Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-15
ECLI:NL:GHSHE:2026:553
Parketnummer : 20-000883-24 Uitspraak : 15 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-071675-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 434.850,00 en de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft – zo begrijpt het hof – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000,00. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd van het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 434.850,00. Subsidiair, voor zover het hof aan de verdachte geen geldboete zal opleggen, heeft de advocaat-generaal tevens de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman bepleit om, anders dan de rechtbank, de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto niet verbeurd te verklaren omdat de verdachte deze auto tegen zekerheidstelling van een bedrag van € 9.000,00 heeft teruggekregen en inmiddels heeft verkocht en overgedragen aan zijn vader, zodat de verdachte bij verbeurdverklaring van de personenauto niet aan zijn verplichting tot uitlevering zal kunnen voldoen. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 6 maart 2021, te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, een voorwerp, te weten 434.850 euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die 434.850 euro, althans dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 6 maart 2021, te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten een voorwerp, te weten 434.850 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die 434.850 euro - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest. Bewijsoverwegingen Ter terechtzitti Op 6 maart 2021 heeft een observatie plaatsgevonden nadat de politie informatie had ontvangen uit een ander opsporingsonderzoek waarin cryptocommunicatie via de communicatiedienst [communicatiedienst] door de Franse autoriteiten is onderschept (het onderzoek Argus). Uit onderschepte en gedecodeerde [communicatiedienst] -chats kon worden opgemaakt dat er mogelijk een overdracht van een groot geldbedrag zou gaan plaatsvinden bij de parkeerplaats van [bedrijf 1] te Cadier en Keer, op 6 maart 2021, om 17:10 uur. Ter plaatse werd gezien dat de bestuurder van een BMW een tas in de kofferbak van een auto plaatste die werd bestuurd door de verdachte. In de auto van de verdachte, een grijze Opel Astra, werd kort daarna door de politie in twee tassen in totaal een bedrag van € 434.850,00 in contanten aangetroffen en in beslag genomen. De bestuurder van de BMW werd geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte] . Deze overdracht past naadloos in de cryptocommunicatie die is onderschept, waarin gesproken werd over een ‘drop off’ van ‘435k’. Na de overdracht werd via het betrokken [communicatiedienst] -account [accountnaam 1] aan de opdrachtgever een foto van een briefje van € 5,- gestuurd en het bericht: “done”. Voorafgaand aan de overdracht was aan de gebruiker van het account [accountnaam 1] een afbeelding gestuurd van een briefje van € 5,- met hetzelfde serienummer. Gebruiker [accountnaam 1] kondigde in het berichtenverkeer aan met een BMW te zullen komen, terwijl de ander met een grijze Astra zou komen, wat wederom overeenkomt met de observaties van de politie. De gebruiker van account [accountnaam 1] kon zo worden geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte kan worden aangemerkt als degene die het briefje van € 5,- aan de gebruiker van het account [accountnaam 1] , [medeverdachte] , heeft gegeven na ontvangst van het geld (de ‘435k’). Het gebruik van een uniek serienummer van een geldbriefje bij de overdracht van contant geld past bij het geldverkeer in criminele netwerken. Ook het gebruik van de diensten van aanbieders van cryptocommunicatie is gangbaar in die netwerken. Criminele netwerken proberen immers zoveel mogelijk te voorkomen dat hun activiteiten en geldstromen getraceerd kunnen worden en opereren zoveel mogelijk buiten het officiële bank- en geldverkeer om. Zelf moeten de netwerken wel enig zicht houden op hun transacties. Voorafgaand aan een geldoverdracht krijgt daarom de persoon die het geld overdraagt een foto van het serienummer van een bankbiljet. Ieder bankbiljet heeft een uniek serienummer. Alleen aan de persoon die in het bezit is van dit bankbiljet mag het geldbedrag worden overgedragen. Na de daadwerkelijke overdracht krijgt de persoon die het geldbedrag overdraagt het bankbiljet van degene die het geld aanneemt. Dit is het bewijs van afgifte. De feiten en omstandigheden die aldus vastgesteld kunnen worden uit het dossier in combinatie met de feiten van algemene bekendheid over criminele netwerken brengen mee dat vermoed mag worden dat het aangetroffen geld een criminele herkomst en criminele bestemming had. Dat vermoeden wordt versterkt door de omstandigheid in deze zaak dat zich niemand na de inbeslagname van het geldbedrag gemeld heeft als rechthebbende, wat wel zou mogen worden verwacht bij zo’n groot bedrag als dat een legale herkomst had. De verdachte heeft met zijn handelen het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op zich geladen. De verdachte noch medeverdachte [medeverdachte] hebben bij de politie een verklaring willen geven voor dit handelen. Bovendien blijkt uit het onderzoek naar de financiën van de verdachte en de medeverdachte dat het grote bedrag aan contanten niet verklaard kan worden uit hun traceerbare legale inkomsten. Bij die stand van zaken mag van een verdachte verwacht worden dat hij alsnog een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld toch een legale herkomst heeft, opdat het openbaar ministerie daar even Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld en dat hem eerder een onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd, maar beide keren niet voor een soortgelijk strafbaar feit. Het hof ziet geen aanleiding om die eerdere veroordelingen ten nadele van de verdachte mee te wegen bij de strafoplegging. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte een klusbedrijf heeft, dat hij vrijwilligerswerk doet als gecertificeerd voetbalcoach, dat hij bij zijn ouders woont en dat hij geen schulden heeft. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 10.000, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden. Bij de vaststelling van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 maart 2021 – vonnis wijst. Nu de rechtbank op 13 maart 2024 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met ruim 1 jaar. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 10.000 passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geldboete van € 10.000 passend is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Beslag Het geldbedrag van € 434.850,00 Het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 434.850,00, dient naar het oordeel van het hof te worden verbeurd verklaard, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan. Het geld behoort niet toe aan de verdachte, maar is gelet op artikel 33a, tweede lid onder b, van het Wetboek van Strafrecht wel vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat niet vastgesteld kan worden aan wie het geld wel toebehoort. De personenauto Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat er geen beslag meer rust op de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto, nu dat beslag i 14 juni 2021, dossierpagina 18 tot en met 29, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : De hieronder weergegeven chatgesprekken betreffen de chats tussen [communicatiedienst] -ID [accountnaam 2] en [accountnaam 1] , op 6 maart 2021 tussen 14:21:52 uur en 19:57:31 uur: Datum en tijd Zender Bericht 2021-03-06 14:47:44 [accountnaam 2] Can you drop off today? 2021-03-06 14:47:51 [accountnaam 1] Where? 2021-03-06 14:48:32 [accountnaam 2] Your place 2021-03-06 14:48:53 [accountnaam 1] Yes 2021-03-06 14:49:37 [accountnaam 2] Send me Adress 2021-03-06 14:50:06 [accountnaam 1] IMG-1615042205550 Afbeelding van Google [bedrijf 1] , [adres 2] 2021-03-06 15:21:20 [accountnaam 1] What time and amount? 2021-03-06 15:41:43 [accountnaam 2] 17:10 2021-03-06 15:41:56 [accountnaam 2] [bedrijf 1] 2021-03-06 15:42:00 [accountnaam 2] 435k 2021-03-06 15:42:31 [accountnaam 1] Bro if I drop 435k I not have money enough for Monday 2021-03-06 15:43:56 [accountnaam 1] Car details? 2021-03-06 15:51:14 [accountnaam 2] IMG-1615045874148 Afbeelding bankbiljet 5 euro, serienummer [serienummer] 2021-03-06 16:05:13 [accountnaam 2] Grey astra 2021-03-06 16:05:28 [accountnaam 2] And you? 2021-03-06 16:10:53 [accountnaam 2] Bmw? 2021-03-06 16:11:02 [accountnaam 1] Bmw 2021-03-06 16:12:14 [accountnaam 1] He arrived? 2021-03-06 16:11:56 [accountnaam 1] I think I drop him before 2021-03-06 16:12:06 [accountnaam 2] Perhaps 2021-03-06 16:12:14 [accountnaam 1] He arrived? 2021-03-06 16:12:20 [accountnaam 2] I ask 2021-03-06 16:12:28 [accountnaam 2] Later tell me [accountnaam 1] 2021-03-06 16:20:42 [accountnaam 1] Ok we together 2021-03-06 16:20:48 [accountnaam 1] Is same guy before 2021-03-06 16:21:47 [accountnaam 1] IMG-1615047706350 Afbeelding bankbiljet 5 euro, serienummer [serienummer] 2021-03-06 16:23:56 [accountnaam 1] Done 2. Het proces-verbaal van observatie, dossierpagina 31 tot en met 33, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten L119 , L115 , L191 en L121 : Wij hebben op zaterdag 6 maart 2021 tussen de tijdstippen 17:00 uur en 17:54 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht: 17:14 uur, L121 : Ik zag dat de BMW [kenteken 1] over de [locatie 1] te Cadier en Keer reed. Ik zag dat [medeverdachte] als bestuurder in de BMW [kenteken 1] zat. Ik zag dat de BMW [kenteken 1] over de parkeerplaats van de [bedrijf 1] gelegen aan de [locatie 1] te Cadier en Keer reed.Ik zag dat [medeverdachte] zijn hoofd naar links en rechts draaide wat bij mij de indruk wekte alsof [medeverdachte] iemand aan het zoeken was. Ik zag dat de BMW [kenteken 1] vervolgens de parkeerplaats van de [bedrijf 1] afreed. Tussen de tijdstippen 17:15 uur en 17:19 uur, L121 , L119 , L191 en L115 : Wij verbalisanten zagen dat de BMW [kenteken 1] met [medeverdachte] als bestuurder in de wijk rondom de [bedrijf 1] rond bleef rijden. 17:20 uur, L119 : Ik zag dat de BMW [kenteken 1] parkeerde op de [locatie 2] te Cadier en Keer voor de kruising [locatie 2] / [locatie 1] te Cadier en Keer. Ik zag dat [medeverdachte] uitstapte en vervolgens de parkeerplaats van de [bedrijf 1] opliep. 17:22 uur, L121 : Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] geparkeerd stond op de parkeerplaats van de [bedrijf 1] . Ik zag dat [medeverdachte] naar de OPEL [kenteken 2] liep en als passagier instapte. Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] wegreed in de richting van de [locatie 3] te Cadier en Keer. 17:23 uur, L191 : Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] met [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte] als passagier over de [locatie 3] te Cadier en Keer reed. 17:24 uur, L119 : Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] naast de BMW [kenteken 1] stopte. Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in de OPEL [kenteken 2] zat. Ik zag dat [medeverdachte] uitstapte en naar de achterzijde van de OPEL [kenteken 2] liep. Ik zag dat [medeverdachte] de achterklep van de OPEL [kenteken 2] opende waardoor de kofferbak toegankelijk werd. Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in Uit de op 8 maart 2021 door iCOV verstrekte gegevens blijkt, kort en zakelijk samengevat, het volgende:■ (2.2) verdachte [medeverdachte] is per 01-01-2017 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel(hierna: KVK) als bestuurder/algemeen directeur van de firma [bedrijf 2] .;■ (2.2) verdachte [medeverdachte] is per 17-10-2016 ingeschreven bij de KVK alsbestuurder/secretaris van de [vereniging] (hierna: [vereniging] );■ (3.1) de belastingconsulent over de jaren 2016 tot en met 2019 betreft [bedrijf 3][bedrijf 3] ;■ (3.2) het inkomen van verdachte [medeverdachte] , inclusief fiscaal partner, bedroeg over de jaren2016 tot en met 2019:2016 € 11.400,-2017 € 36.129,-2018 € 57.172,-2019 € 34.564,-■ (3.4) de bezittingen en schulden van verdachte [medeverdachte] bedroegen over de jaren 2016 tot en met 2019:2016 € 32.113,-2017 € 44.801,-2018 € 85.233,-2019 €133.779,-■ (8.1) verdachte [medeverdachte] ontving op 23-12-2015 van [betrokkene] , zijnde zijn moeder, een schenking van € 25.322 netto;■ (9.1.1) de banksaldi van verdachte [medeverdachte] bedroegen € 14.975,- per ultimo 2016,€ 50.087,- per ultimo 2017, € 93.270,- per ultimo 2018, € 74.113,- per ultimo 2019 en€ 62.764,- per ultimo 2020;■ (10) over het jaar 2016 werd geen loonaangifte door derden bij de Belastingdienst ingediend;■ (10) over de jaren 2017 tot en met 2020 werd een loonaangifte bij de Belastingdienst ingediend afkomstig van werkgever [bedrijf 2] , met de volgende bruto- en nettolonen:2017 € 21.847,- bruto en € 15.329,- netto2018 € 48.849,- bruto en € 33.372,- netto2019 € 49.841,- bruto en € 34.564,- netto2020 € 1.997,- bruto en € 1.017,- netto [=t/m november]■ (11.4.1) over het jaar 2016 ontving verdachte [medeverdachte] € 998,- aan zorgtoeslag, over dejaren 2017 tot en met 2019 was dit € 0,-■ (12.1) op 24-12-2020 werd op naam van verdachte [medeverdachte] een Nissan Qashqai+2, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] en met bouwjaar 2010, geregistreerd.Op 11-09-2019 werd op naam van verdachte [medeverdachte] een BMW 120D Xdrive, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] en met bouwjaar 2017, geregistreerd.■ (13.1) verdachte [medeverdachte] heeft volgens het Kadaster 100% eigendom van het object [nummer] , gelegen op [adres 3] .Dit object staat sinds 20-07-2020 op naam van verdachte [medeverdachte] , waarbij de koopsom € 19.900,- bedroeg. Over het jaar 2020 zijn geen inkomsten of vermogen van verdachte [medeverdachte] bekend. 6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2021, dossierpagina 143 en 144, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Ten einde de eventuele herkomst van (een deel van) de aangetroffen € 434.850,- uit de bekende legale inkomsten en het vermogen van de verdachte [verdachte] te kunnen onderzoeken, is door de officier van justitie bij de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (hierna: iCOV) een rapportage van de aldaar bekende gegevens (Rapportage Vermogen en Inkomen, hierna: iRVI) opgevraagd. Uit de op 8 maart 2021 door iCOV verstrekte gegevens blijkt, kort en zakelijk samengevat, het volgende: ■ (3.2) het inkomen van verdachte [verdachte] , inclusief fiscaal partner, bedroeg over de jaren 2016 tot en met 2019: 2016 € 12.884, 2017 € 22.808, 2018 € 22.318, 2019 € 27.491, ■ (9.1.1) de banksaldi van verdachte [verdachte] bedroegen € 5.005,- per ultimo 2016, € 3.505,- per ultimo 2017, € 92,- per ultimo 2018, € 200,- per ultimo 2019 en € 7.965,- per ultimo 2020; ■ (10) over de jaren 2016 tot en met 2020 werden voor verdachte [verdachte] loonaangiftes bij de Belastingdienst ingediend, met de volgende bruto- en nettolonen: 2016 € 16.071,- bruto en € 12.884,- netto 2017 € 29.450,- bruto en € 22.807,- netto 2018 € 29.798,- bruto en € 22.318,- netto 2019 € 37.599,- bruto en € 27.754,- netto 2020 € 2.416,- bruto en € 2.012,- netto ■ (11.4.1) over het jaar 2016 ontving verdachte [verdachte] € 915,- aan zorgtoeslag, over de jaren 2017 tot en met 2018 was dit € 0,-. ■ (12.1) op 03-02-2021 werd op naam van verdacht