Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2026:549
Strafrecht
Hoger beroep
4,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:549 text/xml public 2026-03-30T14:08:32 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-25 20-002170-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:549 text/html public 2026-03-30T13:43:45 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:549 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-02-2026 / 20-002170-24 Opzetheling, in vereniging gepleegd. Medeplegen van opzetheling. Parketnummer : 20-002170-24 Uitspraak : 25 februari 2026 TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-021714-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde diefstal en de verdachte ter zake van de subsidiair tenlastegelegde ‘opzetheling, in vereniging gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 703,35, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsvrouw het hof verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de kwalificatie en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsvoering geheel vervangen. De bewezenverklaring komt derhalve uitsluitend te berusten op de navolgende bewijsmiddelen en bijzondere overweging omtrent het bewijs. Tevens zal het hof de vrijspraakoverweging met betrekking tot het primair tenlastegelegde en de overweging met betrekking tot de op te leggen straf, gelet op hetgeen in hoger beroep hierover aan de orde is gekomen, vervangen door onderstaande overwegingen. Tot slot behoeven eveneens de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvulling. Omwille van de leesbaarheid zullen de toepasselijke artikelen opnieuw worden opgenomen. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, nu op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat er sprake is van medeplegen van diefstal. Hiertoe heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat uit pagina 4 van het arrest van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte samen met een ander heeft gekeken welke auto’s op slot stonden en dat zij vervolgens samen in een auto zijn ingestapt en zijn weggereden. Hieruit blijkt dat de verdachte samen met een ander de auto heeft gestolen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte naar voren gebracht dat de diefstal van de auto door de verdachte niet kan worden bewezen enkel op grond van de verklaring van de medeverdachte, die over de hele gang van zaken compleet anders heeft verklaard dan de verdachte. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat op 18 januari 2024, omstreeks 19.00 uur, aan de [locatie] te Heerenveen een zwarte personenauto van het merk Audi, type A3 Sportback E-Tron, met kenteken [kenteken] is weggenomen. Deze auto behoorde toe aan de aangeefster [benadeelde] . De aangeefster heeft hierop de politie gebeld, die omstreeks 21.45 uur een ANPR-melding krijgt over het gestolen voertuig. Het voertuig is op de A27 gezien en omstreeks 22.00 uur gecontroleerd tot stilstand gebracht op de vluchtstrook. Als bestuurder is de verdachte aangetroffen, met medeverdachte [medeverdachte 1] als bijrijder en [medeverdachte 2] als passagier achterin de auto. Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden bekeken van de diefstal van voornoemde auto. Op de camerabeelden is de diefstal zelf niet te zien. Wel is een persoon zichtbaar die een sigaret aan het roken is. Verbalisant [verbalisant] constateert dat de kleding van de medeverdachte [medeverdachte 1] overeenkomt met de kleding van de persoon op de camerabeelden. De verdachte heeft verklaard dat hij pas in de auto is gestapt toen deze al was gestolen door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] . Naar het oordeel van het hof valt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans niet met de vereiste mate van zekerheid, af te leiden dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de diefstal. Daarmee ontbreekt het bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal en derhalve zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem primair tenlastegelegde. Bewijsmiddelen Nu de verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op: Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] (los opgenomen in het dossier onder registratienummer PL0100-2024016045-2); Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2024 (p. 73-77). Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De politierechter heeft het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde gekwalificeerd als: Opzetheling, in vereniging gepleegd. Deze kwalificatie is niet juist. Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde zal daarom opnieuw en als volgt worden gekwalificeerd: Medeplegen van opzetheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Aanvulling van de motivering van de straf De raadsvrouw heeft het hof verzocht om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Volledig
Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling van een auto. Hij wist dat de auto gestolen was, maar is alsnog ingestapt en heeft zelfs in de auto gereden. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelde partij en heeft hij zich van haar belangen niets aangetrokken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 20 november 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof de door de politierechter opgelegde straf, te weten een gevangenisstaf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof verenigt zich hiermee. Met een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.279,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten: Materiële schadevergoeding: € 1.069,19 interieur en reiniging auto € 705,35; brandstof € 125,17; kilometervergoeding € 175,72; boodschappen aangebroken € 37,95; reinigen gordijn € 15,00; los geld in auto € 10,00; Immateriële schadevergoeding: € 210,76 door veiligheidsbeleving en geen slaap één dag niet gewerkt € 122,78; door veiligheidsbeleving twee camera’s gekocht € 87,98. Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft het hof verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van het hof is voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden dat de benadeelde partij materiële schade in de vorm van brandstofkosten heeft geleden tot een bedrag van € 125,17, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Deze brandstof is namelijk samen met, dan wel als onderdeel van, de auto gestolen en er zijn vervolgens vele kilometers door de verdachten met deze auto gereden alvorens zij werden aangehouden. Er is voorts sprake van medeplegen van opzetheling die (zeer) dicht op de diefstal van de desbetreffende auto is gelegen. De verdachte is samen met zijn mededaders tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voorts acht het hof het aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het reinigen van de auto. De verdachte en zijn mededader(s) hebben in de auto gezeten en het is begrijpelijk dat de benadeelde partij de auto daardoor heeft moeten reinigen. Het hof begroot de schade van het reinigen op € 100,00 zodat de vordering van deze post tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof wijst het overige gedeelte van de betreffende post, groot € 605,35, af. Het hof is voorts van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de overige schadeposten in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2024, zijnde het moment waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Hoofdelijkheid mededaders Tot vergoeding van de schade zijn naast de verdachte ook de mededaders gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover een van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 225,17. De verdachte en de medeverdachten zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 225,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 (twee) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst hoofdelijk gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 225,17 (tweehonderdvijfentwintig euro en zeventien cent) als vergoeding van materiële schade , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 605,35 (zeshonderdvijf euro en vijfendertig cent) aan materiële schade af. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 225,17 (tweehonderdvijfentwintig euro en zeventien cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 (twee) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.