Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-13
ECLI:NL:GHSHE:2026:34
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.330.726/01 arrest van 13 januari 2026 in de zaak van 1 [X bouwconsult B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. [appellant] ,wonende te [vestigingsplaats] , appellanten, hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten ] , en afzonderlijk als respectievelijk [X bouwconsult B.V.] en [appellant] , advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam, tegen 1 [X beheer B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. voorheen [X holding B.V.] , thans – na naamswijziging – [X Real Estate B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] , en afzonderlijk als respectievelijk [X beheer B.V.] en [X holding B.V.] , advocaat: mr. P.J.T. Austen te Valkenburg, op het bij exploot van dagvaarding van 13 juli 2023 door [appellanten ] ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 april 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten ] als gedaagden en [geïntimeerden] als eiseressen. 1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/295844 / HA ZA 21-436) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2 Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waar partijen vragen van het hof hebben beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling is zijdens [geïntimeerden] verschenen [persoon A] , directeur van [B.V.'s] ., met [persoon B] , administrateur, vergezeld door de advocaten mr. P.J.T. Austen en mr. E.R. Peters. [appellanten ] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat mr. Bosman. [persoon C] was met toestemming van het hof niet aanwezig tijdens de zitting wegens zijn gezondheidstoestand. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van de eerste aanleg, de bovenvermelde stukken en het ter zitting verhandelde. 3 De beoordeling Feiten 3.1. In rov. 2.1 tot en met 2.9 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Naar het oordeel van het hof kunnen deze feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Daarbij tekent het hof het volgende aan. Uit hetgeen de rechtbank in rov. 2.5 en 2.6 heeft overwogen, volgt dat er tussen [geïntimeerden] en [X bouwconsult B.V.] vier overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Met grief 1 stelt [appellanten ] dat er tussen [geïntimeerden] en [X bouwconsult B.V.] twee aanvullende overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Dit wordt door [geïntimeerden] betwist. Dat kan dus niet als een vaststaand feit worden beschouwd. Dit geschilpunt zal hierna aan de orde komen bij de beoordeling van het geschil in hoger beroep (in rov. 3.4 e.v.) door het hof. Eerst zal het hof de door de rechtbank vastgestelde feiten weergeven (vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.9). 3.1.1. [X beheer B.V.] is onderdeel van het [X ] -bier concern en bestuurder van de [X ] bierbrouwerij (productie 1 bij dagvaarding). [X holding B.V.] is een buiten dit concern staande afzonderlijke vennootschap, gericht op het beheer van onroerend goed (productie 2 bij dagvaarding). 3.1.2. [X bouwconsult B.V.] is een onderneming die zich richt op begeleiding, begroting, advies en beheer van bouwprojecten (productie 3 bij dagvaarding). [appellant] is getrapt bestuurder en enig aandeelhouder van [X bouwconsult B.V.] . 3.1.3. [X infra] is een grondverzetbedrijf. 3.1.4. [geïntimeerden] heeft op enig moment besloten om (het gebied rondom) het complex van de [X ] bierbrouwerij in het gehucht [plaatsnaam] opnieuw te ontwikkelen, althans uit te breiden en aan te passen. Zo is er een nieuwe horecazaak gerealiseerd. Die zaak heette eerst ‘ [bedrijfsnaam 1] ’, maar nu ‘ [bedrijfsnaam 2] ’. Ook is er een nieuw proeflokaal gerealiseerd, gelegen aan [adres 1] . Verder zijn er werkzaamheden [appellanten ] , hoofdelijk, met dien verstande dat de een betalende de ander voor dat deel van de betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [X holding B.V.] te voldoen een bedrag van € 18.313,35 inclusief btw, primair te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 18.313,35 vanaf 12 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; IV. [appellanten ] , hoofdelijk, met dien verstande dat de een betalende de ander voor dat deel van de betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [geïntimeerden] c.s.. te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.424,59, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening; V. [appellanten ] , hoofdelijk, met dien verstande dat de een betalende de ander voor dat deel van de betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [geïntimeerden] c.s. te voldoen de kosten van deze procedure, de beslagkosten daarbij inbegrepen, en, voor het geval voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf de datum waarop deze termijn verstrijkt tot aan de dag der algehele voldoening; VI. [appellanten ] , hoofdelijk, met dien verstande dat de een betalende de ander voor dat deel van de betaling zal zijn bevrijd, veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [geïntimeerden] c.s. te voldoen de nakosten. 3.2.2. Aan deze vordering heeft [geïntimeerden] c.s., kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerden] c.s. stelt zich, voor wat betreft [X bouwconsult B.V.] , primair op het standpunt dat sprake is van een tekortkoming op grond waarvan [X bouwconsult B.V.] aan [geïntimeerden] c.s. schade voor in totaal € 64.958,85 inclusief btw moet vergoeden. [geïntimeerden] c.s. baseert die tekortkoming op twee pijlers. Ten eerste heeft [X bouwconsult B.V.] volgens [geïntimeerden] c.s. in strijd gehandeld met ‘het verbod van het dienen van twee heren’ zoals dat volgt uit artikel 7:418 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ten tweede stelt [geïntimeerden] c.s. zich op het standpunt dat [X bouwconsult B.V.] zijn zorgplicht ex artikel 7:401 BW heeft geschonden. Subsidiair stelt [geïntimeerden] c.s. dat door [X bouwconsult B.V.] onrechtmatig is gehandeld door, via [X infra] , betaald te krijgen voor werk dat niet is verricht of overeengekomen. Voorts stelt [geïntimeerden] c.s. zich, voor wat betreft [appellant] , op het standpunt dat [appellant] in privé, als bestuurder van [X bouwconsult B.V.] , aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. [appellant] kan volgens [geïntimeerden] c.s. persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt van de tekortkoming van [X bouwconsult B.V.] . 3.2.3. [appellanten ] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.4. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank overwogen, samengevat, dat onderdeel van een overeenkomst van opdracht is dat op de opdrachtnemer (ex artikel 7:401 BW) een zorgplicht rust, die naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak inhield dat [X bouwconsult B.V.] zich er als opdrachtnemer van moest weerhouden om zijn positie als aanspreekpunt/tussenpersoon te gebruiken om [geïntimeerden] c.s. opzettelijk en zonder grond in de onderlinge rechtsverhouding te benadelen en zichzelf te bevoordelen. De rechtbank is van oordeel dat [X bouwconsult B.V.] die op haar r Daaraan doet ook afbreuk dat [persoon A] (directeur van [geïntimeerden] c.s.) tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat [appellant] geen handelingen mocht verrichten die financiële consequenties zouden hebben en hij feitelijk niet zelfstandig “dingen kon aangaan". [persoon A] heeft ook opgemerkt dat als [appellant] offertes accordeerde, hij dit altijd eerst afstemde met hem. Het hof zal er dan ook van uitgaan dat er tussen partijen sprake was van een overeenkomst van opdracht, waarbij de werkzaamheden van [X bouwconsult B.V.] bestonden uit – kort gezegd – bouwbegeleiding, zoals [appellanten ] c.s. stelt. Dit vindt ook steun in de door [X bouwconsult B.V.] van toepassing verklaarde algemene voorwaarden (‘De Nieuwe Regeling 2011’), overgelegd als productie 43 bij de memorie van antwoord. 3.7. Mede gelet op het voorgaande kunnen de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. niet worden toegewezen op grond van het primaire standpunt van [geïntimeerden] c.s. (zoals hierna zal blijken, ontbreekt hiervoor ook een feitelijke grondslag: zie rov. 3.25). Voorts heeft [geïntimeerden] c.s. onvoldoende onderbouwd gesteld dat [X bouwconsult B.V.] het verbod van het dienen van twee heren heeft overtreden of een verplichting tot kennisgeving van belangentegenstelling heeft geschonden. Dit geldt met name voor zover [geïntimeerden] c.s. [appellanten ] c.s., in het bijzonder [appellant] , beschuldigt van “onheuse praktijken”. Voor een dergelijke (zware) beschuldiging ontbreekt een toereikende onderbouwing. 3.8. Meer specifiek overweegt het hof ten aanzien van de door [geïntimeerden] c.s. gestelde ‘u-bocht constructie’ het volgende. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft [X bouwconsult B.V.] (in de persoon van [appellant] ) een zogenoemde u-bocht constructie gerealiseerd die erop neerkwam dat [X bouwconsult B.V.] , via door [X infra] in haar overeenkomsten met [geïntimeerden] c.s. opgevoerde posten, in totaal € 64.958,85 inclusief btw betaald zou krijgen. Het hof ziet op zichzelf niet iets onoorbaars in deze wijze van facturatie. Dat deze afweek van hoe [X bouwconsult B.V.] tot dat moment had afgerekend met [geïntimeerden] c.s. maakt dat niet anders. Het beroep dat door [geïntimeerden] c.s. is gedaan op artikel 56 van de algemene voorwaarden van [X bouwconsult B.V.] (‘De Nieuwe Regeling 2011’) leidt niet tot een ander oordeel. Uit die bepaling volgt geen verbod of facturatie van werkzaamheden door (in dit geval) [X bouwconsult B.V.] aan [X infra] . Ook de aanpassing van de offerte d.d. 23 december 2019 van [X infra] van ‘directie voering [X bouwconsult B.V.] ’ naar ‘directie voering en toezicht’ (zie productie 26 bij de inleidende dagvaarding) doet aan het voorgaande niet zonder meer af. 3.9. De rechtbank heeft de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. onder meer gemotiveerd met de overweging dat namens [X bouwconsult B.V.] op de mondelinge behandeling (in eerste aanleg) niet heeft betwist dat zij deze constructie heeft bedacht om op die manier extra betaald te krijgen. In hoger beroep heeft zij dit alsnog wel gedaan. Het hof merkt ook op dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet blijkt dat [X bouwconsult B.V.] (in de persoon van [appellant] ) heeft erkend dat hij de constructie heeft bedacht om extra betaald te krijgen, laat staan dat hij dit gedaan zou hebben omdat zijn verwachting was dat [geïntimeerden] c.s. als zij hierom rechtstreeks zou zijn gevraagd, niet met extra betalingen zou hebben ingestemd, zoals de rechtbank wel ook heeft overwogen. 3.10. Het hof kan zijn oordeel in deze zaak niet baseren op verwachtingen of motieven die [appellant] destijds – in 2019 en 2020 – al dan niet gehad zou hebben. Daarover valt niets (meer) met voldoende zekerheid vast te stellen. Daarbij heeft het hof het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen waarom het gaat, inmiddels ruim vijf jaar, betrokken. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard Dat was blijkens de factuur voor ‘directievoering en toezicht realisatie van nieuwbouw “ [bedrijfsnaam 1] ” te [plaatsnaam] ’ (zie productie 12 bij de inleidende dagvaarding), en wel ‘conform afspraak met [persoon A] en [persoon D] ’, zonder verdere specificatie. In deze procedure is gebleken dat partijen van mening verschillen over waarvoor deze meerwerkfactuur precies was. Maar dat [geïntimeerden] c.s. er akkoord mee is gegaan voor meerwerk te betalen, duidt er veeleer op dat niet alle door [X bouwconsult B.V.] verrichte werkzaamheden onder de reikwijdte van de offertes 1 tot en met 4 vallen. 3.17. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [geïntimeerden] c.s. nog het standpunt ingenomen dat de meerwerkfactuur bedoeld was als eindafrekening met betrekking tot alle werkzaamheden die door [X bouwconsult B.V.] buiten de offertes 1 tot en met 4 zijn verricht. Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben [persoon A] en [appellant] in maart 2020 een betaling van € 20.000,00 exclusief btw afgesproken bij wijze van eindafrekening. Hiermee verleende [X bouwconsult B.V.] ‘finale kwijting’ ten aanzien van alle verrichte werkzaamheden met betrekking tot het hele project, aldus [geïntimeerden] c.s. [X bouwconsult B.V.] c.s. betwist dat er met de betaling van de meerwerkfactuur finale kwijting is verleend en stelt dat de factuur betrekking had op werkzaamheden met betrekking tot de 'E+W-installatie'. Deze werkzaamheden waren volgens [X bouwconsult B.V.] c.s. aanvankelijk niet geoffreerd en kwamen er later bij. 3.18. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de meerwerkfactuur alle door [X bouwconsult B.V.] aan het project verrichte werkzaamheden omvatte en bedoeld was als eindafrekening ten aanzien van het hele project. De factuur is geadresseerd aan [X holding B.V.] en vermeldt expliciet de nieuwbouw van ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ en het werknummer [5] , het werknummer dat volgens [geïntimeerden] c.s. behoort bij het deelproject ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ (offerte 1). Hoe dit verder ook zij, dat wijst niet op een finale kwijting ten aanzien van het gehele project. [geïntimeerden] c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij desondanks toch mocht begrijpen dat de meerwerkfactuur een eindafrekening inhield met betrekking tot het hele project. 3.19. In het licht van hetgeen hiervoor in rov. 3.13 tot en met 3.18 is overwogen, heeft [geïntimeerden] c.s. naar het oordeel van het hof geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat alle door [X bouwconsult B.V.] verrichte werkzaamheden onder de reikwijdte van de offertes 1 tot en met 4 en de meerwerkfactuur vallen. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe. Overigens heeft [geïntimeerden] c.s. ook niet een voldoende geconcretiseerd en gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Ter motivering van voornoemd oordeel overweegt het hof verder het volgende. 3.20. Aanvankelijk waren alle bouwbegeleidingswerkzaamheden door [geïntimeerden] c.s. ondergebracht bij de ingeschakelde architect (KNAPP). Die had aangegeven daarvoor een derde ( [X bouwconsult B.V.] ) in te zullen schakelen. Terwijl het project al liep, zijn [geïntimeerden] c.s. en [X bouwconsult B.V.] overeengekomen dat [geïntimeerden] c.s. [X bouwconsult B.V.] , vanwege haar expertise, rechtstreeks zouden inschakelen. Vervolgens is [X bouwconsult B.V.] aan het werk gegaan in verschillende deelprojecten. Daaraan lag echter niet een in detail uitgewerkte opdracht ten grondslag. Partijen hebben een informele werkwijze gehanteerd. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat in vertrouwen is gehandeld en ‘dat je er dan geen jurist op zet’. [X bouwconsult B.V.] heeft van meet af aan niet strikt conform haar algemene voorwaarden (‘De Nieuwe Regeling 2011’) gecontracteerd. Mede op basis van het onderzoek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep komt het hof tot de conclusie dat partijen geen scherp omlijnd beeld hadde Verder kan dan niet worden geconcludeerd dat [X bouwconsult B.V.] en/of [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X beheer B.V.] en/of [X holding B.V.] . [appellant] is ook niet aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Ook is niet gebleken dat [appellant] van de gang van zaken persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij deze stand van zaken is [appellanten ] c.s. niet aansprakelijk voor de door [geïntimeerden] c.s. gestelde schade. Ook is er geen andere juridische grond voor toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s., zoals onverschuldigde betaling. 3.26. De slotsom is dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog dienen te worden afgewezen. Dit geldt dus voor de gevorderde schadevergoeding in verband met schade die [geïntimeerden] c.s. stelt te hebben geleden door de betalingen die [X bouwconsult B.V.] heeft ontvangen op grond van de u-bocht betalingsconstructie. Dat geldt ook voor de gestelde schadepost van € 3.079,46 wegens door [X beheer B.V.] aan [X infra] betaalde opslag. [appellanten ] c.s. heeft de verschuldigdheid van dit bedrag gemotiveerd betwist. Het gaat hier niet om een bedrag dat door [X bouwconsult B.V.] (of [appellant] ) is ontvangen. Naar [geïntimeerden] c.s. stelt, heeft zij dit bedrag onterecht aan [X infra] betaald. Niet is komen vast te staan dat het de bedoeling was van [appellanten ] c.s. om de aanneemsom die door [geïntimeerden] c.s. aan [X infra] moest worden betaald, kunstmatig en onterecht te verhogen. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rov. 3.10 is overwogen. Hier komt bij dat [geïntimeerden] c.s. met [X infra] een schikking heeft getroffen, op basis waarvan [X infra] een bedrag van € 26.947,75 inclusief btw heeft moeten crediteren. Daarmee staat niet vast dat [geïntimeerden] c.s. überhaupt schade heeft geleden. Nu de gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt, komen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten evenmin voor toewijzing in aanmerking. Conclusie en afwikkeling 3.27.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog zullen worden afgewezen. Hieruit volgt dat de vordering van [appellanten ] c.s. om [geïntimeerden] c.s. te veroordelen om al hetgeen [appellanten ] c.s. ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep heeft voldaan aan [appellanten ] c.s. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar is. 3.27.2. Het hof zal [geïntimeerden] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten ] c.s. zullen worden vastgesteld op: Griffierecht € 2.076,00 Salaris advocaat/gemachtigde € 2.366,00 (2 punten x € 1.183,00) Totaal € 4.442,00 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten ] c.s. zullen vastgesteld worden op: Explootkosten € 106,73 Griffierechten € 2.135,00 Salaris advocaat € 4.426,00 (2 punten x € 2.213,00) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.845,73 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4 De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; opnieuw recht doende: wijst de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. af; veroordeelt [geïntimeerden] c.s. om al hetgeen [appellanten ] c.s. ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep heeft voldaan aan [appellanten ] c.s. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg van € 4.442,00 en van het hoger beroep van € 6.845,73, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerden] c.s. € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;