Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-09
ECLI:NL:GHSHE:2026:336
Strafrecht
Hoger beroep
8,028 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:336 text/xml public 2026-03-31T15:45:38 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-09 20-002229-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:336 text/html public 2026-03-31T15:40:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:336 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-02-2026 / 20-002229-24 Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Parketnummer : 20-002229-24 Uitspraak : 9 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 augustus 2024, parketnummer 03-193316-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 96-204012-20, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, thans uit anderen hoofde verblijvende in DC Rotterdam te Rotterdam. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Voorts is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) schuldig verklaard zonder oplegging van een straf. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, te weten de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden, afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld en richt zich niet tegen de vrijspraak door de politierechter van hetgeen onder feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 4 bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van feit 4 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van een straf. Tevens heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van hetgeen onder feit 4 is tenlastegelegd. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Tevens heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering en het hof tot andere beslissingen komt. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - een stopteken te negeren; en/of - meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan te rijden; en/of - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; 1. subsidiair hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat, - een stopteken heeft genegeerd; en/of - meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan heeft gereden; en/of - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir heeft ingehaald, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd; 4. hij te Gronsveld, in de gemeente Eijsden-Margraten, op of omstreeks 14 maart 2023, zijnde een tijdstip gelegen na het tijdstip als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, als degene van wie ingevolge die wet de inlevering van het rijbewijs was gevorderd, dan wel als degene wiens rijbewijs krachtens die wet was ingenomen, op de weg, de A2, een motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat uit het procesdossier niet blijkt dat van de verdachte op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs was gevorderd dan wel dat zijn rijbewijs op grond van die wet was ingenomen. Nu het hof dit niet kan vaststellen, zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - meermalen binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, en - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen, door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:336 text/xml public 2026-04-02T13:01:27 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-09 20-002229-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:336 text/html public 2026-03-31T15:40:13 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:336 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-02-2026 / 20-002229-24 Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Parketnummer : 20-002229-24 Uitspraak : 9 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 augustus 2024, parketnummer 03-193316-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 96-204012-20, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, thans uit anderen hoofde verblijvende in DC Rotterdam te Rotterdam. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Voorts is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) schuldig verklaard zonder oplegging van een straf. Tevens is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, te weten de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden, afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld en richt zich niet tegen de vrijspraak door de politierechter van hetgeen onder feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 4 bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van feit 4 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van een straf. Tevens heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van hetgeen onder feit 4 is tenlastegelegd. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Tevens heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 96-204012-20 dient te worden afgewezen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering en het hof tot andere beslissingen komt. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. primair hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - een stopteken te negeren; en/of - meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan te rijden; en/of - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; 1. subsidiair hij op of omstreeks 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Merksteinstraat, - een stopteken heeft genegeerd; en/of - meermalen, althans eenmaal, binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, althans met een veel hogere snelheid dan aldaar toegestaan heeft gereden; en/of - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir heeft ingehaald, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd; 4. hij te Gronsveld, in de gemeente Eijsden-Margraten, op of omstreeks 14 maart 2023, zijnde een tijdstip gelegen na het tijdstip als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, als degene van wie ingevolge die wet de inlevering van het rijbewijs was gevorderd, dan wel als degene wiens rijbewijs krachtens die wet was ingenomen, op de weg, de A2, een motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat uit het procesdossier niet blijkt dat van de verdachte op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs was gevorderd dan wel dat zijn rijbewijs op grond van die wet was ingenomen. Nu het hof dit niet kan vaststellen, zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 8 maart 2023, in de gemeente Kerkrade, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - meermalen binnen de bebouwde kom met een snelheid van ongeveer 150/160 km/uur, en - een ander voertuig (vrachtauto) over het trottoir in te halen, door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Volledig
Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de herkenningen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte slechts eenmaal eerder gezien, wat niet als frequent kan worden aangemerkt en niet kan worden vastgesteld dat het contact intensief is geweest. Verbalisant [verbalisant 2] zou de verdachte hebben herkend op grond van eerdere controles, maar uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat van intensief en frequent contact tussen hem en de verdachte sprake is geweest. Daarnaast blijkt uit beide processen-verbaal niet op grond van welke specifieke, onderscheidende kenmerken de herkenningen van de verdachte hebben plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Zoals door de raadsman aangevoerd, staat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag vanaf welke afstand en onder welke omstandigheden de waarnemingen zijn gedaan en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang. Daarnaast overweegt het hof dat herkenning van een persoon plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning immers positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen. Het hof is van oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ter zake opgemaakte en tot het bewijs gebezigde herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Daartoe overweegt het hof dat beide verbalisanten hebben gerelateerd dat zij de verdachte ambtshalve kennen vanuit hun werkzaamheden als [functie 1], respectievelijk [functie 2]. Het hof stelt uit de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verbalisant [verbalisant 1] op 23 februari 2023, zo’n twee weken voor de pleegdatum van het onderhavige feit, de verdachte heeft gecontroleerd, waarbij hij enige tijd met de verdachte bezig is geweest om zijn identiteit vast te stellen wegens het ontbreken van de juiste documentatie. Hieruit leidt het hof af dat het contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte toen niet vluchtig, maar meer intensief is geweest. [verbalisant 1] gaf in zijn proces-verbaal van bevindingen omtrent het tenlastegelegde feit te kennen dat hij op 8 maart 2023 op twee meter afstand duidelijk de verdachte als de bestuurder van de auto heeft gezien. Gelet op voornoemd intensief contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte van twee weken daarvoor en de korte afstand tussen hen op 8 maart 2023, oordeelt het hof dat [verbalisant 1] een betrouwbare herkenning van de verdachte heeft kunnen doen. Dat [verbalisant 1] niet de precieze persoonskenmerken heeft omschreven op basis waarvan hij de verdachte herkende, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat ook de Duitse verbalisant [verbalisant 2] in zijn proces-verbaal heeft aangegeven dat de verdachte op 22 september 2022 al door hem werd aangehouden en gecontroleerd als bestuurder van een personenvoertuig. De verbalisanten hebben onafhankelijk van elkaar in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal gerelateerd dat zij de verdachte op 8 maart 2023 als bestuurder van de auto hebben herkend en het hof heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze herkenningen te twijfelen. Het hof neemt daarbij bovendien nog in aanmerking dat de verdachte vaker tezamen met mevrouw [betrokkene] in een auto is aangetroffen bij een controle. De omstandigheid dat de verdachte op 8 maart 2023 wederom tezamen met [betrokkene] in een auto werd aangetroffen, draagt te meer bij aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Gelet op het hierboven beschreven holistisch proces bij herkenning van personen, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de processen-verbaal over de herkenning, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de herkenningen betrouwbaar zijn en bezigt deze tot het bewijs. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft het hof verzocht om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij dermate gevaarlijk en roekeloos heeft gereden dat de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht. Bij het overtreden van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, en daarmee de lichamelijke integriteit van anderen in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezen verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij weer als stratenmaker wil gaan werken als hij uit de gevangenis komt, dat hij het contact met zijn kinderen weer wil opbouwen en dat hij vrijwillig medicatie gebruikt tegen psychoses. Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.
Volledig
Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de herkenningen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte slechts eenmaal eerder gezien, wat niet als frequent kan worden aangemerkt en niet kan worden vastgesteld dat het contact intensief is geweest. Verbalisant [verbalisant 2] zou de verdachte hebben herkend op grond van eerdere controles, maar uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat van intensief en frequent contact tussen hem en de verdachte sprake is geweest. Daarnaast blijkt uit beide processen-verbaal niet op grond van welke specifieke, onderscheidende kenmerken de herkenningen van de verdachte hebben plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Zoals door de raadsman aangevoerd, staat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag vanaf welke afstand en onder welke omstandigheden de waarnemingen zijn gedaan en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang. Daarnaast overweegt het hof dat herkenning van een persoon plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning immers positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen. Het hof is van oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ter zake opgemaakte en tot het bewijs gebezigde herkenningen van de verdachte door de verbalisanten. Daartoe overweegt het hof dat beide verbalisanten hebben gerelateerd dat zij de verdachte ambtshalve kennen vanuit hun werkzaamheden als [functie 1], respectievelijk [functie 2]. Het hof stelt uit de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verbalisant [verbalisant 1] op 23 februari 2023, zo’n twee weken voor de pleegdatum van het onderhavige feit, de verdachte heeft gecontroleerd, waarbij hij enige tijd met de verdachte bezig is geweest om zijn identiteit vast te stellen wegens het ontbreken van de juiste documentatie. Hieruit leidt het hof af dat het contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte toen niet vluchtig, maar meer intensief is geweest. [verbalisant 1] gaf in zijn proces-verbaal van bevindingen omtrent het tenlastegelegde feit te kennen dat hij op 8 maart 2023 op twee meter afstand duidelijk de verdachte als de bestuurder van de auto heeft gezien. Gelet op voornoemd intensief contact tussen [verbalisant 1] en de verdachte van twee weken daarvoor en de korte afstand tussen hen op 8 maart 2023, oordeelt het hof dat [verbalisant 1] een betrouwbare herkenning van de verdachte heeft kunnen doen. Dat [verbalisant 1] niet de precieze persoonskenmerken heeft omschreven op basis waarvan hij de verdachte herkende, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat ook de Duitse verbalisant [verbalisant 2] in zijn proces-verbaal heeft aangegeven dat de verdachte op 22 september 2022 al door hem werd aangehouden en gecontroleerd als bestuurder van een personenvoertuig. De verbalisanten hebben onafhankelijk van elkaar in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal gerelateerd dat zij de verdachte op 8 maart 2023 als bestuurder van de auto hebben herkend en het hof heeft geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze herkenningen te twijfelen. Het hof neemt daarbij bovendien nog in aanmerking dat de verdachte vaker tezamen met mevrouw [betrokkene] in een auto is aangetroffen bij een controle. De omstandigheid dat de verdachte op 8 maart 2023 wederom tezamen met [betrokkene] in een auto werd aangetroffen, draagt te meer bij aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. Gelet op het hierboven beschreven holistisch proces bij herkenning van personen, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de processen-verbaal over de herkenning, is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de herkenningen betrouwbaar zijn en bezigt deze tot het bewijs. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft het hof verzocht om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij dermate gevaarlijk en roekeloos heeft gereden dat de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht. Bij het overtreden van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, en daarmee de lichamelijke integriteit van anderen in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezen verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij weer als stratenmaker wil gaan werken als hij uit de gevangenis komt, dat hij het contact met zijn kinderen weer wil opbouwen en dat hij vrijwillig medicatie gebruikt tegen psychoses. Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.