Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-11
ECLI:NL:GHSHE:2026:330
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
6,328 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:330 text/xml public 2026-03-24T13:16:12 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-11 24/363 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:180, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:330 text/html public 2026-03-17T15:50:32 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:330 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-02-2026 / 24/363 Motorrijtuigenbelasting. De politie heeft belanghebbende gevorderd tot het doen stilhouden van zijn voertuig. De politie heeft vervolgens geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorvoertuig met een buitenlandse kenteken gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. De politie heeft deze bevindingen gemeld aan de inspecteur middels een document genaamd ‘Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig’. De inspecteur heeft naar aanleiding van dit signaal aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag en de boete onrechtmatig zijn opgelegd, omdat de inspecteur dat heeft gedaan op basis van gegevens die in strijd met het discriminatieverbod zijn verkregen. Het hof ziet echter geen aanknopingspunten die het vermoeden van belanghebbende ondersteunen dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. Het hof verwerpt tevens de stelling dat de inspecteur aan opsporingsambtenaren een instructie moet geven dat een controle niet op discriminatoire gronden plaats mag vinden, aangezien opsporingsambtenaren reeds op basis van de grondwet en internationale verdragen gehouden zijn tot gelijke behandeling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/363 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , Frankrijk, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 januari 2024, nummer BRE 22/5146, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 6 december 2016 tot en met 5 december 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de inspecteur zowel de naheffingsaanslag als de boete ambtshalve verminderd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur via een digitale videoverbinding, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren in Kameroen. 2.2. De politie heeft op 6 december 2021 belanghebbende gevorderd tot het doen stilhouden van zijn voertuig (hierna: de controle). De politie heeft vervolgens geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorvoertuig van het merk en type Renault Megane Scenic met het buitenlandse (Franse) kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. De politie heeft deze bevindingen gemeld aan de inspecteur middels een document genaamd ‘Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig’ (hierna: het signaal). 2.3. De inspecteur heeft met dagtekening 10 februari 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 4.555 over de periode 6 december 2016 tot en met 5 december 2021 opgelegd, alsmede bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete van € 4.555. 2.4. De inspecteur heeft na de uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2022 in een aanvullend geschrift van dezelfde dag, rekening houdend met het tegenbewijs van belanghebbende, de naheffingsperiode verkort tot een periode van 1 oktober 2020 tot en met 5 december 2021. De nageheven belasting is op basis daarvan verminderd tot € 1.094. De verzuimboete is eveneens verminderd tot € 1.094. 2.5. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de boete verminderd tot een bedrag van € 547. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boete onrechtmatig zijn opgelegd, omdat de inspecteur dat heeft gedaan op basis van gegevens die in strijd met het discriminatieverbod zijn verkregen. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil i. Zijn de naheffingsaanslag en boete onrechtmatig opgelegd? 4.1. Belanghebbende vermoedt dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. Nu de precieze reden van de controle echter onbekend is, heeft belanghebbende geen handvatten om deze stelling te bewijzen. Belanghebbende is daarom van mening dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat etniciteit en nationaliteit geen rol hebben gespeeld bij de controle. Nu de inspecteur dat niet heeft gedaan, concludeert belanghebbende dat de naheffing en de boete zijn opgelegd op basis van gegevens die zijn verkregen in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verder heeft belanghebbende ter zitting gesteld dat de inspecteur in algemene zin een instructie moet geven aan de opsporingsambtenaren waaruit blijkt dat een controle niet plaats mag vinden op discriminatoire gronden. 4.2. De inspecteur stelt dat de etnische kenmerken en de nationaliteit van belanghebbende geen aanleiding zijn geweest voor de controle. 4.3. Het hof benadrukt dat als sprake is van bewijsmiddelen die jegens een belastingplichtige op onrechtmatige wijze door derden (zoals de politie) zouden zijn verkregen, als regel geldt dat dit voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken bij het opleggen van een aanslag of bestuurlijke boete. In een dergelijk geval zal moeten worden beoordeeld of de inspecteur daarbij heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. 4.4. Het signaal bevat geen gegevens over de aanleiding van de controle. Daarnaast is niet gebleken dat de inspecteur kennis had omtrent de aanleiding van de controle. Daarmee bestond voor de inspecteur geen reden om te veronderstellen dat de gegevens in het signaal onrechtmatig verkregen zijn. De gedingstukken bieden ook overigens geen aanknopingspunten die het vermoeden van belanghebbende ondersteunen dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. 4.5. Het hof verwerpt tot slot de stelling dat de inspecteur aan opsporingsambtenaren een instructie moet geven dat een controle niet op discriminatoire gronden plaats mag vinden. Opsporingsambtenaren zijn reeds op basis van de grondwet en internationale verdragen gehouden tot gelijke behandeling, wat zeker bij hen als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld. De inspecteur is daarom niet gehouden om dit in een instructie te bevestigen. 4.6.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:330 text/xml public 2026-04-07T14:33:12 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-11 24/363 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:180, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/545 NDFR Nieuws 2026/530 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:330 text/html public 2026-03-17T15:50:32 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:330 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 11-02-2026 / 24/363 Motorrijtuigenbelasting. De politie heeft belanghebbende gevorderd tot het doen stilhouden van zijn voertuig. De politie heeft vervolgens geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorvoertuig met een buitenlandse kenteken gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. De politie heeft deze bevindingen gemeld aan de inspecteur middels een document genaamd ‘Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig’. De inspecteur heeft naar aanleiding van dit signaal aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag en de boete onrechtmatig zijn opgelegd, omdat de inspecteur dat heeft gedaan op basis van gegevens die in strijd met het discriminatieverbod zijn verkregen. Het hof ziet echter geen aanknopingspunten die het vermoeden van belanghebbende ondersteunen dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. Het hof verwerpt tevens de stelling dat de inspecteur aan opsporingsambtenaren een instructie moet geven dat een controle niet op discriminatoire gronden plaats mag vinden, aangezien opsporingsambtenaren reeds op basis van de grondwet en internationale verdragen gehouden zijn tot gelijke behandeling. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/363 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , Frankrijk, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 januari 2024, nummer BRE 22/5146, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 6 december 2016 tot en met 5 december 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de inspecteur zowel de naheffingsaanslag als de boete ambtshalve verminderd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur via een digitale videoverbinding, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren in Kameroen. 2.2. De politie heeft op 6 december 2021 belanghebbende gevorderd tot het doen stilhouden van zijn voertuig (hierna: de controle). De politie heeft vervolgens geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorvoertuig van het merk en type Renault Megane Scenic met het buitenlandse (Franse) kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland. De politie heeft deze bevindingen gemeld aan de inspecteur middels een document genaamd ‘Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig’ (hierna: het signaal). 2.3. De inspecteur heeft met dagtekening 10 februari 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 4.555 over de periode 6 december 2016 tot en met 5 december 2021 opgelegd, alsmede bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete van € 4.555. 2.4. De inspecteur heeft na de uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2022 in een aanvullend geschrift van dezelfde dag, rekening houdend met het tegenbewijs van belanghebbende, de naheffingsperiode verkort tot een periode van 1 oktober 2020 tot en met 5 december 2021. De nageheven belasting is op basis daarvan verminderd tot € 1.094. De verzuimboete is eveneens verminderd tot € 1.094. 2.5. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de boete verminderd tot een bedrag van € 547. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boete onrechtmatig zijn opgelegd, omdat de inspecteur dat heeft gedaan op basis van gegevens die in strijd met het discriminatieverbod zijn verkregen. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil i. Zijn de naheffingsaanslag en boete onrechtmatig opgelegd? 4.1. Belanghebbende vermoedt dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. Nu de precieze reden van de controle echter onbekend is, heeft belanghebbende geen handvatten om deze stelling te bewijzen. Belanghebbende is daarom van mening dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat etniciteit en nationaliteit geen rol hebben gespeeld bij de controle. Nu de inspecteur dat niet heeft gedaan, concludeert belanghebbende dat de naheffing en de boete zijn opgelegd op basis van gegevens die zijn verkregen in strijd met artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verder heeft belanghebbende ter zitting gesteld dat de inspecteur in algemene zin een instructie moet geven aan de opsporingsambtenaren waaruit blijkt dat een controle niet plaats mag vinden op discriminatoire gronden. 4.2. De inspecteur stelt dat de etnische kenmerken en de nationaliteit van belanghebbende geen aanleiding zijn geweest voor de controle. 4.3. Het hof benadrukt dat als sprake is van bewijsmiddelen die jegens een belastingplichtige op onrechtmatige wijze door derden (zoals de politie) zouden zijn verkregen, als regel geldt dat dit voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken bij het opleggen van een aanslag of bestuurlijke boete. In een dergelijk geval zal moeten worden beoordeeld of de inspecteur daarbij heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. 4.4. Het signaal bevat geen gegevens over de aanleiding van de controle. Daarnaast is niet gebleken dat de inspecteur kennis had omtrent de aanleiding van de controle. Daarmee bestond voor de inspecteur geen reden om te veronderstellen dat de gegevens in het signaal onrechtmatig verkregen zijn. De gedingstukken bieden ook overigens geen aanknopingspunten die het vermoeden van belanghebbende ondersteunen dat bij de controle sprake is geweest van een discriminatoire selectiekeuze. 4.5. Het hof verwerpt tot slot de stelling dat de inspecteur aan opsporingsambtenaren een instructie moet geven dat een controle niet op discriminatoire gronden plaats mag vinden. Opsporingsambtenaren zijn reeds op basis van de grondwet en internationale verdragen gehouden tot gelijke behandeling, wat zeker bij hen als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld. De inspecteur is daarom niet gehouden om dit in een instructie te bevestigen. 4.6.
Volledig
Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het standpunt van belanghebbende dat de naheffingsaanslag en boete onrechtmatig zijn opgelegd, faalt. ii. Is de boete passend en geboden? 4.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen (nadere) stellingen ingenomen ten aanzien van de boete. 4.8. Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank als volgt geoordeeld: “4.13. De verzuimboete is in beginsel in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd.[8] Het beboetbare feit is begaan. Belanghebbende heeft namelijk een in het buitenland geregistreerde auto feitelijk ter beschikking gehad en daarmee gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland zonder motorrijtuigenbelasting te hebben voldaan. De verzuimboete is dan ook terecht opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wel zal de rechtbank conform het standpunt van de inspecteur de verzuimboete verminderen tot € 547.[9] De rechtbank acht deze verzuimboete passend en geboden. De rechtbank constateert wel dat sinds de aankondiging van de verzuimboete op 13 december 2021 de redelijke termijn met meer dan twee jaren zijn verstreken bij het doen van uitspraak door de rechtbank. Omdat het hier gaat om een boete die lager is dan € 1.000 zal de rechtbank volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.[10] Voetnoten: 8. Artikel 37 van de Wet MRB in combinatie met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). 9. Zie ook Besluit van het Directoraat-Generaal Belastingdienst van 22 juni 2023, Staatscourant 2023, 17366. 10. Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175. ” 4.9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de boete op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt dit oordeel tot de zijne. Tussenconclusie 4.10. Het hoger beroep is ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.11. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.12. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. Hoge Raad 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028, Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643 en Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154.
Volledig
Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het standpunt van belanghebbende dat de naheffingsaanslag en boete onrechtmatig zijn opgelegd, faalt. ii. Is de boete passend en geboden? 4.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen (nadere) stellingen ingenomen ten aanzien van de boete. 4.8. Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank als volgt geoordeeld: “4.13. De verzuimboete is in beginsel in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd.[8] Het beboetbare feit is begaan. Belanghebbende heeft namelijk een in het buitenland geregistreerde auto feitelijk ter beschikking gehad en daarmee gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland zonder motorrijtuigenbelasting te hebben voldaan. De verzuimboete is dan ook terecht opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wel zal de rechtbank conform het standpunt van de inspecteur de verzuimboete verminderen tot € 547.[9] De rechtbank acht deze verzuimboete passend en geboden. De rechtbank constateert wel dat sinds de aankondiging van de verzuimboete op 13 december 2021 de redelijke termijn met meer dan twee jaren zijn verstreken bij het doen van uitspraak door de rechtbank. Omdat het hier gaat om een boete die lager is dan € 1.000 zal de rechtbank volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.[10] Voetnoten: 8. Artikel 37 van de Wet MRB in combinatie met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). 9. Zie ook Besluit van het Directoraat-Generaal Belastingdienst van 22 juni 2023, Staatscourant 2023, 17366. 10. Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175. ” 4.9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de boete op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt dit oordeel tot de zijne. Tussenconclusie 4.10. Het hoger beroep is ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.11. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.12. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. Hoge Raad 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028, Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643 en Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154.