Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2026:599
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,046 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:599 text/xml public 2026-03-31T16:13:46 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/1718 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:599 text/html public 2026-03-31T16:01:41 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:599 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/1718 Belanghebbende exploiteert een park met chalets waarin arbeidsmigranten verblijven. Naar het oordeel van het hof zijn de aanslagen zuiveringsheffing en toeristenbelasting 2022 terecht aan belanghebbende opgelegd. Niet aannemelijk is dat een ander dan belanghebbende heffingsplichtig was, noch dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In hetgeen belanghebbende heeft gesteld ziet het hof geen aanleiding om de aanslagen op een lager bedrag vast te stellen. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/1718 en 24/1719 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2024, nummers ROE 23/3423 en 23/3452, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 aanslagen toeristenbelasting en zuiveringsheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende exploiteert een park met 35 chalets aan [adres] te [vestigingsplaats] . De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (onder meer) uit het huisvesten van arbeidsmigranten. 2.2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing van € 5.081,01 opgelegd op basis van 90,7 vervuilingseenheden. 2.3. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende daarnaast eveneens voor het belastingjaar 2022 een aanslag toeristenbelasting opgelegd. De aanslag toeristenbelasting van € 48.609,60 is berekend naar een totaal van 40.508 overnachtingen van arbeidsmigranten naar een tarief van € 1,20 per overnachting. De aanslag is vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangifte, waarin staat vermeld: “6. Arbeidsmigranten (H11) Aantal beschikbare slaapplaatsen 175 Aantal overnachtingen 40.508” Geen van deze arbeidsmigranten stond in het jaar 2022 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna ook: BRP). 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat het hoger beroep enkel ziet op het jaar 2022 (en niet op het jaar 2023). 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Zuiveringsheffing 2022 (zaaknummer 24/1718) 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij niet de gebruiker is van de 35 chalets en dat zij daarom geen zuiveringsheffing hoeft te betalen. Belanghebbende stelt – naar het hof begrijpt – dat een uitzendbureau de gebruiker is en wijst op een factuur van belanghebbende aan een uitzendbureau en een grootboekkaart. Belanghebbende stelt verder dat de aanslag zuiveringsheffing onjuist is berekend, omdat die volgens belanghebbende berekend moet worden door het aantal chalets (woningen) te vermenigvuldigen met 3 vervuilingseenheden. Belanghebbende verwijst in dit verband naar een uitspraak op bezwaar voor de WOZ over het belastingjaar 2023, waarin staat dat het object [adres] te [vestigingsplaats] ten onrechte is aangemerkt als ‘niet woning’. Tot slot stelt belanghebbende dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft belanghebbende ondubbelzinnig en zonder voorbehoud afstand gedaan van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel en de stelling dat de aanslag te hoog is vastgesteld vanwege corona. 4.2. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende betwist. 4.3. In artikel 122d Waterschapswet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: “1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. 2. Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (...) 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig: (...) c. in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.” 4.4. In artikel 3 Verordening zuiveringsheffing Waterschap Limburg 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald: “1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren. 2. Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…) 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingplichtig: (…) c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of be- drijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. 4.5. Ingevolge artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, Verordening wordt in overeenstemming met artikel 122d, lid 2, aanhef en onderdeel a, Waterschapswet – aan de zuiveringsheffing ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. Uit artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c, Verordening volgt – in overeenstemming met artikel 122d, lid 3, aanhef en onderdeel c, Waterschapswet – dat degene die een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt als heffingsplichtige wordt aangemerkt voor de zuiveringsheffing. 4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de chalets op het park in 2022 voor volgtijdig gebruik ter beschikking werden gesteld aan wisselende arbeidsmigranten. 4.7. Belanghebbende stelt dat zij niet als gebruiker in de zin van voormelde artikelen kan worden aangemerkt. De heffingsambtenaar betwist dit. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de enkele verwijzing naar een factuur aan een uitzendbureau en de grootboekkaart niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is die de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld als bedoeld in artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c Verordening.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:599 text/xml public 2026-04-03T10:06:40 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/1718 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/636 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:599 text/html public 2026-03-31T16:01:41 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:599 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/1718 Belanghebbende exploiteert een park met chalets waarin arbeidsmigranten verblijven. Naar het oordeel van het hof zijn de aanslagen zuiveringsheffing en toeristenbelasting 2022 terecht aan belanghebbende opgelegd. Niet aannemelijk is dat een ander dan belanghebbende heffingsplichtig was, noch dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In hetgeen belanghebbende heeft gesteld ziet het hof geen aanleiding om de aanslagen op een lager bedrag vast te stellen. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/1718 en 24/1719 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2024, nummers ROE 23/3423 en 23/3452, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 aanslagen toeristenbelasting en zuiveringsheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende exploiteert een park met 35 chalets aan [adres] te [vestigingsplaats] . De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (onder meer) uit het huisvesten van arbeidsmigranten. 2.2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing van € 5.081,01 opgelegd op basis van 90,7 vervuilingseenheden. 2.3. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende daarnaast eveneens voor het belastingjaar 2022 een aanslag toeristenbelasting opgelegd. De aanslag toeristenbelasting van € 48.609,60 is berekend naar een totaal van 40.508 overnachtingen van arbeidsmigranten naar een tarief van € 1,20 per overnachting. De aanslag is vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangifte, waarin staat vermeld: “6. Arbeidsmigranten (H11) Aantal beschikbare slaapplaatsen 175 Aantal overnachtingen 40.508” Geen van deze arbeidsmigranten stond in het jaar 2022 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna ook: BRP). 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat het hoger beroep enkel ziet op het jaar 2022 (en niet op het jaar 2023). 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Zuiveringsheffing 2022 (zaaknummer 24/1718) 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij niet de gebruiker is van de 35 chalets en dat zij daarom geen zuiveringsheffing hoeft te betalen. Belanghebbende stelt – naar het hof begrijpt – dat een uitzendbureau de gebruiker is en wijst op een factuur van belanghebbende aan een uitzendbureau en een grootboekkaart. Belanghebbende stelt verder dat de aanslag zuiveringsheffing onjuist is berekend, omdat die volgens belanghebbende berekend moet worden door het aantal chalets (woningen) te vermenigvuldigen met 3 vervuilingseenheden. Belanghebbende verwijst in dit verband naar een uitspraak op bezwaar voor de WOZ over het belastingjaar 2023, waarin staat dat het object [adres] te [vestigingsplaats] ten onrechte is aangemerkt als ‘niet woning’. Tot slot stelt belanghebbende dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft belanghebbende ondubbelzinnig en zonder voorbehoud afstand gedaan van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel en de stelling dat de aanslag te hoog is vastgesteld vanwege corona. 4.2. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende betwist. 4.3. In artikel 122d Waterschapswet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: “1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. 2. Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (...) 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig: (...) c. in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.” 4.4. In artikel 3 Verordening zuiveringsheffing Waterschap Limburg 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald: “1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren. 2. Aan de heffing worden onderworpen: a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…) 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingplichtig: (…) c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of be- drijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld. 4.5. Ingevolge artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, Verordening wordt in overeenstemming met artikel 122d, lid 2, aanhef en onderdeel a, Waterschapswet – aan de zuiveringsheffing ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. Uit artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c, Verordening volgt – in overeenstemming met artikel 122d, lid 3, aanhef en onderdeel c, Waterschapswet – dat degene die een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt als heffingsplichtige wordt aangemerkt voor de zuiveringsheffing. 4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de chalets op het park in 2022 voor volgtijdig gebruik ter beschikking werden gesteld aan wisselende arbeidsmigranten. 4.7. Belanghebbende stelt dat zij niet als gebruiker in de zin van voormelde artikelen kan worden aangemerkt. De heffingsambtenaar betwist dit.
Volledig
Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat een ander dan belanghebbende in 2022 de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende derhalve terecht aangemerkt als heffingsplichtige voor de zuiveringsheffing. 4.8. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de aanslag moet worden vastgesteld op basis van 35 chalets (woningen) vermenigvuldigd met 3 vervuilingseenheden, overweegt het hof als volgt. Voor het vaststellen van de aanslag is de heffingsambtenaar uitgegaan van 90,7 vervuilingseenheden. De berekening van belanghebbende leidt tot 105 vervuilingseenheden. Nu de berekening van belanghebbende leidt tot een hoger aantal vervuilingseenheden dan waarvan bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan, kan de stelling van belanghebbende – wat daar overigens ook van zij – haar niet in een betere positie brengen. Het hof zal daarom aan deze stelling voorbij gaan. 4.9. Met betrekking tot het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet gesteld ten opzichte van wie of waarom sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof zal deze beroepsgrond dan ook verwerpen. 4.10. De slotsom is dat de aanslag zuiveringsheffing terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Toeristenbelasting 2022 (zaaknummer 24/1719) 4.11. Op grond van artikel 224 Gemeentewet zijn gemeenten bevoegd een toeristenbelasting te heffen ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven. In artikel 2 Verordening verblijfsbelasting Peel en Maas 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald: “Onder de naam ‘verblijfsbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor: 1. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven; 2. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.” In artikel 5 Verordening is bepaald dat de belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. 4.12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, in weerwil van het in de aangifte genoemde aantal overnachtingen, moet worden uitgegaan van een lager aantal overnachtingen, omdat: - het park in 2022 nog niet volledig in bedrijf was; - in het totaal van de overnachtingen ook overnachtingen zijn begrepen van personen die ingeschreven hadden moeten worden in de BRP (vanwege verblijf langer dan 4 maanden), maar die ten onrechte niet zijn ingeschreven vanwege de omstandigheid dat (i) de gemeente in 2022 niet langs kwam op het park om de arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP, en (ii) het niet mogelijk was om een inschrijving in de BRP te doen plaatsvinden bij het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen. De heffingsambtenaar heeft onder meer gesteld dat in 2022 geen sprake is geweest van sluiting van het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen en dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis gedurende het gehele jaar 2022 mogelijk was. 4.13. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om uit te gaan van een lager aantal overnachtingen dan waarvan in (de aangifte en) de aanslag is uitgegaan. De enkele stelling, dat het park nog niet volledig in bedrijf was, is daarvoor onvoldoende. Verder staat vast dat in het jaar 2022 geen van de arbeidsmigranten als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP was ingeschreven. Derhalve is terecht uitgegaan van het totaal aantal overnachtingen van alle (niet in de BRP ingeschreven) arbeidsmigranten. Belanghebbende heeft zijn stelling dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis in 2022 niet mogelijk was, gelet op de betwisting door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt. De gevolgen van het feit dat in 2022 geen van de arbeidsmigranten is ingeschreven in de BRP komen voor rekening en risico van belanghebbende. De omstandigheid dat de gemeente in andere jaren langskwam op het park (en op andere parken) om arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP doet hier niet aan af. 4.14. Belanghebbende heeft nog gesteld dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat er in 2022 gemeenten zijn geweest die (i) vanwege de coronamaatregelen geen toeristenbelasting hebben geheven, (ii) een korting hebben verleend voor de toeristenbelasting of (iii) door de (rijks)overheid zijn gecompenseerd voor lagere inkomsten uit de toeristenbelasting. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is de gemeente Peel en Maas niet gebonden aan wat andere gemeenten of de (rijks)overheid bepalen of beslissen met betrekking tot de (verordening inzake de) heffing (en inning) van toeristenbelasting. Er is dan ook geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. 4.15. Al hetgeen belanghebbende verder nog heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De aanslag toeristenbelasting is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Tussenconclusie 4.16. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.17. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.18. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx M.H. van Schaik Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledig
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de enkele verwijzing naar een factuur aan een uitzendbureau en de grootboekkaart niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is die de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld als bedoeld in artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c Verordening. Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat een ander dan belanghebbende in 2022 de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende derhalve terecht aangemerkt als heffingsplichtige voor de zuiveringsheffing. 4.8. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de aanslag moet worden vastgesteld op basis van 35 chalets (woningen) vermenigvuldigd met 3 vervuilingseenheden, overweegt het hof als volgt. Voor het vaststellen van de aanslag is de heffingsambtenaar uitgegaan van 90,7 vervuilingseenheden. De berekening van belanghebbende leidt tot 105 vervuilingseenheden. Nu de berekening van belanghebbende leidt tot een hoger aantal vervuilingseenheden dan waarvan bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan, kan de stelling van belanghebbende – wat daar overigens ook van zij – haar niet in een betere positie brengen. Het hof zal daarom aan deze stelling voorbij gaan. 4.9. Met betrekking tot het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet gesteld ten opzichte van wie of waarom sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof zal deze beroepsgrond dan ook verwerpen. 4.10. De slotsom is dat de aanslag zuiveringsheffing terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Toeristenbelasting 2022 (zaaknummer 24/1719) 4.11. Op grond van artikel 224 Gemeentewet zijn gemeenten bevoegd een toeristenbelasting te heffen ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven. In artikel 2 Verordening verblijfsbelasting Peel en Maas 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald: “Onder de naam ‘verblijfsbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor: 1. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven; 2. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.” In artikel 5 Verordening is bepaald dat de belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. 4.12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, in weerwil van het in de aangifte genoemde aantal overnachtingen, moet worden uitgegaan van een lager aantal overnachtingen, omdat: - het park in 2022 nog niet volledig in bedrijf was; - in het totaal van de overnachtingen ook overnachtingen zijn begrepen van personen die ingeschreven hadden moeten worden in de BRP (vanwege verblijf langer dan 4 maanden), maar die ten onrechte niet zijn ingeschreven vanwege de omstandigheid dat (i) de gemeente in 2022 niet langs kwam op het park om de arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP, en (ii) het niet mogelijk was om een inschrijving in de BRP te doen plaatsvinden bij het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen. De heffingsambtenaar heeft onder meer gesteld dat in 2022 geen sprake is geweest van sluiting van het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen en dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis gedurende het gehele jaar 2022 mogelijk was. 4.13. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om uit te gaan van een lager aantal overnachtingen dan waarvan in (de aangifte en) de aanslag is uitgegaan. De enkele stelling, dat het park nog niet volledig in bedrijf was, is daarvoor onvoldoende. Verder staat vast dat in het jaar 2022 geen van de arbeidsmigranten als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP was ingeschreven. Derhalve is terecht uitgegaan van het totaal aantal overnachtingen van alle (niet in de BRP ingeschreven) arbeidsmigranten. Belanghebbende heeft zijn stelling dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis in 2022 niet mogelijk was, gelet op de betwisting door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt. De gevolgen van het feit dat in 2022 geen van de arbeidsmigranten is ingeschreven in de BRP komen voor rekening en risico van belanghebbende. De omstandigheid dat de gemeente in andere jaren langskwam op het park (en op andere parken) om arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP doet hier niet aan af. 4.14. Belanghebbende heeft nog gesteld dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat er in 2022 gemeenten zijn geweest die (i) vanwege de coronamaatregelen geen toeristenbelasting hebben geheven, (ii) een korting hebben verleend voor de toeristenbelasting of (iii) door de (rijks)overheid zijn gecompenseerd voor lagere inkomsten uit de toeristenbelasting. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is de gemeente Peel en Maas niet gebonden aan wat andere gemeenten of de (rijks)overheid bepalen of beslissen met betrekking tot de (verordening inzake de) heffing (en inning) van toeristenbelasting. Er is dan ook geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. 4.15. Al hetgeen belanghebbende verder nog heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De aanslag toeristenbelasting is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Tussenconclusie 4.16. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.17. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.18. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx M.H. van Schaik Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.