Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-04
ECLI:NL:GHSHE:2026:234
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,107 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:234 text/xml public 2026-03-24T14:00:31 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-04 24/419 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:885, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:234 text/html public 2026-03-03T15:54:35 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:234 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-02-2026 / 24/419 Aanslag IB/PVV 2018. Inkomsten hennepkwekerij. Het hof is van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de boetebeschikking terecht is vastgesteld, maar moet worden gematigd vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/419 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 februari 2024, zaaknummer BRE 22/5458, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [naam] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1960. In 2018 was hij niet gehuwd en had hij geen fiscaal partner. 2.2. Op 25 oktober 2018 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een schuur op het adres [adres] te [plaats] . 2.3. Belanghebbende heeft, na daarvoor te zijn uitgenodigd, op 16 maart 2019 aangifte IB/PVV 2018 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.404. Belanghebbende heeft in de aangifte geen inkomsten uit hennepkwekerij aangegeven. 2.4. Bij brief van 6 februari 2020 heeft de inspecteur belanghebbende een rapport toegestuurd dat is opgemaakt naar aanleiding van een controle van onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV. Daarin staat onder meer: “ (…) Voor de berekening op het inkomen heb ik gebruik gemaakt van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, versie november 2010. (…) 6 Berekening resultaat overige werkzaamheden (…) Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening: Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 21 juni 2018 tot 25 oktober 2018 er sprake is van één oogst á 585 hennepplanten in kweekruimte 1 en 576 hennepplanten in kweekruimte 2 uitgaande van een groeicyclus van 10 weken. Waarbij ik ben uitgegaan van de norm, zoals vermeld in het proces-verbaal van de politie Oost Brabant, zijnde 25,7 gram per plant voor kweekruimte 1 en 25,1 gram per plant voor kweekruimte 2. De gramprijs wordt door mij gesteld op € 4,07, zijnde de prijs die op dat moment in de markt gehanteerd is. Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening: Kweekruimte 1 - 585 planten X 25,7 gram = 15.034,5 gram - 15.034,5 gram X € 4,07 = € 61.190,41 De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 1 komt hierdoor op € 61.190,00 voor één oogst. Kweekruimte 2 - 576 planten X 25,1 gram = 14.457,6 gram - 14.457,6 gram X € 4,07 = € 58.842,43 De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 2 komt hierdoor op € 58.842,43 voor één oogst. De totale opbrengst in 2018 voor kweekruimten 1 en 2 komt hierdoor op € 120.032,00. Omdat niet duidelijk is hoe de verdeling van het genoten voordeel dient te worden verdeeld is om pragmatische reden en om de rechten van de Belastingdienst veilig te stellen besloten om bij alle verdachten het maximaal genoten voordeel tot hun genoten inkomen te rekenen. Aftrekbare kosten: Kosten komen alleen voor aftrek in aanmerking, indien er ook een opbrengst is gerealiseerd en deze kosten een directe relatie hebben met het strafbare feit. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de teelt van de in beslag genomen hennepplanten, komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking. In het genoemde rapport van BOOM is opgenomen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. (…) 9. Boete Over de correctie genoemd onder punt 6 ben ik voornemens naast de aanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst te leggen. De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 50%.” 2.5. Met dagtekening 14 oktober 2021 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 (hierna: de aanslag) vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur € 120.032 aan resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.436. Ook heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 28.388. 2.6. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur alsnog rekening gehouden met bij de hennepteelt gemaakte kosten tot een bedrag van € 9.036, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.400. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd tot € 25.878. 2.7. De strafkamer van dit hof heeft op 6 oktober 2023 arresten gewezen in de strafzaak en ontnemingszaak van belanghebbende. Het hof heeft in de strafzaak overwogen dat de materiële bijdrage van belanghebbende aan de exploitatie van de hennepkwekerij zodanig is geweest dat het handelen van belanghebbende daarbij als medeplegen valt te kwalificeren en de veroordeling van de rechtbank voor het medeplegen van hennepteelt bevestigd. Het hof heeft in de ontnemingszaak het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 54.748, dit geschatte voordeel verminderd in verband met termijnoverschrijdingen tot een bedrag van € 50.000 en ten bedrage van laatsgenoemd bedrag aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Belanghebbende heeft beroep in cassatie tegen deze vonnissen ingesteld. Dit is in beide gevallen niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie. 2.8. De rechtbank heeft op 14 februari 2024 het beroep tegen de in 2.6 vermelde uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.902 (door niet de gehele maar 50% van de netto opbrengst toe te rekenen aan belanghebbende), de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de vergrijpboete verminderd tot € 8.720 vanwege vermindering van de boetegrondslag en in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in door belanghebbende gemaakte proceskosten. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan? II.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:234 text/xml public 2026-04-14T16:32:47 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-04 24/419 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:885, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/547 Viditax (FutD) 2026041401 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:234 text/html public 2026-03-03T15:54:35 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:234 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-02-2026 / 24/419 Aanslag IB/PVV 2018. Inkomsten hennepkwekerij. Het hof is van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de boetebeschikking terecht is vastgesteld, maar moet worden gematigd vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/419 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 februari 2024, zaaknummer BRE 22/5458, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [naam] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1960. In 2018 was hij niet gehuwd en had hij geen fiscaal partner. 2.2. Op 25 oktober 2018 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een schuur op het adres [adres] te [plaats] . 2.3. Belanghebbende heeft, na daarvoor te zijn uitgenodigd, op 16 maart 2019 aangifte IB/PVV 2018 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.404. Belanghebbende heeft in de aangifte geen inkomsten uit hennepkwekerij aangegeven. 2.4. Bij brief van 6 februari 2020 heeft de inspecteur belanghebbende een rapport toegestuurd dat is opgemaakt naar aanleiding van een controle van onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV. Daarin staat onder meer: “ (…) Voor de berekening op het inkomen heb ik gebruik gemaakt van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, versie november 2010. (…) 6 Berekening resultaat overige werkzaamheden (…) Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening: Uit het onderzoek is gebleken dat in de periode van 21 juni 2018 tot 25 oktober 2018 er sprake is van één oogst á 585 hennepplanten in kweekruimte 1 en 576 hennepplanten in kweekruimte 2 uitgaande van een groeicyclus van 10 weken. Waarbij ik ben uitgegaan van de norm, zoals vermeld in het proces-verbaal van de politie Oost Brabant, zijnde 25,7 gram per plant voor kweekruimte 1 en 25,1 gram per plant voor kweekruimte 2. De gramprijs wordt door mij gesteld op € 4,07, zijnde de prijs die op dat moment in de markt gehanteerd is. Dit leidt tot de volgende opbrengstberekening: Kweekruimte 1 - 585 planten X 25,7 gram = 15.034,5 gram - 15.034,5 gram X € 4,07 = € 61.190,41 De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 1 komt hierdoor op € 61.190,00 voor één oogst. Kweekruimte 2 - 576 planten X 25,1 gram = 14.457,6 gram - 14.457,6 gram X € 4,07 = € 58.842,43 De opbrengst in 2018 voor kweekruimte 2 komt hierdoor op € 58.842,43 voor één oogst. De totale opbrengst in 2018 voor kweekruimten 1 en 2 komt hierdoor op € 120.032,00. Omdat niet duidelijk is hoe de verdeling van het genoten voordeel dient te worden verdeeld is om pragmatische reden en om de rechten van de Belastingdienst veilig te stellen besloten om bij alle verdachten het maximaal genoten voordeel tot hun genoten inkomen te rekenen. Aftrekbare kosten: Kosten komen alleen voor aftrek in aanmerking, indien er ook een opbrengst is gerealiseerd en deze kosten een directe relatie hebben met het strafbare feit. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de teelt van de in beslag genomen hennepplanten, komen derhalve niet voor aftrek in aanmerking. In het genoemde rapport van BOOM is opgenomen welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. (…) 9. Boete Over de correctie genoemd onder punt 6 ben ik voornemens naast de aanslag een vergrijpboete ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst te leggen. De voorgenomen vergrijpboete bedraagt 50%.” 2.5. Met dagtekening 14 oktober 2021 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 (hierna: de aanslag) vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur € 120.032 aan resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.436. Ook heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 28.388. 2.6. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur alsnog rekening gehouden met bij de hennepteelt gemaakte kosten tot een bedrag van € 9.036, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.400. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd tot € 25.878. 2.7. De strafkamer van dit hof heeft op 6 oktober 2023 arresten gewezen in de strafzaak en ontnemingszaak van belanghebbende. Het hof heeft in de strafzaak overwogen dat de materiële bijdrage van belanghebbende aan de exploitatie van de hennepkwekerij zodanig is geweest dat het handelen van belanghebbende daarbij als medeplegen valt te kwalificeren en de veroordeling van de rechtbank voor het medeplegen van hennepteelt bevestigd. Het hof heeft in de ontnemingszaak het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 54.748, dit geschatte voordeel verminderd in verband met termijnoverschrijdingen tot een bedrag van € 50.000 en ten bedrage van laatsgenoemd bedrag aan belanghebbende de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Belanghebbende heeft beroep in cassatie tegen deze vonnissen ingesteld. Dit is in beide gevallen niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie. 2.8. De rechtbank heeft op 14 februari 2024 het beroep tegen de in 2.6 vermelde uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.902 (door niet de gehele maar 50% van de netto opbrengst toe te rekenen aan belanghebbende), de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de vergrijpboete verminderd tot € 8.720 vanwege vermindering van de boetegrondslag en in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in door belanghebbende gemaakte proceskosten. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan? II.
Volledig
Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven? 3.2. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt ingetrokken dat met een toerekening van 50% van de netto opbrengsten (zijnde de door de rechtbank in goede justitie vastgestelde opbrengst) uit de hennepkwekerij aan belanghebbende de aanslag willekeurig is vastgesteld. Daarmee is de redelijke schatting, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, niet meer in geschil. 3.3. Belanghebbende concludeert tot een ontkennende beantwoording van de hiervoor genoemde vragen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan? 4.1. In hoger beroep is niet meer in geschil dat – met het niet aangeven van de aanzienlijke inkomsten uit de hennepteelt - sprake is van een gebrek in de aangifte van belanghebbende dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het geschil omtrent de vraag of de vereiste aangifte is gedaan spitst zich toe op de vraag of belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. 4.2. Belanghebbende stelt in dat kader dat hij geen kennis heeft van het belastingrecht en dat het bovendien geen feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit illegale activiteiten in de aangifte moeten worden aangegeven. Belanghebbende stelt dat de inspecteur daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende zich ervan bewust was dat hij de inkomsten in de aangifte had moeten aangeven. 4.3. Het hof stelt voorop dat de vereiste bewustheid moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De stelplicht en bewijslast hiervan rust in beginsel op de inspecteur. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om hierover anders te oordelen. 4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur terecht naar voren gebracht dat het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn inkomsten uit de hennepteelt niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. In het midden kan blijven of belanghebbende wist dat inkomen uit een criminele oorsprong zoals hennepteelt in de aangifte aangeven moet worden. II. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven? 4.5. De inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met paragrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting, omdat belanghebbende volgens hem opzettelijk een onjuiste dan wel onvolledige aangifte heeft gedaan door de opbrengsten uit de hennepkwekerij niet in de aangifte op te nemen. Mede gelet op het illegale karakter van deze activiteiten heeft belanghebbende de inkomsten uit het zicht van de fiscus willen houden, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de aangifte moeten worden aangegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de boete terecht heeft opgelegd maar heeft de boete wel verminderd wegens vermindering van de boetegrondslag en overschrijding van de redelijke termijn (zie 2.8). 4.6. Het hof stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient te worden begrepen als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. Het hof zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat hij de aangifte onjuist heeft gedaan. 4.7. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake als (i) belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, en (ii) hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. 4.8. Naar het oordeel van het hof is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast, zodat de boetebeschikking terecht is gegeven. Vast staat dat belanghebbende in het jaar 2018 aanzienlijke inkomsten uit illegale hennepteelt heeft verkregen en dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangeven in zijn aangifte. Deze gedragingen worden door het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat over deze inkomsten geen belasting wordt betaald, dat het – bij gebrek aan contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het hem aan bewustheid heeft ontbroken omdat hij geen enkele opleiding heeft genoten, zelfs geen lagere school, en enige belastingkennis volledig ontbreekt. Het hof acht dit ongeloofwaardig gelet op zijn betrokkenheid bij en inkomsten uit de hennepkwekerij en het hiervoor onder 4.4 genoemde feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en ziet hierin dan ook geen contra-indicatie als hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van het hof is, nu ook niet meer in geschil is dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten, hiermee overtuigend aangetoond dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. 4.9. Subsidiair stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte de boete niet verder gematigd heeft, omdat a) belanghebbende weinig financiële draagkracht heeft en b) de boetegrondslag is komen vast te staan door omkering van de bewijslast. 4.10. Ten aanzien van de vraag of de boete passend en geboden is, overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat zijn financiële draagkracht een probleem vormt bij het betalen van de vergrijpboete. Dit is door de inspecteur niet betwist. Het hof stelt, op grond van die stukken, vast dat belanghebbende, inmiddels 65 jaar, thans a) geen zichtbaar vermogen heeft, b) een bijstandsuitkering ontvangt van afgerond € 800 per maand en c) aan hem de onherroepelijk geworden verplichting is opgelegd tot betaling van de ontnemingsmaatregel van € 50.000 aan de Staat. Het hof is daarom van oordeel dat een boete door de rechtbank verminderd tot een bedrag van € 8.720 tot onaanvaardbare financiële problemen voor belanghebbende zal leiden. Het hof zal de boetebeschikking op basis van de gestelde, onderbouwde en niet-betwiste financiële omstandigheden verminderen tot € 1.000. Het hof acht deze boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan twee jaar zal het hof de boete verminderen tot € 800. 4.11. Het bedrag aan verschuldigde belasting – dat tevens de grondslag voor de boete vormt - is wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.
Volledig
Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven? 3.2. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt ingetrokken dat met een toerekening van 50% van de netto opbrengsten (zijnde de door de rechtbank in goede justitie vastgestelde opbrengst) uit de hennepkwekerij aan belanghebbende de aanslag willekeurig is vastgesteld. Daarmee is de redelijke schatting, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, niet meer in geschil. 3.3. Belanghebbende concludeert tot een ontkennende beantwoording van de hiervoor genoemde vragen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil I. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan? 4.1. In hoger beroep is niet meer in geschil dat – met het niet aangeven van de aanzienlijke inkomsten uit de hennepteelt - sprake is van een gebrek in de aangifte van belanghebbende dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het geschil omtrent de vraag of de vereiste aangifte is gedaan spitst zich toe op de vraag of belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. 4.2. Belanghebbende stelt in dat kader dat hij geen kennis heeft van het belastingrecht en dat het bovendien geen feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit illegale activiteiten in de aangifte moeten worden aangegeven. Belanghebbende stelt dat de inspecteur daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende zich ervan bewust was dat hij de inkomsten in de aangifte had moeten aangeven. 4.3. Het hof stelt voorop dat de vereiste bewustheid moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. De stelplicht en bewijslast hiervan rust in beginsel op de inspecteur. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om hierover anders te oordelen. 4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur terecht naar voren gebracht dat het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn inkomsten uit de hennepteelt niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. In het midden kan blijven of belanghebbende wist dat inkomen uit een criminele oorsprong zoals hennepteelt in de aangifte aangeven moet worden. II. Is de boetebeschikking, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot een juist bedrag gegeven? 4.5. De inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met paragrafen 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting, omdat belanghebbende volgens hem opzettelijk een onjuiste dan wel onvolledige aangifte heeft gedaan door de opbrengsten uit de hennepkwekerij niet in de aangifte op te nemen. Mede gelet op het illegale karakter van deze activiteiten heeft belanghebbende de inkomsten uit het zicht van de fiscus willen houden, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten uit werkzaamheden in de aangifte moeten worden aangegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de boete terecht heeft opgelegd maar heeft de boete wel verminderd wegens vermindering van de boetegrondslag en overschrijding van de redelijke termijn (zie 2.8). 4.6. Het hof stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient te worden begrepen als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. Het hof zal daarom beoordelen of de inspecteur heeft doen blijken dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat hij de aangifte onjuist heeft gedaan. 4.7. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake als (i) belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, en (ii) hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. 4.8. Naar het oordeel van het hof is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast, zodat de boetebeschikking terecht is gegeven. Vast staat dat belanghebbende in het jaar 2018 aanzienlijke inkomsten uit illegale hennepteelt heeft verkregen en dat belanghebbende deze inkomsten niet heeft aangeven in zijn aangifte. Deze gedragingen worden door het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt als zozeer gericht op het gevolg dat over deze inkomsten geen belasting wordt betaald, dat het – bij gebrek aan contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het hem aan bewustheid heeft ontbroken omdat hij geen enkele opleiding heeft genoten, zelfs geen lagere school, en enige belastingkennis volledig ontbreekt. Het hof acht dit ongeloofwaardig gelet op zijn betrokkenheid bij en inkomsten uit de hennepkwekerij en het hiervoor onder 4.4 genoemde feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit werkzaamheden in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en ziet hierin dan ook geen contra-indicatie als hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van het hof is, nu ook niet meer in geschil is dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten, hiermee overtuigend aangetoond dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. 4.9. Subsidiair stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte de boete niet verder gematigd heeft, omdat a) belanghebbende weinig financiële draagkracht heeft en b) de boetegrondslag is komen vast te staan door omkering van de bewijslast. 4.10. Ten aanzien van de vraag of de boete passend en geboden is, overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat zijn financiële draagkracht een probleem vormt bij het betalen van de vergrijpboete. Dit is door de inspecteur niet betwist. Het hof stelt, op grond van die stukken, vast dat belanghebbende, inmiddels 65 jaar, thans a) geen zichtbaar vermogen heeft, b) een bijstandsuitkering ontvangt van afgerond € 800 per maand en c) aan hem de onherroepelijk geworden verplichting is opgelegd tot betaling van de ontnemingsmaatregel van € 50.000 aan de Staat. Het hof is daarom van oordeel dat een boete door de rechtbank verminderd tot een bedrag van € 8.720 tot onaanvaardbare financiële problemen voor belanghebbende zal leiden. Het hof zal de boetebeschikking op basis van de gestelde, onderbouwde en niet-betwiste financiële omstandigheden verminderen tot € 1.000. Het hof acht deze boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan twee jaar zal het hof de boete verminderen tot € 800. 4.11. Het bedrag aan verschuldigde belasting – dat tevens de grondslag voor de boete vormt - is wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.