Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-01-29
ECLI:NL:GHSHE:2026:370
Strafrecht
Hoger beroep
1,782 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2026:370 text/xml public 2026-04-01T13:41:50 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-29 20-000028-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:370 text/html public 2026-04-01T13:41:36 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:370 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-01-2026 / 20-000028-24 Medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Parketnummer : 20-000028-24 Uitspraak : 29 januari 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-102627-21 tegen: [verdachte] geboren [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres] Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot een geldboete van € 53.000,00 subsidiair 360 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van € 50,00 per dag. Daarnaast is aan de verdachte opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ten slotte heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen van de onder de verdachte in beslag genomen boksbeugel en de teruggave aan de verdachte gelast van de overige onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met: verbetering van de gronden (bewijsmiddelen) door uit bewijsmiddel 10 van de kasopstelling weg te laten de passage inhoudende dat sprake zou zijn van een onverklaarbaar vermogen/wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.245,81; aanvulling van de gronden (toepasselijke wettelijke voorschriften) door opneming van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte is een standpunt ingenomen omtrent de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de opgelegde straf omdat de door de rechtbank bepaalde duur van de vervangende hechtenis bij de opgelegde geldboete niet in overeenstemming is met de binnen het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde afspraken, en zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen. Het hof merkt op dat onder deze vernietiging van de opgelegde straf niet mede wordt begrepen een vernietiging van de beslissing omtrent de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. Voorts zal het hof: de gronden (bewijsmiddelen) verbeteren door weglating van de volgende passage uit bewijsmiddel 5 (pagina 11 van het vonnis): “Dat weet ik niet.”; de gronden (bewijsmiddelen) verbeteren door weglating van de volgende passage uit bewijsmiddel 10 (pagina 13 van het vonnis): “ Totaal onverklaarbaar vermogen. Op grond van het vorenstaande wordt gesteld dat verdachte [verdachte] met zijn partner [medeverdachte] , een onverklaarbaar vermogen/wederrechtelijk verkregen voordeel hebben verkregen van € 65.245,81 ”; de gronden (toepasselijke wettelijke voorschriften) overnemen van de rechtbank en aanvullen door toevoeging van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht in het kader van de bepleite vrijspraak, betreft niet meer dan een herhaling van verweren waarop, naar het oordeel van het hof, de rechtbank juist en voldoende gemotiveerd heeft beslist. Die verweren behoeven dan ook geen bespreking en vinden hun weerlegging in de overwegingen van de rechtbank. Op te leggen straf De verdediging heeft bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de medische gesteldheid van de verdachte slecht is en hij daardoor is afgekeurd en in belangrijke mate is aangewezen op zijn partner. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof neemt de gronden (strafoverwegingen) over van de rechtbank uit het vernietigde vonnis, dat aan dit arrest zal worden gehecht, en acht – evenals de rechtbank – oplegging van een geldboete van € 53.000,00 met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van € 50,00 per dag, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof voorts rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Redelijke termijn Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 30 maart 2021 met de inverzekeringstelling van de verdachte, en geëindigd op 22 december 2023 met het wijzen van het vonnis van de rechtbank. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden in eerste aanleg overschreden met bijna 9 maanden. Het hof acht echter, vanwege de duur en omvang van het onderzoek en de in eerste aanleg gehoorde getuigen, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 3 januari 2024 met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank, en eindigt heden, 29 januari 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee overschreden met bijna 1 maand. Omdat het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, een hogere straf passend en geboden had geacht, mede omdat de opgelegde straf significant lager ligt dan de LOVS-oriëntatiepunten, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf, gelet op voormelde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, passend en geboden.