Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-03
ECLI:NL:GHSHE:2026:574
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.340.807/01 arrest van 3 maart 2026 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul, tegen [appellante] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. R. Gijsen te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [appellante] als eiseres. 1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 10578555 \ CV EXPL 23-2699) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de door [appellante] genomen memorie van grieven in principaal hoger beroep met productie 1; de door [appellante] genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende een vermeerdering van eis, met producties A tot en met H; de door [appellante] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; de door [appellante] genomen akte met producties I en J; de door [appellante] genomen antwoordakte. [appellante] heeft vervolgens haar procesdossier overgelegd aan het hof, terwijl [appellante] geen procesdossier heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof merkt daar het volgende bij op. Volgens blz. 1 onderaan van het proces-verbaal van de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [appellante] daar melding gemaakt van door hem op 7 november 2023 ingediende stukken. De kantonrechter heeft toen opgemerkt dat die stukken niet in het dossier zitten, waarop de gemachtigde van [appellante] heeft meegedeeld dat de stukken door [appellante] zijn ingediend als conclusie van repliek terwijl geen gelegenheid was geboden voor het nemen van een conclusie van repliek. Uit onderdeel 1 van het vonnis blijkt niet dat deze stukken alsnog zijn toegelaten. Het hof gaat er daarom vanuit dat de betreffende stukken niet tot de gedingstukken van het geding bij de kantonrechter behoren. Naar het hof begrijpt, is de betreffende conclusie van repliek met producties 5 tot en met 21 wel overgelegd als productie B bij de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. Van de genoemde producties 5 tot en met 21 ontbreekt in het aan het hof overgelegde exemplaar echter productie 19, zodat het hof op die productie geen acht heeft kunnen slaan. Bovenaan blz. 2 van het proces-verbaal van de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [appellante] melding gemaakt van een productie 18, waaruit nog bepaalde door [appellante] verrichte betalingen zouden blijken (over september 2023 en oktober 2023). De gemachtigde van [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het indienen van deze stukken. Uit onderdeel 1 van het vonnis blijkt echter niet dat de kantonrechter de stukken heeft toegelaten. Het hof heeft de stukken ook niet in het dossier aangetroffen, en daar dus geen acht op kunnen slaan. 3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep De vaststaande feiten en de kern van het geschil 3.1.1. Het gaat in dit hoger beroep naar de kern genomen om de vraag of [appellante] als huurster van een woning van [appellante] zodanig tekort geschoten is in de nakoming van haar betalingsverplichtingen, dat de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling t Deze opzegging vindt plaats op de volgende grond(en): Einde overeenkomst in zake huurachterstand van meer dan 3 maanden, en opkomende kosten van buiten gerechtelijke aard en wettelijke rente; U reeds 96 maanden huurt van verhuurder en 41 maanden niet tijdig, te weinig, of niet betaald uw huurpenningen; U het gehuurde niet goed onderhoud, ondanks meerdere aanzeggingen: U de service medewerkers niet binnen laat ter onderhoud van het gehuurde, ondanks de vele afspraken daartoe; U reeds ten zoveelste maal een betalingsregeling niet bent nagekomen; U reeds meerdere malen te hebben aangegeven dat U een forse achterstand heeft in de huur penningen, zie brieven van [xx] vastgoedbeheer, en apps/mails van verhuurder; U thans verschuldigd bent het bedrag van € 2830,00 zijnde de huur maanden oktober 2022, februari 2023, maart 2023, te termijnen in november en december 2022 te weinig overgemaakt; (…) Indien U het bedrag van de huurpenningen en achterstallige betalingen niet voldoet binnen 7 werkdagen na heden een gerechtelijke procedure zal worden geëntameerd ten einde U bij vonnis uit het gehuurde te laten zetten desnoods met behulp van de deurwaarder; (…) Te betalen achterstallig € 2830,00 Huur april 2023 930,00 Totaal € 3760.00 Incasso kosten 501,00 BTIW over incassokosten 21% 105,21 Totaal te betalen € 4366,21 ” - h. [appellante] is niet akkoord gegaan met de huuropzegging. Het geding bij de kantonrechter 3.2.1. In het geding bij de kantonrechter vorderde [appellante] , samengevat en met een door het hof toegevoegde letteraanduiding: A. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 3.438,21 aan achterstallige huur over de periode tot en met mei 2023, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2023; B. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 930,-- per maand ter zake huur of gebruikersvergoeding vanaf mei 2023 tot het tijdstip van de ontruiming, waarbij een ingegane maand als hele maand moet worden gerekend; C. ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst; D. veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde met machtiging van [appellante] om, indien [appellante] daarmee in gebreke mocht blijven, de ontruiming zelf op kosten van [appellante] te doen uitvoeten; met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De door [appellante] onder A gevorderde hoofdsom van € 3.438,21 bestaat uit € 4.690,-- aan achterstallige huur over de periode tot en met mei 2023, vermeerderd met € 501,-- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten en € 105,21 aan btw over de buitengerechtelijke kosten, en vervolgens verminderd met het voor betekening van de dagvaarding nog betaalde bedrag van € 1.860,--. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellante] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] is in meerdere opzichten toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door: een huurachterstand te laten ontstaan en de huur meermaals te laat te betalen; het gehuurde niet goed te onderhouden; servicemedewerkers niet binnen te laten; betalingsregelingen niet na te komen. Daarom is ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd. 3.2.3. [appellante] heeft erkend dat sprake is van een huurachterstand en dat zij de huur regelmatig te laat heeft betaald. Zij heeft echter de gestelde hoogte van de huurachterstand betwist en ook de overige gestelde tekortkomingen betwist. 3.2.4. In het geding bij de kantonrechter heeft op 21 november 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt. 3.2.5. In het beroepen vonnis van 17 januari 2024 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld. Ten tijde van de inleidende dagvaarding (hof: van 14 juni 2023) bedroeg de huurachterstand € 2.830,-- (€ 4.690,-- min € 1.860,--). Dat is iets meer dan drie maanden huur. Ten tijde van de mondelinge behandelin [appellante] heeft voorts in incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. [appellante] heeft daarnaast haar eis vermeerderd. Zij vordert nu, naast bekrachtiging van het beroepen vonnis, veroordeling van [appellante] tot betaling van: € 3.770,-- aan achterstallige huur over de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024; € 3.916,89 aan kosten van herstel van schade aan de woning; € 156,70 voor het ontstoppen van een regenpijp van de woning; € 606,21 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten. met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente. 3.4.3. De eiswijziging heeft tijdig plaatsgevonden en is toelaatbaar. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis. 3.4.4. [appellante] heeft de grieven in incidenteel hoger beroep en de gewijzigde eis bestreden. Zij heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot, kort gezegd, verwerping van de grieven in incidenteel hoger beroep en afwijzing van alle onderdelen van de eisvermeerdering, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep. Over het belang van [appellante] bij het principaal hoger beroep 3.5.1. [appellante] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vordering van [appellante] tot veroordeling van [appellante] om aan [appellante] alles terug te betalen dat [appellante] op grond van het beroepen vonnis aan [appellante] heeft betaald, neerkomt op een eis in reconventie die niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Volgens [appellante] brengt dat mee dat [appellante] geen belang heeft bij haar principaal hoger beroep en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 3.5.2. Het hof verwerpt dat betoog. De vordering van [appellante] tot veroordeling van [appellante] om aan [appellante] alles terug te betalen dat [appellante] op grond van het beroepen vonnis aan [appellante] heeft betaald, is geen eis in reconventie maar een toelaatbaar uitvloeisel van het door [appellante] ingestelde principaal hoger beroep. [appellante] heeft dus wel belang bij beoordeling van haar hoger beroep. 3.5.3. [appellante] heeft bovendien een belang bij beoordeling van haar grieven tegen de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde. Dat de ontruiming van de woning inmiddels heeft plaatsgevonden, neemt het belang bij beoordeling van de grieven niet weg. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellante] weliswaar een andere woning heeft kunnen huren maar dat zij heeft gesteld dat het gedwongen vertrek uit het gehuurde en de gedwongen verhuizing voor haar kosten hebben meegebracht. Over: grief I in principaal hoger beroep: de hoogte van de huurachterstand het onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op de huurachterstand 3.6.1. Grief I in principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurachterstand over de periode tot en met oktober 2023 ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 november 2023 € 2.580,-- bedroeg. Volgens [appellante] is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op de door [appellante] bij de conclusie van antwoord van 30 augustus 2023 overgelegde betaalbewijzen en gelet op het feit dat volgens het proces-verbaal van de bij de kantonrechter op 21 november 2023 gehouden mondelinge behandeling ook de maanden september en oktober 2023 al waren betaald (blz. 2 bovenaan van het proces-verbaal). 3.6.2. [appellante] heeft in (incidenteel) hoger beroep haar vordering met betrekking tot de achterstallige huur vermeerderd, althans gewijzigd. Zij vordert nu ter zake achterstallige huur over de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024 een totaalbedrag van € 3.770,--. In bijlage A bij de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende de eisvermeerdering, heeft [appellante] uiteengezet hoe zij tot dat bedrag is gekomen. 3.6.3. Naar het hof begrijpt komt deze gewijzigde eis in de plaats [appellante] heeft als productie 2 bij de conclusie van antwoord een aantal bankoverschrijvingen overgelegd waaruit de volgende betalingen van [appellante] aan [appellante] (verricht vóór het nemen van de conclusie van antwoord) blijken: Datum betaling Bedrag Omschrijving 26 november 2022 € 850,-- huur nov 2022 20 december 2022 € 850,-- huur dec 2022 23 januari 2023 € 920,-- huur jan 23 24 januari 2023 € 10,-- restant huur jan 2023 23 maart 2023 € 930,-- huur maart 2023 20 april 2023 € 930,-- huur april 23 mei 2023 € 930,-- huur 2023 23 juni 2023 € 930,-- huur 21 juli 2023 € 930,-- huur Aug 21 juli 2023 € 100,-- achterstand huur oktober 2022 Verder blijken uit die bankafschrijvingen de volgende betalingen van [appellante] (kennelijk in mindering op de huur over oktober 2022) aan de door [appellante] ingeschakelde deurwaarder Datum betaling Bedrag Omschrijving 1 maart 2023 € 100,-- (hier is een uitgebreid nummer weergegeven) 2 april 2023 € 100,-- (hier is een uitgebreid nummer weergegeven) 3.7.4. [appellante] heeft als productie 1 bij de memorie van grieven in principaal hoger beroep een aantal bankafschriften overgelegd waaruit de volgende betalingen van [appellante] aan [appellante] (op één na verricht na de op 21 november 2023 bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling) blijken: Datum betaling Bedrag Omschrijving 20 november 2023 € 50,-- betalingsregeling bedrag nov 23 november 2023 € 930,-- huur dec 18 december 2023 € 930,-- huur Jan 2024 27 december 2023 € 50,-- regeling bedrag 22 januari 2024 € 90,-- restant Huur Jan 24 + restant aflossing 23 januari 2024 € 970,-- huur februari 24 23 januari 2024 € 100,-- betalings regeling 20 februari 2024 € 500,-- regeling bedrag 23 februari 2024 € 970,-- huur maart 2024 22 maart 2024 € 500,-- betalings regeling 29 maart 2024 € 970,-- huur april 2024 3.7.5. Ter zake de periode tussen de conclusie van antwoord en de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft [appellante] (afgezien van het bankafschrift van 20 november 2023) geen bankafschriften overgelegd. Bovenaan bladzijde 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2023 is echter als mededeling van de gemachtigde van [appellante] vermeld dat de maanden september en oktober (hof: kennelijk van 2023) volledig betaald zijn. Dienovereenkomstig staat in de derde volzin van rov. 4.1 van het beroepen vonnis onder meer: “Op het moment van de mondelinge behandeling was de huur over september en oktober betaald, (…)” . [appellante] heeft zich hier op beroepen in de toelichting op grief I in principaal hoger. 3.7.6. [appellante] heeft daarover echter een ander standpunt ingenomen. Zij beroept zich op een door haar in hoger beroep als productie A overgelegd overzicht van de door [appellante] in de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024 verschuldigde huur en van de in mindering daarop door [appellante] verrichte betalingen. Op dat overzicht staan, naast de betalingen waarvan [appellante] bankafschriften heeft overgelegd: een door [appellante] aan de maand augustus 2023 toegerekende betaling van 29 augustus 2023 met als omschrijving “huur september (correctie in uitleg). huur altijd vooruit betaald.” ; een betaling van 2 april 2024 van € 290,-- met als omschrijving “restant achterstand huur voldaan” ; een betaling van 22 juli 2024 van € 50,-- met als omschrijving “afbetaling” . Het hof constateert dat de betaling van € 930,-- die [appellante] op 21 juli 2023 heeft gedaan onder vermelding van “huur Aug” door [appellante] kennelijk is toegerekend aan de op dat moment nog onbetaalde maand juli 2023, hetgeen het hof vooralsnog verdedigbaar acht. Dat brengt naar het voorlopig oordeel van het hof mee dat [appellante] de betaling van 29 augustus 2023 heeft mogen toerekenen aan de maand augustus 2023, die op dat moment immers nog onbetaald was. 3.7.7. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om beide partijen in de gelegenheid te stellen gelijktijdi