Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-18
ECLI:NL:GHSHE:2026:468
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,824 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:468 text/xml public 2026-04-01T14:50:02 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-18 24/958 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:3467, Bekrachtiging/bevestiging Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 8d Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:468 text/html public 2026-03-24T16:01:54 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:468 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-02-2026 / 24/958 Wet BPM. Teruggaafbeschikking is tot het juiste bedrag vastgesteld. Belanghebbendes standpunt dat de teruggaaf van bpm had moeten worden vastgesteld aan de hand van de bruto bpm zoals bedoeld in artikel 8d, lid 3, Uitv.reg. BPM wordt verworpen. Hoger beroep ongegrond. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/958 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 mei 2024, nummer BRE 22/3520, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaaf verleend van op aangifte betaalde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. De auto, een [merk auto] met VIN [nummer] (hierna: de auto), werd op 17 juli 2020 toegelaten in het buitenland en is op 29 september 2020 in Nederland geregistreerd in het kentekenregister. Ter zake van de registratie is € 26.026 aan bpm op aangifte voldaan. 2.2. Op 28 december 2021 is de tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd, omdat de auto buiten Nederland is gebracht en in Duitsland is geregistreerd. 2.3. Op 21 februari 2022 heeft belanghebbende om een teruggaaf van bpm verzocht wegens export voor een bedrag van € 17.385. Bij teruggaafbeschikking met dagtekening 17 maart 2022 heeft de inspecteur een (afgerond) bedrag van € 17.386 als teruggaaf toegekend. 2.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank de minister veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500 en tot het betalen van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende en heeft de rechtbank bepaald dat de minister het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden tot een bedrag van € 184. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een hogere teruggaaf van bpm. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een teruggaaf van € 26.026. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aan hem verleende teruggaaf van bpm te laag is, aangezien deze is berekend met inachtneming van de herrekende bruto bpm zoals bedoeld in artikel 8d, lid 4, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitv.reg. BPM). Volgens belanghebbende had de teruggaaf van bpm moeten worden vastgesteld aan de hand van de bruto bpm zoals bedoeld in artikel 8d, lid 3, Uitv.reg. BPM. Dit betekent dat de op de te exporteren auto rustende bpm, die bij export wordt teruggegeven, wordt vastgesteld aan de hand van enerzijds de bpm die op de auto rustte bij eerste registratie en anderzijds de inkoopwaarde van de auto in gebruikte staat. Hierbij stelt belanghebbende voorop dat de situatie waarin een auto wordt uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Unie en in dat kader een teruggaaf van bpm wordt verleend, onder de werkingssfeer van artikel 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) valt. Dit leidt belanghebbende af uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 2 februari 2023 . Louter het feit dat de auto parallel is ingevoerd, dat wil zeggen op 29 september 2020 is geïmporteerd, zorgt voor een lagere teruggaaf van bpm ten opzichte van gelijksoortige auto’s die als nieuw in Nederland zouden zijn geleverd, aldus belanghebbende. Dit betekent dat er een ingevolge artikel 110 VWEU verboden onderscheid ontstaat waardoor de binnenlandse markt wordt beschermd ten opzichte van de buitenlandse markt. Uitgaande van de datum eerste toelating van de auto (17 juli 2020) en de hypothetische situatie dat deze als nieuw in Nederland zou zijn ingevoerd, zou de teruggaaf van bpm op € 27.619 in plaats van € 17.386 zijn gesteld. Omdat ter zake van de invoer van de auto € 26.026 aan bpm op aangifte is voldaan, dient de teruggaaf van bpm volgens belanghebbende op dit bedrag te worden gesteld. 4.2. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een hogere teruggaaf van bpm. Volgens de inspecteur heeft allereerst te gelden dat, anders dan belanghebbende (veronder)stelt, uit het arrest van de Hoge Raad 25 maart 2022 volgt dat de wijze waarop de hoogte van de teruggaaf van bpm bij export wordt berekend los staat van de regels voor de heffing van bpm bij import. Het bedrag van de teruggaaf van bpm bij export wordt ingevolge artikel 14a, lid 4, Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) verminderd overeenkomstig de tabel als opgenomen in artikel 8d Uitv.Reg. BPM. Het afschrijvingspercentage bij teruggaaf overeenkomstig de tabel wordt afgezet tegen de herrekende bruto bpm en niet, zoals belanghebbende (veronder)stelt, tegen de bruto bpm. De inspecteur bestrijdt dat sprake is van een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 110 VWEU. Niet in geschil is dat bij de aangifte bpm gebruik is gemaakt van een koerslijst en er aldus een relatief sterke afschrijving heeft plaatsgevonden. Hierdoor is volgens de inspecteur geen sprake van een hogere, maar juist van een lagere binnenlandse belasting en kan niet gezegd worden dat de regeling bij teruggaaf van bpm bij export discriminerend is. Integendeel, door de sterke afschrijving zal de ingevoerde auto sneller verkocht worden nu de uiteindelijke verkoopprijs lager zal zijn dan die van een gelijksoortige binnenlandse auto, aldus de inspecteur. 4.3. De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen: “5.8. De teruggaaf bij export is geregeld in artikel 14a van de Wet Bpm en artikel 8d van de Uitvoeringsregeling Bpm. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van belanghebbende niet rechtstreeks kan worden afgeleid uit de wet of de uitvoeringsregeling, zoals belanghebbende ter zitting ook enigszins heeft erkend. Hij baseert zijn stelling met name op artikel 110 VWEU. Tot nu toe is de lijn in de jurisprudentie geweest dat bij export van auto’s artikel 110 VWEU geen rol speelt. Dit is gebaseerd op een uitspraak van de Hoge Raad [voetnoot 3: Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753].
Volledig
Hierin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met betrekking tot de hoogte van het terug te geven bedrag aan Bpm bij uitvoer naar een andere lidstaat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op artikel 110 VWEU, omdat de werkingssfeer van dat artikel zich niet uitstrekt tot gevallen waarin wegens de uitvoer van goederen uit een lidstaat naar een andere lidstaat een (gedeeltelijke) teruggaaf plaatsvindt van eerder door eerstgenoemde lidstaat rechtmatig geheven binnenlandse belastingen. 5.9. De rechtbank leidt uit het arrest van het HvJ EU in de zaak Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö af dat het primaire Unierecht, waaronder artikel 110 van het VWEU, onder omstandigheden ook in een uitvoersituatie van toepassing kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dat ook in dit geval te gelden. Bij invoer van de auto is immers Bpm geheven. Als bij uitvoer wordt gediscrimineerd ten aanzien van de rest-Bpm, dan is over de gehele linie (invoer en uitvoer tezamen genomen) van belasting over ingevoerde voertuigen sprake van discriminatie, hetgeen strijdt met artikel 110 van het VWEU. Dit leidt in onderhavig geval naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot schending van artikel 110 van het VWEU. 5.10. In het onderhavige geval is sprake van een parallel ingevoerde auto. Bij invoer van de auto is daarom reeds rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een auto die in het buitenland op de markt is geweest. Dit leidt tot een lager bedrag aan verschuldigde Bpm bij import, maar dus ook tot een lager bedrag aan teruggaaf bij export. De rechtbank volgt de stelling niet dat bij export zou moeten worden uitgegaan van de bruto Bpm die hoort bij een nieuwe auto omdat een parallel ingevoerde auto niet vergelijkbaar is met een nieuwe auto. Bovendien, dit zou ook tot een ongewenst resultaat leiden. Indien bij export van een parallel ingevoerde auto namelijk zou worden uitgegaan van een teruggaaf die zou zijn berekend aan de hand van de bruto Bpm die hoort bij een nieuwe auto, zoals belanghebbende bepleit, dan zou de teruggaaf aan Bpm hoger kunnen uitvallen dan bij import aan Bpm voor diezelfde auto is voldaan. 5.11. De rechtbank is van oordeel dat de teruggaaf daarom naar het juiste bedrag heeft plaatsgevonden.” Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en bevestigt deze. Daaraan voegt het hof nog het volgende toe. Uit de parlementaire toelichting op artikel 14a Wet BPM volgt dat de teruggaafregeling ertoe strekt om in gevallen waarin een motorrijtuig niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en wordt overgebracht naar het buitenland, de heffing van bpm in overeenstemming te brengen met de tijdsduur van het gebruik van dat motorrijtuig in Nederland. De wijze waarop het terug te geven bedrag aan bpm in overeenstemming moet worden gebracht met die gebruiksduur in Nederland, is neergelegd in artikel 14a, lid 4, Wet BPM in samenhang gelezen met artikel 8d Uitv.Reg BPM. De feitelijke uitwerking van belanghebbendes standpunt zou zijn dat op de onderhavige auto, hoewel deze circa één jaar en drie maanden in het Nederlandse kentekenregister geregistreerd is geweest en aldus voor die periode in Nederland is gebruikt, geen enkele bpm heeft gedrukt. Hetgeen bij import is geheven, wordt in de visie van belanghebbende in het onderhavige geval immers bij export volledig teruggegeven. Dit gevolg is ook door de gemachtigde van belanghebbende tijdens de zitting van het hof erkend. Het hof is van oordeel dat het standpunt van belanghebbende niet strookt met het wettelijk systeem en in het licht van de doelstelling van de teruggaafregeling leidt tot een zeer onredelijke uitkomst. Zo uit het arrest HvJ EU van 2 februari 2023 al zou volgen dat de teruggaafregeling van artikel 14a Wet BPM onder het toepassingsbereik van artikel 110 VWEU valt, dan is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van artikel 110 VWEU. Van een ontoelaatbaar onderscheid is geen sprake nu een nieuwe auto, waarvoor de volledige bruto bpm is verschuldigd, niet vergelijkbaar is met een gebruikte importauto waarvoor een rest-bpm dient te worden betaald. Dit onderscheid werkt door ten aanzien van de hoogte van de teruggave bpm bij export. Het door belanghebbende in hoger beroep gestelde ‘plafond’ van de teruggaaf tot het bedrag aan bpm dat op aangifte is voldaan, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Gelet hierop is de teruggaafbeschikking tot het juiste bedrag vastgesteld. Tussenconclusie 4.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.5. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Wessels, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen. De griffier, De voorzitter, A.S. van Middelkoop J.C.E. Ackermans-Wijn (verhinderd) Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. HvJ EU 2 februari 2023, ECLI:EU:C:2023:63 (Veronsaajien). Hoge Raad 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:439. Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779, r.o. 3.2 en de aldaar aangehaalde parlementaire stukken. Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, en de conclusie van Advocaat-Generaal Ettema 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1223, inzake de herleidingsmethode. HvJ EU 2 februari 2023, ECLI:EU:C:2023:63 (Veronsaajien).