde 2] en haar eerder die nacht heeft ontmoet. Immers, komt uit het dossier naar voren dat de verdachte en [benadeelde 2] omstreeks 03:00 uur die nacht op camerabeelden bij een benzinestation zijn waargenomen. De omstandigheid dat de auto omstreeks 01:00 uur zou zijn afgenomen, kan het hof bovendien niet rijmen met de omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen omstreeks 02:00 uur die nacht al contact had met [benadeelde 2] . De verdachte heeft op enig moment verklaard dat hij zijn auto onder bedreiging van een vuurwapen heeft afgegeven en dat hij vervolgens is weggelopen. Op een later moment verklaart hij deels anders, namelijk dat hij toen eerst gepoogd heeft om weg te rennen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte eveneens wisselend verklaard over waar de verdachte in de auto heeft gekotst en wanneer dat is gebeurd. Zo lijkt de verdachte in een eerder verhoor te verklaren dat dit op de bank was. Later – wanneer de politie hem onder meer bevraagd in relatie tot het DNA – spreekt de verdachte over een stoel. Verder verklaarde hij dat hij voor het afnemen van de auto had overgegeven, doch uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op vragen van de advocaat-generaal lijkt te volgen dat het overgeven plaatsvond omstreeks het moment waarop de auto werd afgepakt. Dit verklaart de verdachte ook in een verhoor bij de politie: “Ik heb rond 01.00 uur gekotst. Toen was ik ook zelf van mijn auto overvallen .” Verder heeft de verdachte over hoe het opruimen van het braaksel is verlopen vaag verklaard. Eerst kon hij zich niet herinneren hoe hij dat had opgeruimd. Later verklaart hij dat hij dit met een handdoek heeft gedaan. Dit zou bij de garage zijn gebeurd, begrijpt het hof uit een verhoor van de verdachte, maar tevens verklaart de verdachte dat hij dit al rijdend heeft gedaan. Wat de verdachte vervolgens met de handdoek heeft gedaan, kan hij niet met zekerheid verklaren. Een en ander bevreemdt temeer, wanneer gekeken wordt naar verdachtes verklaring, inhoudende dat alles onder zat, zijn kleding en de autostoel.
Volledig
Dat de verdachte toevallig en willekeurig door een volstrekt onbekende zou zijn aangesproken met de vraag om deze onbekende man te helpen om de vader van [benadeelde 2] te zoeken, met wie de verdachte die dag en op dat moment toevallig op de desbetreffende parkeerplaats samen was, acht het hof reeds op zichzelf genomen volstrekt onaannemelijk. Immers, waarom toen, daar op die parkeerplaats, deze vraag aan de verdachte? De verdachte en de man waren, uitgaande van verdachtes verklaring, onbekenden van elkaar en derhalve was het onduidelijk of de verdachte wist waar de vader van [benadeelde 2] was - hij zei zelf toen al meteen van niet - of daarachter kon komen en of hij daar überhaupt behulpzaam in kon en wilde zijn. Opmerking verdient dat de vader van [benadeelde 2] toen ondergedoken was en hij al jaren daarvoor van de moeder van [benadeelde 2] was gescheiden en in ieder geval niet in de woning van [benadeelde 2] en het slachtoffer woonde. Hoe men er in deze constellatie van feiten en omstandigheden toe komt om vervolgens die woning te overvallen en waarom zij daarbij de auto van de verdachte nodig hadden – zonder dat de verdachte overigens in de tussentijd iets met de originele eis van de man om informatie te verschaffen over de locatie van de vader van [benadeelde 2] heeft gedaan – is volstrekt onduidelijk gebleven. Volgens de verdachte beschikte de man over veel informatie over de verdachte, waaronder over zijn neefjes, en had deze tevens foto’s van zijn woning. [benadeelde 2] en de verdachte hadden echter pas sinds kort contact, zij waren praktisch vreemden van elkaar, en hadden in hoofdzaak louter een ‘friends with benefits’ relatie. In dat verband zagen zij elkaar slechts incidenteel en op afwisselende locaties. Dit maakt in de eerste plaats de toevallige ontmoeting op de parkeerplaats – waarbij [benadeelde 2] overigens op dat precieze moment, ongetwijfeld eveneens toevallig, net afwezig is – tussen de man en de verdachte niet alleen hoogst ongeloofwaardig, maar ook dat de onbekende man toen over dergelijke informatie over de verdachte en foto’s beschikte is om die reden buitengewoon ongeloofwaardig. En als die man wel in staat is om in zo’n kort tijdsbestek dergelijke gedetailleerde informatie over een onbekend persoon te vergaren, dan bevreemdt het des te meer dat hij dan verdachtes hulp nodig zou hebben gehad om de vader van [benadeelde 2] te vinden. Kortom: het scenario en de verklaringen van de verdachte zijn volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig en roepen tal van vragen op. Het hof is gedurende het onderzoek ter terechtzitting geen stap dichterbij gekomen bij de beantwoording van die vragen. Integendeel, er zijn enkel meer vragen en ongerijmdheden bijgekomen. Het voorgaande, bezien in het licht van hetgeen hierna nog zal worden overwogen, voert het hof, met betrekking tot de verklaringen van de verdachte dan ook tot de slotsom dat de verdachte zijn verklaringen, houdende het alternatief scenario moet hebben verzonnen en op belastende onderzoeksbevindingen en het dossier heeft toegesneden, teneinde diens strafrechtelijke verantwoordelijkheid te ontlopen. In zijn oordeel betrekt het hof nog het volgende. Het DNA van de verdachte is op twee verschillende plekken op het T-shirt van het slachtoffer aangetroffen. De eerste plek is rondom een scheur op de rug van het T-shirt. Daarnaast is DNA van de verdachte aangetroffen op de linkermouw van het T-shirt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer met de overvallers in een worsteling verwikkeld is geraakt, waarbij hij door hen met kracht is vastgepakt en de trap af is gemanoeuvreerd. Het hof oordeelt in de eerste plaats dat de plekken waar het DNA van de verdachte is aangetroffen, te weten op de mouw en rondom een scheur op de rug, passend is bij het scenario van een worsteling, waarover door het slachtoffer is verklaard. Daarbij komt dat rondom de scheur een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte is aangetroffen, in tegenstelling tot het DNA van het slachtoffer, waarvan een relatief kleine hoeveelheid is aangetroffen. Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijke grote hoeveelheid DNA van de verdachte op die plek – en daarnaast op een andere, tweede plek – middels indirecte overdracht via (een) onbekende(n) wordt overgebracht op het T-shirt van het slachtoffer, waarbij andermaal wordt opgemerkt en onderstreept dat het alternatief scenario dat aan deze mogelijkheid ten grondslag is gelegd, reeds als onaannemelijk door het hof terzijde is geschoven. Dat het DNA van de verdachte op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen via secundaire overdracht via de zus van het slachtoffer, acht het hof eveneens onaannemelijk. Uit het dossier en de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte en [benadeelde 2] pas na de woningoverval (na 03:00 uur) seksueel contact hebben gehad en dat [benadeelde 2] later die nacht, omstreeks 05:00 uur, bij de woning is aangekomen. [benadeelde 2] en het slachtoffer hebben toen, volgens hun verklaringen, geen fysiek contact gehad, waarbij tevens is vastgesteld dat het T-shirt van het slachtoffer op dat moment reeds door de politie was veiliggesteld en in beslag was genomen, ten behoeve van forensisch onderzoek. Bij die stand van zaken acht het hof het uitgesloten dat er toen en daar secundaire overdracht van het DNA van de verdachte op het T-shirt heeft plaatsgevonden. Dat er mogelijk op een eerder moment al secundaire overdracht heeft plaatsgevonden van het DNA van de verdachte via [benadeelde 2] op het T-shirt van het slachtoffer, welke mogelijkheid nog door de raadsman bij pleidooi is geopperd, acht het hof evenmin aannemelijk. Vooropgesteld ontbreekt daarvoor enige aanwijzing in het dossier. In dit verband heeft de raadsman, onder verwijzing naar de verklaring van [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris, erop gewezen dat zij en de verdachte de dag voor de woningoverval seksueel contact hebben gehad. In die verklaring leest het hof evenwel dat [benadeelde 2] verklaart dat zij en de verdachte op 28 december 2020 en naar het hof begrijpt in de tussentijd, geen seks hebben gehad. Los daarvan, het slachtoffer en zijn zus hebben verklaard dat zij zelden tot nooit fysiek contact hebben, zo knuffelen of omhelzen zij elkaar zelden en ook dragen zij nooit elkaars kleding. Bovendien is het onaannemelijk te achten dat het slachtoffer in de dagen voor de overval hetzelfde T-shirt droeg, waarbij het hof er andermaal op wijst dat het DNA van de verdachte op twee verschillende plekken op het T-shirt is aangetroffen, waaronder een relatief grote hoeveelheid rondom de scheur op de rug van het T-shirt. De mogelijkheid dat het DNA van de verdachte via zijn braaksel op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen kan van de hand worden gewezen, gelet op de inhoud van het NFI rapport van 14 januari 2022. Daarin wordt immers geconcludeerd dat er geen sporen van braaksel zijn aangetroffen op het T-shirt. Dit alles draagt bij aan het oordeel van het hof dat de door de raadsman geschetste mogelijkheid van secundaire overdracht als onaannemelijk van de hand wordt gewezen. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld. Op te leggen straf De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het hof vonnis en aldus de strafoplegging van de rechtbank, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek, zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft ingeval van een bewezenverklaring, en mede onder verwijzing naar de overschrijding van de redelijke termijn, bepleit dat het hof een lagere gevangenisstraf dan de rechtbank zal opleggen.
Volledig
Dat de verdachte toevallig en willekeurig door een volstrekt onbekende zou zijn aangesproken met de vraag om deze onbekende man te helpen om de vader van [benadeelde 2] te zoeken, met wie de verdachte die dag en op dat moment toevallig op de desbetreffende parkeerplaats samen was, acht het hof reeds op zichzelf genomen volstrekt onaannemelijk. Immers, waarom toen, daar op die parkeerplaats, deze vraag aan de verdachte? De verdachte en de man waren, uitgaande van verdachtes verklaring, onbekenden van elkaar en derhalve was het onduidelijk of de verdachte wist waar de vader van [benadeelde 2] was - hij zei zelf toen al meteen van niet - of daarachter kon komen en of hij daar überhaupt behulpzaam in kon en wilde zijn. Opmerking verdient dat de vader van [benadeelde 2] toen ondergedoken was en hij al jaren daarvoor van de moeder van [benadeelde 2] was gescheiden en in ieder geval niet in de woning van [benadeelde 2] en het slachtoffer woonde. Hoe men er in deze constellatie van feiten en omstandigheden toe komt om vervolgens die woning te overvallen en waarom zij daarbij de auto van de verdachte nodig hadden – zonder dat de verdachte overigens in de tussentijd iets met de originele eis van de man om informatie te verschaffen over de locatie van de vader van [benadeelde 2] heeft gedaan – is volstrekt onduidelijk gebleven. Volgens de verdachte beschikte de man over veel informatie over de verdachte, waaronder over zijn neefjes, en had deze tevens foto’s van zijn woning. [benadeelde 2] en de verdachte hadden echter pas sinds kort contact, zij waren praktisch vreemden van elkaar, en hadden in hoofdzaak louter een ‘friends with benefits’ relatie. In dat verband zagen zij elkaar slechts incidenteel en op afwisselende locaties. Dit maakt in de eerste plaats de toevallige ontmoeting op de parkeerplaats – waarbij [benadeelde 2] overigens op dat precieze moment, ongetwijfeld eveneens toevallig, net afwezig is – tussen de man en de verdachte niet alleen hoogst ongeloofwaardig, maar ook dat de onbekende man toen over dergelijke informatie over de verdachte en foto’s beschikte is om die reden buitengewoon ongeloofwaardig. En als die man wel in staat is om in zo’n kort tijdsbestek dergelijke gedetailleerde informatie over een onbekend persoon te vergaren, dan bevreemdt het des te meer dat hij dan verdachtes hulp nodig zou hebben gehad om de vader van [benadeelde 2] te vinden. Kortom: het scenario en de verklaringen van de verdachte zijn volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig en roepen tal van vragen op. Het hof is gedurende het onderzoek ter terechtzitting geen stap dichterbij gekomen bij de beantwoording van die vragen. Integendeel, er zijn enkel meer vragen en ongerijmdheden bijgekomen. Het voorgaande, bezien in het licht van hetgeen hierna nog zal worden overwogen, voert het hof, met betrekking tot de verklaringen van de verdachte dan ook tot de slotsom dat de verdachte zijn verklaringen, houdende het alternatief scenario moet hebben verzonnen en op belastende onderzoeksbevindingen en het dossier heeft toegesneden, teneinde diens strafrechtelijke verantwoordelijkheid te ontlopen. In zijn oordeel betrekt het hof nog het volgende. Het DNA van de verdachte is op twee verschillende plekken op het T-shirt van het slachtoffer aangetroffen. De eerste plek is rondom een scheur op de rug van het T-shirt. Daarnaast is DNA van de verdachte aangetroffen op de linkermouw van het T-shirt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer met de overvallers in een worsteling verwikkeld is geraakt, waarbij hij door hen met kracht is vastgepakt en de trap af is gemanoeuvreerd. Het hof oordeelt in de eerste plaats dat de plekken waar het DNA van de verdachte is aangetroffen, te weten op de mouw en rondom een scheur op de rug, passend is bij het scenario van een worsteling, waarover door het slachtoffer is verklaard. Daarbij komt dat rondom de scheur een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte is aangetroffen, in tegenstelling tot het DNA van het slachtoffer, waarvan een relatief kleine hoeveelheid is aangetroffen. Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijke grote hoeveelheid DNA van de verdachte op die plek – en daarnaast op een andere, tweede plek – middels indirecte overdracht via (een) onbekende(n) wordt overgebracht op het T-shirt van het slachtoffer, waarbij andermaal wordt opgemerkt en onderstreept dat het alternatief scenario dat aan deze mogelijkheid ten grondslag is gelegd, reeds als onaannemelijk door het hof terzijde is geschoven. Dat het DNA van de verdachte op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen via secundaire overdracht via de zus van het slachtoffer, acht het hof eveneens onaannemelijk. Uit het dossier en de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte en [benadeelde 2] pas na de woningoverval (na 03:00 uur) seksueel contact hebben gehad en dat [benadeelde 2] later die nacht, omstreeks 05:00 uur, bij de woning is aangekomen. [benadeelde 2] en het slachtoffer hebben toen, volgens hun verklaringen, geen fysiek contact gehad, waarbij tevens is vastgesteld dat het T-shirt van het slachtoffer op dat moment reeds door de politie was veiliggesteld en in beslag was genomen, ten behoeve van forensisch onderzoek. Bij die stand van zaken acht het hof het uitgesloten dat er toen en daar secundaire overdracht van het DNA van de verdachte op het T-shirt heeft plaatsgevonden. Dat er mogelijk op een eerder moment al secundaire overdracht heeft plaatsgevonden van het DNA van de verdachte via [benadeelde 2] op het T-shirt van het slachtoffer, welke mogelijkheid nog door de raadsman bij pleidooi is geopperd, acht het hof evenmin aannemelijk. Vooropgesteld ontbreekt daarvoor enige aanwijzing in het dossier. In dit verband heeft de raadsman, onder verwijzing naar de verklaring van [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris, erop gewezen dat zij en de verdachte de dag voor de woningoverval seksueel contact hebben gehad. In die verklaring leest het hof evenwel dat [benadeelde 2] verklaart dat zij en de verdachte op 28 december 2020 en naar het hof begrijpt in de tussentijd, geen seks hebben gehad. Los daarvan, het slachtoffer en zijn zus hebben verklaard dat zij zelden tot nooit fysiek contact hebben, zo knuffelen of omhelzen zij elkaar zelden en ook dragen zij nooit elkaars kleding. Bovendien is het onaannemelijk te achten dat het slachtoffer in de dagen voor de overval hetzelfde T-shirt droeg, waarbij het hof er andermaal op wijst dat het DNA van de verdachte op twee verschillende plekken op het T-shirt is aangetroffen, waaronder een relatief grote hoeveelheid rondom de scheur op de rug van het T-shirt. De mogelijkheid dat het DNA van de verdachte via zijn braaksel op het T-shirt van het slachtoffer is terechtgekomen kan van de hand worden gewezen, gelet op de inhoud van het NFI rapport van 14 januari 2022. Daarin wordt immers geconcludeerd dat er geen sporen van braaksel zijn aangetroffen op het T-shirt. Dit alles draagt bij aan het oordeel van het hof dat de door de raadsman geschetste mogelijkheid van secundaire overdracht als onaannemelijk van de hand wordt gewezen. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld. Op te leggen straf De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het hof vonnis en aldus de strafoplegging van de rechtbank, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek, zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft ingeval van een bewezenverklaring, en mede onder verwijzing naar de overschrijding van de redelijke termijn, bepleit dat het hof een lagere gevangenisstraf dan de rechtbank zal opleggen.
Volledig
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende diefstal met geweld en bedreiging met geweld in een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, door twee of meer verenigde personen. Op 31 december 2020, omstreeks 02.00 uur, is de verdachte samen met een onbekende mededader binnengetreden in de woning aan [adres 2] , alwaar op dat moment alleen de zoon des huizes aanwezig was. Het slachtoffer zag zich plots in zijn slaapkamer geconfronteerd met een onbekende en met een vuurwapen gewapende man, die zei op zoek te zijn naar geld. Toen het slachtoffer probeerde te vluchten, raakte hij met de man in een worsteling verwikkeld. De worsteling heeft zich vervolgens naar de hal verplaatst, alwaar het slachtoffer een tweede gewapende overvaller tegen het lijf liep. Het slachtoffer is hardhandig door de overvallers naar beneden meegenomen en in de worsteling gewond geraakt, onder meer aan zijn hoofd. De overvallers hebben, mede om het verzet van het slachtoffer te breken, een vuurwapen tegen het hoofd van het slachtoffer gezet en hem meermalen gedreigd dood te schieten als hij hen niet zou vertellen waar de kluis was. Op aanwijzing van het doodsbange slachtoffer hebben de daders de kluis gevonden en met de kluis, met daarin een fors geldbedrag, alsmede een jas en de telefoon van het slachtoffer, zijn de verdachte en zijn mededader er vervolgens vandoor gegaan, het slachtoffer daarbij gewond en in grote angst achterlatend. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een woningoverval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt en gedreigd wordt met het gebruik van vuurwapens, is voor de slachtoffers daarvan in het algemeen een bijzonder traumatische en angstige ervaring waar zij vaak nog jarenlang last van kunnen ondervinden. Dat dit ook nadrukkelijk geldt voor het slachtoffer van onderhavige woningoverval – die naar het oordeel van het hof bovendien gezien moet worden als een kwetsbaar slachtoffer – blijkt wel uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring. Daaruit komt naar voren dat de overval tot op heden zeer ingrijpende gevolgen heeft voor het slachtoffer en voor hem de uitdagingen van het leven, welke voor het hem toch al niet gemakkelijk waren, verder (heeft) bemoeilijkt. De verdachte en zijn mededader hebben met de gevolgen voor het slachtoffer geen enkele rekening gehouden toen zij besloten op deze gewelddadige manier aan geld te komen, dan wel zulks ondergeschikt geacht aan hun eigen belangen en hebben kennelijk enkel hun eigen geldelijk gewin voor ogen gehad. Dit wordt de verdachte door het hof zwaar aangerekend. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde feit heeft het hof voorts nog het volgende in aanmerking genomen. Gebleken is dat de verdachte in de periode voor de overval een ‘relatie’ onderhield met de zus van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting komt het beeld naar voren dat de verdachte via deze relatie op de hoogte is geraakt van de mogelijke aanwezigheid van een kluis, althans een fors geldbedrag, in de woning van het slachtoffer en diens zus, alsmede dat hij deze relatie heeft aangewend bij het voorbereiden en/of het begaan het feit. De zus van het slachtoffer heeft immers foto’s met daarop forse contante geldbedragen naar de verdachte toegestuurd. Een of meerdere van die foto’s is/zijn bovendien gemaakt in de ruimte waar de kluis zich bevond. Daarnaast heeft de verdachte enkele dagen voor de woningoverval – zonder enige steekhoudende reden en op listige wijze – de auto van de zus van het slachtoffer geleend, met aan de sleutelbos de sleutel van de desbetreffende woning. Dit alles, samengenomen met het feit dat er geen braaksporen zijn aangetroffen, maakt dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte aldus kans heeft gezien om de huissleutel te dupliceren en deze heeft gebruikt om de woning te betreden. Een en ander getuigt van een bijzonder planmatige en geraffineerde werkwijze van de verdachte. Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Uit het uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, waaronder wegens soortgelijke feiten. In navolging van de rechtbank, maakt het hof in het bijzonder melding van de omstandigheid dat de verdachte in 2018 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens medeplichtigheid bij het medeplegen van gekwalificeerde diefstal, alsmede dat hij in 2011 is veroordeeld wegens diefstal met geweld in vereniging tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Daarnaast is de verdachte in 2010 wegens - onder meer en kort gezegd - poging tot doodslag, mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, wapenbezit en medeplegen van opzetheling veroordeeld tot een jeugddetentie van ruim 15 maanden en de voorwaardelijke plaatsing in een jeugdinstelling. In 2008 is hij veroordeeld wegens diefstal met geweld in vereniging. Voormelde feiten hebben overwegend met elkaar gemeen dat het vermogensfeiten betreft, dan wel feiten met een geweldscomponent. Hieruit spreekt dat de verdachte strafbare feiten pleegt om aan geld te komen en (daarbij) geweld niet schuwt. Het hof heeft voorts gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof stelt voorop dat in gevallen zoals het onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, in beginsel een onvoorwaardelijke straf van substantiële duur wordt opgelegd, hetgeen tevens tot uitdrukking is gebracht in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’. Deze oriëntatiepunten gaan als vertrekpunt bij een woningoverval met meer of ander geweld dan licht geweld en/of bedreiging in beginsel uit van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenis voor de duur van 5 jaren. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak, acht het hof dit vertrekpunt van toepassing op onderhavige zaak. Onder verwijzing naar het vorenoverwogene, ziet het hof in de talrijke strafverzwarende omstandigheden – het zij herhaald: het in vereniging, gedurende de nachtrust, met geweld en onder bedreiging van vuurwapens, in de eigen woning overvallen van een kwetsbaar slachtoffer, alsmede de in de voorbereiding en uitvoering planmatige en geraffineerde werkwijze van de verdachte, bezien in het licht van de overige feiten en omstandigheden van deze zaak – aanleiding om, gelijk de rechtbank, doch meer nadrukkelijk dan de rechtbank dat heeft gedaan, naar boven af te wijken van voormeld uitgangspunt. Alles afwegende acht het hof dan ook in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop nog het volgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Volledig
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende diefstal met geweld en bedreiging met geweld in een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, door twee of meer verenigde personen. Op 31 december 2020, omstreeks 02.00 uur, is de verdachte samen met een onbekende mededader binnengetreden in de woning aan [adres 2] , alwaar op dat moment alleen de zoon des huizes aanwezig was. Het slachtoffer zag zich plots in zijn slaapkamer geconfronteerd met een onbekende en met een vuurwapen gewapende man, die zei op zoek te zijn naar geld. Toen het slachtoffer probeerde te vluchten, raakte hij met de man in een worsteling verwikkeld. De worsteling heeft zich vervolgens naar de hal verplaatst, alwaar het slachtoffer een tweede gewapende overvaller tegen het lijf liep. Het slachtoffer is hardhandig door de overvallers naar beneden meegenomen en in de worsteling gewond geraakt, onder meer aan zijn hoofd. De overvallers hebben, mede om het verzet van het slachtoffer te breken, een vuurwapen tegen het hoofd van het slachtoffer gezet en hem meermalen gedreigd dood te schieten als hij hen niet zou vertellen waar de kluis was. Op aanwijzing van het doodsbange slachtoffer hebben de daders de kluis gevonden en met de kluis, met daarin een fors geldbedrag, alsmede een jas en de telefoon van het slachtoffer, zijn de verdachte en zijn mededader er vervolgens vandoor gegaan, het slachtoffer daarbij gewond en in grote angst achterlatend. De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een woningoverval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt en gedreigd wordt met het gebruik van vuurwapens, is voor de slachtoffers daarvan in het algemeen een bijzonder traumatische en angstige ervaring waar zij vaak nog jarenlang last van kunnen ondervinden. Dat dit ook nadrukkelijk geldt voor het slachtoffer van onderhavige woningoverval – die naar het oordeel van het hof bovendien gezien moet worden als een kwetsbaar slachtoffer – blijkt wel uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring. Daaruit komt naar voren dat de overval tot op heden zeer ingrijpende gevolgen heeft voor het slachtoffer en voor hem de uitdagingen van het leven, welke voor het hem toch al niet gemakkelijk waren, verder (heeft) bemoeilijkt. De verdachte en zijn mededader hebben met de gevolgen voor het slachtoffer geen enkele rekening gehouden toen zij besloten op deze gewelddadige manier aan geld te komen, dan wel zulks ondergeschikt geacht aan hun eigen belangen en hebben kennelijk enkel hun eigen geldelijk gewin voor ogen gehad. Dit wordt de verdachte door het hof zwaar aangerekend. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde feit heeft het hof voorts nog het volgende in aanmerking genomen. Gebleken is dat de verdachte in de periode voor de overval een ‘relatie’ onderhield met de zus van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting komt het beeld naar voren dat de verdachte via deze relatie op de hoogte is geraakt van de mogelijke aanwezigheid van een kluis, althans een fors geldbedrag, in de woning van het slachtoffer en diens zus, alsmede dat hij deze relatie heeft aangewend bij het voorbereiden en/of het begaan het feit. De zus van het slachtoffer heeft immers foto’s met daarop forse contante geldbedragen naar de verdachte toegestuurd. Een of meerdere van die foto’s is/zijn bovendien gemaakt in de ruimte waar de kluis zich bevond. Daarnaast heeft de verdachte enkele dagen voor de woningoverval – zonder enige steekhoudende reden en op listige wijze – de auto van de zus van het slachtoffer geleend, met aan de sleutelbos de sleutel van de desbetreffende woning. Dit alles, samengenomen met het feit dat er geen braaksporen zijn aangetroffen, maakt dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte aldus kans heeft gezien om de huissleutel te dupliceren en deze heeft gebruikt om de woning te betreden. Een en ander getuigt van een bijzonder planmatige en geraffineerde werkwijze van de verdachte. Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Uit het uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld, waaronder wegens soortgelijke feiten. In navolging van de rechtbank, maakt het hof in het bijzonder melding van de omstandigheid dat de verdachte in 2018 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens medeplichtigheid bij het medeplegen van gekwalificeerde diefstal, alsmede dat hij in 2011 is veroordeeld wegens diefstal met geweld in vereniging tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Daarnaast is de verdachte in 2010 wegens - onder meer en kort gezegd - poging tot doodslag, mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, wapenbezit en medeplegen van opzetheling veroordeeld tot een jeugddetentie van ruim 15 maanden en de voorwaardelijke plaatsing in een jeugdinstelling. In 2008 is hij veroordeeld wegens diefstal met geweld in vereniging. Voormelde feiten hebben overwegend met elkaar gemeen dat het vermogensfeiten betreft, dan wel feiten met een geweldscomponent. Hieruit spreekt dat de verdachte strafbare feiten pleegt om aan geld te komen en (daarbij) geweld niet schuwt. Het hof heeft voorts gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof stelt voorop dat in gevallen zoals het onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, in beginsel een onvoorwaardelijke straf van substantiële duur wordt opgelegd, hetgeen tevens tot uitdrukking is gebracht in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’. Deze oriëntatiepunten gaan als vertrekpunt bij een woningoverval met meer of ander geweld dan licht geweld en/of bedreiging in beginsel uit van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenis voor de duur van 5 jaren. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak, acht het hof dit vertrekpunt van toepassing op onderhavige zaak. Onder verwijzing naar het vorenoverwogene, ziet het hof in de talrijke strafverzwarende omstandigheden – het zij herhaald: het in vereniging, gedurende de nachtrust, met geweld en onder bedreiging van vuurwapens, in de eigen woning overvallen van een kwetsbaar slachtoffer, alsmede de in de voorbereiding en uitvoering planmatige en geraffineerde werkwijze van de verdachte, bezien in het licht van de overige feiten en omstandigheden van deze zaak – aanleiding om, gelijk de rechtbank, doch meer nadrukkelijk dan de rechtbank dat heeft gedaan, naar boven af te wijken van voormeld uitgangspunt. Alles afwegende acht het hof dan ook in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop nog het volgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Volledig
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 14 december 2021, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 20 september 2022 tussenvonnis gewezen, waarna de zaak nader inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 15 november 2024. Vervolgens is op 29 november 2024 eindvonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ruim 11 maanden. Hoewel er in deze zaak – en zulks mede naar aanleiding van verweren en standpunten van de verdediging – in eerste aanleg, nadat het onderzoek ter terechtzitting is heropend, nader onderzoek is verricht en de zaak nader op zitting is behandeld en tevens een deskundige op zitting is gehoord, is het hof van oordeel dat dit alles niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren, dan wel dat dit voor rekening van de verdediging dient te komen. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, is het hof evenmin gebleken. Het hof is niet gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met 9 maanden. Het voorgaande leidt aldus tot de slotsom dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarmee komt het hof tot een hogere straf dan welke door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman is bepleit, nu het hof van oordeel is dat die gevorderde en bepleite straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van – naar het hof begrijpt – een bedrag van € 12.040,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering ziet op een bedrag van € 7.040,00 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt uiteen in de volgende posten: € 3.500,00 geld kluis privé; € 3.055,00 geld kluis zakelijk; € 385,00 eigenrisico zorgverzekering; € 100,00 benzinekosten meerijden [slachtoffer] . Uit de toelichting op de vordering volgt dat de verzekeraar diverse uitkeringen heeft gedaan van in totaal € 5.426,80. Als totale niet vergoede schade vordert de benadeelde partij derhalve een bedrag van € 6.613,20. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.155,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft – ingeval van een bewezenverklaring – bepleit dat het hof conform de rechtbank zal beslissen en ingeval het hof mocht overwegen om een ruimere schadevergoeding toe te kennen, de vordering dan in zoverre wordt betwist. Nu het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman ten aanzien van zowel deze vordering als de hierna te bespreken vorderingen telkens gelijkluidend is, volstaat het hof met een weergave van hun standpunten op deze plaats. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.055,00, zijnde het zakelijke contante geld in de kluis, welke door de verdachte en diens mededader bij de woningoverval is weggenomen. Het hof acht de vordering ten aanzien van dit geldbedrag voldoende onderbouwd, de bijgevoegde bescheiden (facturen) in aanmerking genomen. Daarbij is de vordering op dit punt niet door de verdediging betwist. De vordering wordt derhalve in zoverre toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof acht de vordering met betrekking tot de overige materiële schade thans onvoldoende onderbouwd. Nadere stukken of bescheiden met betrekking tot het verbruik van het eigen risico en het privé geld ontbreken. Dat geldt eveneens voor de benzinekosten. Aldus kan het hof de gegrondheid van de vordering ten aanzien van deze posten niet beoordelen. Het hof is van oordeel dat het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze nadere onderbouwing te leveren een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom voor het overige deel van de gevorderde materiële schade niet in haar vordering worden ontvangen en kan deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de immateriële schade Het hof stelt voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. Uit de schriftelijke onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de gestelde immateriële schade van de benadeelde partij in de kern bestaat uit en verband houdt met de psychische gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de zoon van de benadeelde partij. De zoon is het directe slachtoffer van de woningoverval en kampt ten gevolge daarvan met – kort gezegd – diverse psychische en angst klachten.
Volledig
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 14 december 2021, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 20 september 2022 tussenvonnis gewezen, waarna de zaak nader inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 15 november 2024. Vervolgens is op 29 november 2024 eindvonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ruim 11 maanden. Hoewel er in deze zaak – en zulks mede naar aanleiding van verweren en standpunten van de verdediging – in eerste aanleg, nadat het onderzoek ter terechtzitting is heropend, nader onderzoek is verricht en de zaak nader op zitting is behandeld en tevens een deskundige op zitting is gehoord, is het hof van oordeel dat dit alles niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren, dan wel dat dit voor rekening van de verdediging dient te komen. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, is het hof evenmin gebleken. Het hof is niet gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met 9 maanden. Het voorgaande leidt aldus tot de slotsom dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarmee komt het hof tot een hogere straf dan welke door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman is bepleit, nu het hof van oordeel is dat die gevorderde en bepleite straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van – naar het hof begrijpt – een bedrag van € 12.040,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering ziet op een bedrag van € 7.040,00 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt uiteen in de volgende posten: € 3.500,00 geld kluis privé; € 3.055,00 geld kluis zakelijk; € 385,00 eigenrisico zorgverzekering; € 100,00 benzinekosten meerijden [slachtoffer] . Uit de toelichting op de vordering volgt dat de verzekeraar diverse uitkeringen heeft gedaan van in totaal € 5.426,80. Als totale niet vergoede schade vordert de benadeelde partij derhalve een bedrag van € 6.613,20. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.155,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft – ingeval van een bewezenverklaring – bepleit dat het hof conform de rechtbank zal beslissen en ingeval het hof mocht overwegen om een ruimere schadevergoeding toe te kennen, de vordering dan in zoverre wordt betwist. Nu het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman ten aanzien van zowel deze vordering als de hierna te bespreken vorderingen telkens gelijkluidend is, volstaat het hof met een weergave van hun standpunten op deze plaats. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.055,00, zijnde het zakelijke contante geld in de kluis, welke door de verdachte en diens mededader bij de woningoverval is weggenomen. Het hof acht de vordering ten aanzien van dit geldbedrag voldoende onderbouwd, de bijgevoegde bescheiden (facturen) in aanmerking genomen. Daarbij is de vordering op dit punt niet door de verdediging betwist. De vordering wordt derhalve in zoverre toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof acht de vordering met betrekking tot de overige materiële schade thans onvoldoende onderbouwd. Nadere stukken of bescheiden met betrekking tot het verbruik van het eigen risico en het privé geld ontbreken. Dat geldt eveneens voor de benzinekosten. Aldus kan het hof de gegrondheid van de vordering ten aanzien van deze posten niet beoordelen. Het hof is van oordeel dat het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze nadere onderbouwing te leveren een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom voor het overige deel van de gevorderde materiële schade niet in haar vordering worden ontvangen en kan deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de immateriële schade Het hof stelt voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. Uit de schriftelijke onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de gestelde immateriële schade van de benadeelde partij in de kern bestaat uit en verband houdt met de psychische gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de zoon van de benadeelde partij. De zoon is het directe slachtoffer van de woningoverval en kampt ten gevolge daarvan met – kort gezegd – diverse psychische en angst klachten.
Volledig
In navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebrachte immateriële schade door het bewezenverklaarde feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De omstandigheid dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit gevoelens van angst heeft ervaren en het vertrouwen kwijt is, zoals ter onderbouwing in de vordering nog staat vermeld, levert – hoe invoelbaar een en ander ook moge zijn – geen grond op om anders te oordelen. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.055,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.055,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op een bedrag van € 5.055,86 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt nader uiteen in de volgende posten: € 31,86 opvragen medische informatie; € 174,00 Samsung (telefoon); € 4.500,00 geld, en € 350,00 jas. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.205,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding te handhaven. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.555,86. Het hof acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar, met dien verstande dat ter zake van de post geld een geldbedrag van € 1.000,00 zal worden toegewezen. De vordering is naar het oordeel van het hof ter zake van dat geldbedrag voldoende onderbouwd en voorts door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Ook de overige materiële schade posten acht het hof voldoende onderbouwd. Uit de aangifte volgt dat er bij de woningoverval - naast diens telefoon - tevens een jas van het slachtoffer is weggenomen. Nu het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de door aangever in de aangifte gedane opgave omtrent de weggenomen goederen, zal het hof de vordering ten aanzien van de jas eveneens toewijzen. Het hof zal in dezen gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid ingevolge artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en de schade ter zake van de weggenomen jas, die redelijk nieuw was, begroten op het gevorderde bedrag van € 350,00. Ten aanzien van de immateriële schade Het hof stelt voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe als volgt. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een woningoverval. Twee mannen, gewapend met vuurwapens, zijn midden in de nacht de woning van het slachtoffer binnengekomen en hebben hem mishandeld en bedreigd, op zoek naar geld. Het slachtoffer is gewond geraakt en ook is er een vuurwapen tegen het hoofd van slachtoffer gezet en is meermalen gedreigd hem dood te schieten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ’op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het opgelopen letsel van het slachtoffer levert eveneens zelfstandig een grondslag op voor vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft voorts – samengevat weergegeven – gesteld en aangevoerd dat hij door de gebeurtenis ernstig is beschadigd in diens emotioneel, psychologisch, maatschappelijk en sociaal functioneren. Een en ander heeft het slachtoffer zelf indringend ter terechtzitting onder woorden gebracht. De benadeelde partij stelt onder meer veel moeite te hebben in diens dagelijks functioneren. Hij is angstig en kan niet werken. Uit de bij de vordering gevoegde bescheiden volgt dat de benadeelde partij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, zulks ten gevolge van de woningoverval. Aldus is sprake van geestelijk letsel in vorenomschreven zin. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is te achten dat gewelddadige woningovervallen een ernstige inbreuk op de psychische integriteit van slachtoffers opleveren, waardoor reeds op die grond kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Aldus bestaat ruim voldoende grond voor schadevergoeding wegens immateriële schade. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, voor zover daarvan uit de overgelegde bescheiden en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, begroot het hof de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 5.000,00. Totale schadevergoeding Resumerend bedraagt de totale toe te wijzen schade € 6.555,86, bestaande uit € 5.000,00 wegens immateriële schade en € 1.555,86 wegens materiële schade.
Volledig
In navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebrachte immateriële schade door het bewezenverklaarde feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De omstandigheid dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit gevoelens van angst heeft ervaren en het vertrouwen kwijt is, zoals ter onderbouwing in de vordering nog staat vermeld, levert – hoe invoelbaar een en ander ook moge zijn – geen grond op om anders te oordelen. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.055,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.055,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op een bedrag van € 5.055,86 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt nader uiteen in de volgende posten: € 31,86 opvragen medische informatie; € 174,00 Samsung (telefoon); € 4.500,00 geld, en € 350,00 jas. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.205,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding te handhaven. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.555,86. Het hof acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar, met dien verstande dat ter zake van de post geld een geldbedrag van € 1.000,00 zal worden toegewezen. De vordering is naar het oordeel van het hof ter zake van dat geldbedrag voldoende onderbouwd en voorts door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Ook de overige materiële schade posten acht het hof voldoende onderbouwd. Uit de aangifte volgt dat er bij de woningoverval - naast diens telefoon - tevens een jas van het slachtoffer is weggenomen. Nu het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de door aangever in de aangifte gedane opgave omtrent de weggenomen goederen, zal het hof de vordering ten aanzien van de jas eveneens toewijzen. Het hof zal in dezen gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid ingevolge artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en de schade ter zake van de weggenomen jas, die redelijk nieuw was, begroten op het gevorderde bedrag van € 350,00. Ten aanzien van de immateriële schade Het hof stelt voorop dat immateriële schade slechts dan voor vergoeding in aanmerking komt, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe als volgt. De benadeelde partij is het slachtoffer geworden van een woningoverval. Twee mannen, gewapend met vuurwapens, zijn midden in de nacht de woning van het slachtoffer binnengekomen en hebben hem mishandeld en bedreigd, op zoek naar geld. Het slachtoffer is gewond geraakt en ook is er een vuurwapen tegen het hoofd van slachtoffer gezet en is meermalen gedreigd hem dood te schieten. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ’op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het opgelopen letsel van het slachtoffer levert eveneens zelfstandig een grondslag op voor vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft voorts – samengevat weergegeven – gesteld en aangevoerd dat hij door de gebeurtenis ernstig is beschadigd in diens emotioneel, psychologisch, maatschappelijk en sociaal functioneren. Een en ander heeft het slachtoffer zelf indringend ter terechtzitting onder woorden gebracht. De benadeelde partij stelt onder meer veel moeite te hebben in diens dagelijks functioneren. Hij is angstig en kan niet werken. Uit de bij de vordering gevoegde bescheiden volgt dat de benadeelde partij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, zulks ten gevolge van de woningoverval. Aldus is sprake van geestelijk letsel in vorenomschreven zin. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is te achten dat gewelddadige woningovervallen een ernstige inbreuk op de psychische integriteit van slachtoffers opleveren, waardoor reeds op die grond kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Aldus bestaat ruim voldoende grond voor schadevergoeding wegens immateriële schade. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, voor zover daarvan uit de overgelegde bescheiden en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, begroot het hof de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 5.000,00. Totale schadevergoeding Resumerend bedraagt de totale toe te wijzen schade € 6.555,86, bestaande uit € 5.000,00 wegens immateriële schade en € 1.555,86 wegens materiële schade.
Volledig
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 6.555,86. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 5.385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. In de vordering wordt kennelijk abusievelijk een bedrag van € 4.885,00 genoemd als materiële schade hetgeen niet kan kloppen op basis van de begrote posten. De vordering ziet derhalve op een bedrag van € 4.385,00 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt nader uiteen in de navolgende posten: € 385,00 eigen risico; € 1.000,00 gift kerst opa en oma; € 3.000,00 spaargeld, verjaardagen, verkochte kleding en klusjes. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding te handhaven. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-, zijnde de gift wegens kerst van opa en oma. De vordering is naar het oordeel van het hof ter zake van dat geldbedrag voldoende onderbouwd en voorts door de verdediging niet inhoudelijk betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De overige gevorderde materiële schade acht het hof thans onvoldoende onderbouwd. Het hof is van oordeel dat het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om een nadere onderbouwing te leveren een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom voor het overige deel van de gevorderde materiële schade niet in haar vordering worden ontvangen en kan deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de immateriële schade Immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebrachte immateriële schade door het bewezenverklaarde feit, als bedoeld in artikel 361, tweede lid en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Volledig
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 6.555,86. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 5.385,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. In de vordering wordt kennelijk abusievelijk een bedrag van € 4.885,00 genoemd als materiële schade hetgeen niet kan kloppen op basis van de begrote posten. De vordering ziet derhalve op een bedrag van € 4.385,00 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade valt nader uiteen in de navolgende posten: € 385,00 eigen risico; € 1.000,00 gift kerst opa en oma; € 3.000,00 spaargeld, verjaardagen, verkochte kleding en klusjes. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de vordering tot schadevergoeding te handhaven. Met betrekking tot de materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-, zijnde de gift wegens kerst van opa en oma. De vordering is naar het oordeel van het hof ter zake van dat geldbedrag voldoende onderbouwd en voorts door de verdediging niet inhoudelijk betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020. De overige gevorderde materiële schade acht het hof thans onvoldoende onderbouwd. Het hof is van oordeel dat het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om een nadere onderbouwing te leveren een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom voor het overige deel van de gevorderde materiële schade niet in haar vordering worden ontvangen en kan deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Met betrekking tot de immateriële schade Immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking, indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht en daarmee van aantasting in de persoon. In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebrachte immateriële schade door het bewezenverklaarde feit, als bedoeld in artikel 361, tweede lid en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit ten gevolge waarvan de schade is ontstaan, samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn (onbekende) mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij ieder hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade. Het hof zal derhalve, gelijk de rechtbank heeft gedaan, en nu zulks is gevorderd, bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn nog onbekende mededader aansprakelijk is voor het toegewezen deel van de vordering. Het hof zal de verdachte, die als in de ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Volledig
BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar en 3 (drie) maanden : beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.055,00 (zegge: drieduizend vijfenvijftig euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering – slechts voor zover deze betrekking heeft op de overige materiële schade – bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.055,00 ( zegge: drieduizend vijfenvijftig euro ) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente 31 december 2020 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.555,86 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.555,86 (zegge: duizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.555,86 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.555,86 (duizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) als vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) ter zake van materiële schade , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering – slechts voor zover deze betrekking heeft op de overige materiële schade – bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene. Aldus gewezen door: mr. A.J. Henzen, voorzitter, mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier, en op 26 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Volledig
BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar en 3 (drie) maanden : beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.055,00 (zegge: drieduizend vijfenvijftig euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering – slechts voor zover deze betrekking heeft op de overige materiële schade – bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.055,00 ( zegge: drieduizend vijfenvijftig euro ) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente 31 december 2020 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.555,86 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.555,86 (zegge: duizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.555,86 (zegge: zesduizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.555,86 (duizend vijfhonderdvijfenvijftig euro en zesentachtig cent) als vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) ter zake van materiële schade , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering – slechts voor zover deze betrekking heeft op de overige materiële schade – bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene. Aldus gewezen door: mr. A.J. Henzen, voorzitter, mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier, en op 26 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.