Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-04
ECLI:NL:GHSHE:2026:597
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,113 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:597 text/xml public 2026-03-31T16:12:24 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/939 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:3123, Bekrachtiging/bevestiging Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 45aa Algemene wet bestuursrecht 6:9 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:597 text/html public 2026-03-31T14:58:40 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:597 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/939 Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV– en Zvw–2014. De inspecteur heeft dat verzoek afgewezen omdat hij het verzoek heeft ontvangen na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Het hof oordeelt dat het verzoek te laat is ontvangen door de inspecteur, dat artikel 6:9, lid 2, Awb op het verzoek niet van toepassing is en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/939 en 24/940 Uitspraak op het hoger beroep van de erven van [belanghebbende] (hierna gezamenlijk: belanghebbende), [belanghebbende] (hierna: erflater) laatstelijk wonend in [plaats] , namens belanghebbende: [executeur] als executeur–testamentair (hierna: executeur), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 mei 2024, nummers BRE 22/1874 en 22/1877, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2014. Daarbij is bij beschikking een boete vastgesteld en belastingrente berekend. Tevens heeft de inspecteur een aanslag premie Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd voor het jaar 2014 en daarbij middels een beschikking belastingrente berekend. 1.2. Erflater heeft de inspecteur verzocht de ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw (onderdeel 1.1) te verminderen (hierna: het verzoek ambtshalve vermindering 2014). 1.3. De inspecteur heeft het verzoek ambtshalve vermindering 2014 afgewezen. 1.4. Erflater heeft tegen deze afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Lopende het beroep bij de rechtbank heeft de inspecteur de boetebeschikking (onderdeel 1.1) verminderd naar nihil. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding, een vergoeding van het griffierecht en – wegens overschrijding van de redelijke termijn – een vergoeding van immateriële schade toegekend. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft belanghebbende stukken overgelegd aan het hof die door de griffier zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Met kennisgeving aan het hof zijn de executeur en de inspecteur niet verschenen. Op de zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaaknummers 24/939 en 24/940. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. De inspecteur heeft erflater op 28 februari 2015, 16 juni 2015 en 22 september 2015 respectievelijk uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2014. Erflater heeft geen aangifte IB/PVV 2014 ingediend. De inspecteur heeft daarop de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2014 ambtshalve vastgesteld en tegelijkertijd de in onderdeel 1.1 genoemde boete– en rentebeschikkingen vastgesteld. 2.2. De gemachtigde van erflater (thans de executeur) heeft de inspecteur middels een brief, gedateerd 30 december 2019, verzocht de ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw te verminderen (het verzoek ambtshalve vermindering 2014). De envelop waarin het verzoek ambtshalve vermindering 2014 naar de inspecteur is gestuurd, is door PostNL voorzien van een poststempel met datum 31 december 2019. Het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is door de inspecteur ontvangen op 2 januari 2020. 2.3. De inspecteur heeft de gemachtigde op 16 januari 2020 en 18 februari 2020 verzocht het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te motiveren. Op 2 maart 2020 motiveert de gemachtigde het verzoek ambtshalve vermindering 2014 door overlegging van een resultatenrekening over het jaar 2014 betreffende erflater h.o.d.n. [naam] . 2.4. In zijn brief van 5 maart 2020 meldt de inspecteur aan de gemachtigde dat de inspecteur voornemens is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 af te wijzen, omdat het niet tijdig is ingediend. Ook vraagt de inspecteur aan erflater en de gemachtigde om te motiveren waarom eerst per 31 december 2019 het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is gedaan. Op 16 maart 2020 dient de gemachtigde een aangifte IB/PVV voor 2014 op naam van erflater in. 2.5. Na uitwisseling van diverse e–mails en brieven wijst de inspecteur op 22 mei 2020 het verzoek ambtshalve vermindering 2014 af, omdat het niet tijdig is ontvangen. 2.6. Het tegen de afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 gerichte bezwaar is door de inspecteur bij brief van 17 februari 2022 ongegrond verklaard, overwegende dat: Het verzoek ambtshalve vermindering 2014, gelet op de poststempel op de envelop en de datum van ontvangst door de inspecteur, niet tijdig is ontvangen door de inspecteur; Niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar is de gemachtigde door de inspecteur gehoord. 2.7. Erflater is op of omstreeks [datum] 2022 overleden. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 ten onrechte afgewezen? II. Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld? 3.2. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en concludeert enerzijds tot terugwijzing naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 en anderzijds tot een hogere proceskostenvergoeding in verband met het beroep in eerste aanleg. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende is van mening dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 tijdig is gedaan. Tijdigheid van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 4.2.1. Artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 luidt in onderhavig jaar: ‘1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel. 2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. 3. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de belastingaanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, alsmede de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de belastingaanslag.’ Op grond van het bepaalde in artikel 49, lid 3, Zvw geldt het bepaalde in artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 ook ten aanzien van aanslagen Zvw. Artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001) bepaalt, voor zover van belang, in onderhavig jaar het volgende: ‘De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij: a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft; (…)’ 4.2.2.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:597 text/xml public 2026-04-01T15:48:54 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-04 24/939 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:3123, Bekrachtiging/bevestiging Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 45aa Algemene wet bestuursrecht 6:9 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026040106 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:597 text/html public 2026-03-31T14:58:40 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:597 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-03-2026 / 24/939 Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV– en Zvw–2014. De inspecteur heeft dat verzoek afgewezen omdat hij het verzoek heeft ontvangen na afloop van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Het hof oordeelt dat het verzoek te laat is ontvangen door de inspecteur, dat artikel 6:9, lid 2, Awb op het verzoek niet van toepassing is en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/939 en 24/940 Uitspraak op het hoger beroep van de erven van [belanghebbende] (hierna gezamenlijk: belanghebbende), [belanghebbende] (hierna: erflater) laatstelijk wonend in [plaats] , namens belanghebbende: [executeur] als executeur–testamentair (hierna: executeur), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 mei 2024, nummers BRE 22/1874 en 22/1877, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2014. Daarbij is bij beschikking een boete vastgesteld en belastingrente berekend. Tevens heeft de inspecteur een aanslag premie Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd voor het jaar 2014 en daarbij middels een beschikking belastingrente berekend. 1.2. Erflater heeft de inspecteur verzocht de ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw (onderdeel 1.1) te verminderen (hierna: het verzoek ambtshalve vermindering 2014). 1.3. De inspecteur heeft het verzoek ambtshalve vermindering 2014 afgewezen. 1.4. Erflater heeft tegen deze afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Lopende het beroep bij de rechtbank heeft de inspecteur de boetebeschikking (onderdeel 1.1) verminderd naar nihil. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding, een vergoeding van het griffierecht en – wegens overschrijding van de redelijke termijn – een vergoeding van immateriële schade toegekend. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft belanghebbende stukken overgelegd aan het hof die door de griffier zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Met kennisgeving aan het hof zijn de executeur en de inspecteur niet verschenen. Op de zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaaknummers 24/939 en 24/940. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. De inspecteur heeft erflater op 28 februari 2015, 16 juni 2015 en 22 september 2015 respectievelijk uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2014. Erflater heeft geen aangifte IB/PVV 2014 ingediend. De inspecteur heeft daarop de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2014 ambtshalve vastgesteld en tegelijkertijd de in onderdeel 1.1 genoemde boete– en rentebeschikkingen vastgesteld. 2.2. De gemachtigde van erflater (thans de executeur) heeft de inspecteur middels een brief, gedateerd 30 december 2019, verzocht de ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zvw te verminderen (het verzoek ambtshalve vermindering 2014). De envelop waarin het verzoek ambtshalve vermindering 2014 naar de inspecteur is gestuurd, is door PostNL voorzien van een poststempel met datum 31 december 2019. Het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is door de inspecteur ontvangen op 2 januari 2020. 2.3. De inspecteur heeft de gemachtigde op 16 januari 2020 en 18 februari 2020 verzocht het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te motiveren. Op 2 maart 2020 motiveert de gemachtigde het verzoek ambtshalve vermindering 2014 door overlegging van een resultatenrekening over het jaar 2014 betreffende erflater h.o.d.n. [naam] . 2.4. In zijn brief van 5 maart 2020 meldt de inspecteur aan de gemachtigde dat de inspecteur voornemens is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 af te wijzen, omdat het niet tijdig is ingediend. Ook vraagt de inspecteur aan erflater en de gemachtigde om te motiveren waarom eerst per 31 december 2019 het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is gedaan. Op 16 maart 2020 dient de gemachtigde een aangifte IB/PVV voor 2014 op naam van erflater in. 2.5. Na uitwisseling van diverse e–mails en brieven wijst de inspecteur op 22 mei 2020 het verzoek ambtshalve vermindering 2014 af, omdat het niet tijdig is ontvangen. 2.6. Het tegen de afwijzing van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 gerichte bezwaar is door de inspecteur bij brief van 17 februari 2022 ongegrond verklaard, overwegende dat: Het verzoek ambtshalve vermindering 2014, gelet op de poststempel op de envelop en de datum van ontvangst door de inspecteur, niet tijdig is ontvangen door de inspecteur; Niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar is de gemachtigde door de inspecteur gehoord. 2.7. Erflater is op of omstreeks [datum] 2022 overleden. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 ten onrechte afgewezen? II. Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld? 3.2. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en concludeert enerzijds tot terugwijzing naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 en anderzijds tot een hogere proceskostenvergoeding in verband met het beroep in eerste aanleg. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende is van mening dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 tijdig is gedaan. Tijdigheid van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 4.2.1. Artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 luidt in onderhavig jaar: ‘1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel. 2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. 3. Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de belastingaanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, alsmede de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de belastingaanslag.’ Op grond van het bepaalde in artikel 49, lid 3, Zvw geldt het bepaalde in artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 ook ten aanzien van aanslagen Zvw. Artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001) bepaalt, voor zover van belang, in onderhavig jaar het volgende: ‘De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij: a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft; (…)’ 4.2.2.
Volledig
Voor de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 is 31 december 2019 de laatste dag van de in artikel 45aa, letter a, URIB 2001 genoemde vijfjaarstermijn. Niet gesteld is dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 de inspecteur uiterlijk op 31 december 2019 heeft bereikt. Het hof leidt voorts uit de stukken af – en neemt dit hierna als uitgangspunt – dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 de inspecteur pas na 31 december 2019 heeft bereikt (zie ook onderdeel 2.2). Daarvan uitgaande is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te laat door de inspecteur ontvangen. 4.2.3. Belanghebbende heeft zich beroepen op de zogenoemde gemitigeerde verzendtheorie, die is neergelegd in artikel 6:9, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat artikel is bepaald dat een per post verzonden bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, als dat bezwaar- of beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd én niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.2.4. Naar het oordeel van het hof bepaalt geen wettelijke bepaling of andere rechtsregel dat de gemitigeerde verzendtheorie van artikel 6:9, lid 2, Awb van (overeenkomstige) toepassing is op een verzoek ambtshalve vermindering zoals het onderhavige. Belanghebbendes stelling dienaangaande faalt. Verschoonbare termijnoverschrijding 4.3.1. Artikel 60 Algemene wet rijksbelastingen (AWR) luidt als volgt: ‘Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift is artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.’ 4.3.2. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2019 volgt dat een verzoek om ambtshalve vermindering kwalificeert als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR en dat het bepaalde in artikel 6:11 Awb daarom van toepassing is op een verzoek om ambtshalve vermindering. Uitgaande van het oordeel van het hof dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te laat is ontvangen door de inspecteur, dient de inspecteur dit (te late) verzoek toch inhoudelijk in behandeling te nemen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is, dus wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat erflater in verzuim is geweest ten aanzien van de te late ontvangst. 4.3.3. Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat in onderhavig geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als hiervoor bedoeld, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 april 2021. De executeur heeft in dit kader kopieën van (Whatsapp–)berichtenverkeer tussen erflater en hemzelf overgelegd, daterend uit de periode 1 juni 2015 tot en met 23 december 2017, waaruit volgens de executeur volgt dat erflater financiële en ernstige medische en psychologische problemen had en zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Het hof begrijpt belanghebbendes stelling aldus dat de te late ontvangst door de inspecteur van het verzoek ambtshalve vermindering 2014, erflater niet kan worden verweten gelet op genoemde problemen en zelfmoordpogingen. 4.3.4. Met hetgeen is gesteld en overgelegd maakt belanghebbende niet aannemelijk dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat erflater in verzuim is geweest ten aanzien van de te late ontvangst. Uit hetgeen door belanghebbende is gesteld en overgelegd volgt niet dat erflater eind 2019 in financiële en ernstige medische en psychologische problemen verkeerde. Ook volgt daaruit niet dat erflater en/of de destijds als gemachtigde handelende executeur niet in de gelegenheid zijn geweest om het verzoek ambtshalve vermindering 2014 eerder dan 31 december 2019 naar de inspecteur te sturen. 4.3.5. Uit het hiervoor genoemde (Whatsapp–)berichtenverkeer volgt dat in de in onderdeel 4.3.3 genoemde periode er frequent en veelvuldig contact (mogelijk) was tussen erflater en de destijds als gemachtigde handelende executeur. Gesteld noch gebleken is dat dit contact in december 2019 niet heeft plaatsgehad dan wel onmogelijk was. Belanghebbende heeft ook geen enkele reden gegeven waarom het verzoek ambtshalve vermindering 2014 pas op 31 december 2019 is verstuurd. 4.3.6. Ter zitting van de rechtbank heeft de executeur verklaard: ‘Indien ik had geweten dat de datum van terpostbezorging van het verzoek om ambtshalve vermindering tot deze gevolgen zou leiden, dan zou ik het verzoek eerder ter post hebben bezorgd.’ Het hof leidt hieruit af dat voor erflater, althans zijn gemachtigde wel degelijk de mogelijkheid bestond om het verzoek ambtshalve vermindering 2014 eerder dan 31 december 2019 ter post te (laten) bezorgen. Dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 desondanks op 31 december 2019 – zijnde de laatste dag van de in artikel 45aa URIB 2001 genoemde termijn – naar de inspecteur is gestuurd, en daardoor pas na 31 december 2019 door de inspecteur is ontvangen, dient voor rekening en risico van belanghebbende te blijven. 4.3.7. Ten slotte ziet het hof, mede gelet op het voorgaande en omdat erflater ter zake van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is bijgestaan door een professioneel opererend gemachtigde, geen aanleiding om hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 19 april 2024 van overeenkomstige toepassing te achten op een verzoek ambtshalve vermindering zoals het onderhavige. 4.3.8. Het hof concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hof beantwoordt geschilvraag I ontkennend. Hoogte proceskostenvergoeding 4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld, mede gelet op het gegeven dat de rechtbank in eerste instantie het procesdossier is kwijtgeraakt. 4.4.2. De rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend, omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding bepaald op 1 punt x € 875 x 0,25 (wegingsfactor) is € 218,75. 4.4.3. Belanghebbende motiveert – anders dan met de verwijzing naar het kwijtraken door de rechtbank van het procesdossier – niet waarom de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is. Belanghebbende motiveert evenmin waarom het gegeven, dat de rechtbank het procesdossier volgens belanghebbende is kwijtgeraakt, moet leiden tot een hogere proceskostenvergoeding. Gesteld noch gebleken is dat dit kwijtraken – verondersteld dat wat belanghebbende in dit kader stelt juist is – heeft geleid tot (extra) kosten aan de zijde van belanghebbende. Daar komt bij dat het beroep door de rechtbank ongegrond is verklaard en dat belanghebbende enkel wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, leidend tot een vergoeding voor immateriële schade, een proceskostenvergoeding toegewezen heeft gekregen. Met andere woorden: het (initieel) kwijtgeraakte procesdossier heeft niet geleid tot genoemde proceskostenvergoeding. 4.4.4. Het hof verwijst in dit kader naar de bijlage bij zijn uitspraak van 7 augustus 2024 en naar r.o. 6.2 in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof de proceskostenvergoeding niet te laag vastgesteld en beantwoordt hij geschilvraag II ontkennend. Tussenconclusie 4.5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.6. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.7. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, A. Muller E.P.A.
Volledig
Voor de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 is 31 december 2019 de laatste dag van de in artikel 45aa, letter a, URIB 2001 genoemde vijfjaarstermijn. Niet gesteld is dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 de inspecteur uiterlijk op 31 december 2019 heeft bereikt. Het hof leidt voorts uit de stukken af – en neemt dit hierna als uitgangspunt – dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 de inspecteur pas na 31 december 2019 heeft bereikt (zie ook onderdeel 2.2). Daarvan uitgaande is het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te laat door de inspecteur ontvangen. 4.2.3. Belanghebbende heeft zich beroepen op de zogenoemde gemitigeerde verzendtheorie, die is neergelegd in artikel 6:9, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat artikel is bepaald dat een per post verzonden bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, als dat bezwaar- of beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd én niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.2.4. Naar het oordeel van het hof bepaalt geen wettelijke bepaling of andere rechtsregel dat de gemitigeerde verzendtheorie van artikel 6:9, lid 2, Awb van (overeenkomstige) toepassing is op een verzoek ambtshalve vermindering zoals het onderhavige. Belanghebbendes stelling dienaangaande faalt. Verschoonbare termijnoverschrijding 4.3.1. Artikel 60 Algemene wet rijksbelastingen (AWR) luidt als volgt: ‘Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift is artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.’ 4.3.2. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2019 volgt dat een verzoek om ambtshalve vermindering kwalificeert als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 AWR en dat het bepaalde in artikel 6:11 Awb daarom van toepassing is op een verzoek om ambtshalve vermindering. Uitgaande van het oordeel van het hof dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 te laat is ontvangen door de inspecteur, dient de inspecteur dit (te late) verzoek toch inhoudelijk in behandeling te nemen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is, dus wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat erflater in verzuim is geweest ten aanzien van de te late ontvangst. 4.3.3. Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat in onderhavig geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als hiervoor bedoeld, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 april 2021. De executeur heeft in dit kader kopieën van (Whatsapp–)berichtenverkeer tussen erflater en hemzelf overgelegd, daterend uit de periode 1 juni 2015 tot en met 23 december 2017, waaruit volgens de executeur volgt dat erflater financiële en ernstige medische en psychologische problemen had en zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Het hof begrijpt belanghebbendes stelling aldus dat de te late ontvangst door de inspecteur van het verzoek ambtshalve vermindering 2014, erflater niet kan worden verweten gelet op genoemde problemen en zelfmoordpogingen. 4.3.4. Met hetgeen is gesteld en overgelegd maakt belanghebbende niet aannemelijk dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat erflater in verzuim is geweest ten aanzien van de te late ontvangst. Uit hetgeen door belanghebbende is gesteld en overgelegd volgt niet dat erflater eind 2019 in financiële en ernstige medische en psychologische problemen verkeerde. Ook volgt daaruit niet dat erflater en/of de destijds als gemachtigde handelende executeur niet in de gelegenheid zijn geweest om het verzoek ambtshalve vermindering 2014 eerder dan 31 december 2019 naar de inspecteur te sturen. 4.3.5. Uit het hiervoor genoemde (Whatsapp–)berichtenverkeer volgt dat in de in onderdeel 4.3.3 genoemde periode er frequent en veelvuldig contact (mogelijk) was tussen erflater en de destijds als gemachtigde handelende executeur. Gesteld noch gebleken is dat dit contact in december 2019 niet heeft plaatsgehad dan wel onmogelijk was. Belanghebbende heeft ook geen enkele reden gegeven waarom het verzoek ambtshalve vermindering 2014 pas op 31 december 2019 is verstuurd. 4.3.6. Ter zitting van de rechtbank heeft de executeur verklaard: ‘Indien ik had geweten dat de datum van terpostbezorging van het verzoek om ambtshalve vermindering tot deze gevolgen zou leiden, dan zou ik het verzoek eerder ter post hebben bezorgd.’ Het hof leidt hieruit af dat voor erflater, althans zijn gemachtigde wel degelijk de mogelijkheid bestond om het verzoek ambtshalve vermindering 2014 eerder dan 31 december 2019 ter post te (laten) bezorgen. Dat het verzoek ambtshalve vermindering 2014 desondanks op 31 december 2019 – zijnde de laatste dag van de in artikel 45aa URIB 2001 genoemde termijn – naar de inspecteur is gestuurd, en daardoor pas na 31 december 2019 door de inspecteur is ontvangen, dient voor rekening en risico van belanghebbende te blijven. 4.3.7. Ten slotte ziet het hof, mede gelet op het voorgaande en omdat erflater ter zake van het verzoek ambtshalve vermindering 2014 is bijgestaan door een professioneel opererend gemachtigde, geen aanleiding om hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 19 april 2024 van overeenkomstige toepassing te achten op een verzoek ambtshalve vermindering zoals het onderhavige. 4.3.8. Het hof concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hof beantwoordt geschilvraag I ontkennend. Hoogte proceskostenvergoeding 4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld, mede gelet op het gegeven dat de rechtbank in eerste instantie het procesdossier is kwijtgeraakt. 4.4.2. De rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend, omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade door de rechtbank is toegewezen. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding bepaald op 1 punt x € 875 x 0,25 (wegingsfactor) is € 218,75. 4.4.3. Belanghebbende motiveert – anders dan met de verwijzing naar het kwijtraken door de rechtbank van het procesdossier – niet waarom de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding te laag is. Belanghebbende motiveert evenmin waarom het gegeven, dat de rechtbank het procesdossier volgens belanghebbende is kwijtgeraakt, moet leiden tot een hogere proceskostenvergoeding. Gesteld noch gebleken is dat dit kwijtraken – verondersteld dat wat belanghebbende in dit kader stelt juist is – heeft geleid tot (extra) kosten aan de zijde van belanghebbende. Daar komt bij dat het beroep door de rechtbank ongegrond is verklaard en dat belanghebbende enkel wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, leidend tot een vergoeding voor immateriële schade, een proceskostenvergoeding toegewezen heeft gekregen. Met andere woorden: het (initieel) kwijtgeraakte procesdossier heeft niet geleid tot genoemde proceskostenvergoeding. 4.4.4. Het hof verwijst in dit kader naar de bijlage bij zijn uitspraak van 7 augustus 2024 en naar r.o. 6.2 in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof de proceskostenvergoeding niet te laag vastgesteld en beantwoordt hij geschilvraag II ontkennend. Tussenconclusie 4.5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.6. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.7. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, A. Muller E.P.A.