Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-08-12
ECLI:NL:GHSHE:2026:2216
Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Wederspannigheid. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken. Parketnummer : 20-002972-25 Uitspraak : 12 augustus 2026 TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 25 november 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-262971-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996, thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’ (feit 1), ‘wederspannigheid’ (feit 2) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken’ (feit 3), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman het hof verzocht deze te matigen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te Eindhoven opzettelijk(een) ambtena(a)r(en), te weten - [benadeelde 1] (hoofdagent bij eenheid Oost-Brabant van Politie), - [benadeelde 2] (hoofdagent bij eenheid Oost-Brabant van Politie), en/of - [benadeelde 3] (agent bij eenheid Oost-Brabant van Politie) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door - op, althans in de richting van, die [benadeelde 2] te spugen, - op, althans in de richting van, die [benadeelde 1] te spugen, en/of - op, althans in de richting van, die [benadeelde 3] te spugen; 2. hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te Eindhoven zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 1] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding en transport van verdachte door naar het stroomstootwapen van die [benadeelde 1] te grijpen en zich in tegengestelde richting te bewegen dan de richting waarin die [benadeelde 1] hem probeerde te brengen; 3. hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een cel, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij op 6 oktober 2025 te Eindhoven opzettelijk ambtenaren, te weten - [benadeelde 1] (hoofdagent bij eenheid Oost-Brabant van Politie), - [benadeelde 2] (hoofdagent bij eenheid Oost-Brabant van Politie) en - [benadeelde 3] (agent bij eenheid Oost-Brabant van Politie) gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door - op die [benadeelde 2] te spugen, - op die [benadeelde 1] te spugen, en - op die [benadeelde 3] te spugen; 2. hij op 6 oktober 2025 te Eindhoven zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 1] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding en transport van verdachte door naar het stroomstootwapen van die [benadeelde 1] te grijpen en zich in tegengestelde richting te bewegen dan de richting waarin die [benadeelde 1] hem probeerde te brengen; 3. hij op 6 oktober 2025 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een cel die aan Politie toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: wederspannigheid. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), gelet op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) die onlangs bij vonnis van rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 19 februari 2026 aan de verdachte is opgelegd. De raadsman meent dat artikel 63 Sr van toepassing is in verband met deze veroordeling. De raadsman stelt dat onderhavige feiten meegenomen hadden kunnen worden bij de beslissing over de ISD-maatregel, zodat deze maatregel ook ten aanzien van onderhavige feiten was opgelegd. Om deze reden vindt de verdediging oplegging van een straf niet passend en wordt het hof verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening (meermalen gepleegd), wederspannigheid en het onbruikbaar maken van een cel. Met het onbruikbaar maken van de cel heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Tevens heeft hij blijk gegeven evenmin respect te hebben voor het openbaar gezag. Met de belediging heeft de verdachte de verbalisanten in hun eer en goede naam aangetast. Ten laste van de verdachte is daarnaast bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid. Personen met een publieke taak dienen – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – te kunnen functioneren, zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk hinderlijk en strafbaar gedrag. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026. Daaruit volgt dat de verdachte meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Gelet op het verweer van de verdediging dat artikel 63 Sr van toepassing is in onderhavige zaak in verband met de opgelegde ISD-maatregel bij vonnis van 19 februari 2026, overweegt het hof het volgende. Artikel 63 Sr luidt als volgt: "Indien iemand, na veroordeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeling gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval van gelijktijdige berechting van toepassing." In casu is echter geen sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 63 Sr, waarbij de verdachte opnieuw schuldig wordt verklaard na een veroordeling tot een straf, nu hier sprake is van een veroordeling tot een maatregel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat artikel 63 Sr volgens de Hoge Raad niet van toepassing is bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf na eerdere oplegging van een ISD-maatregel. Om deze reden staat er volgens het hof niets aan in de weg om aan de verdachte een straf op te leggen voor de feiten die zijn gepleegd voorafgaand aan de eerdere veroordeling tot een ISD-maatregel. Uit voornoemd uittreksel blijkt overigens dat het bepaalde in artikel 63 Sr van toepassing is ten aanzien van een andere veroordeling. Het hof ziet in de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a Sr, zoals door de verdediging bepleit. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Alles afwegende acht het hof de straf die was opgelegd door de politierechter, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 395,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 395,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 395,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 395,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 395,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 395,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 180, 266, 267 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) ter zake van immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 oktober 2025. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) ter zake van immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 oktober 2025. Aldus gewezen door: mr. S.C. van Duijn, voorzitter, mr. A.R. Hartmann en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. Holleman, griffier, en op 12 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. A.R. Hartmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Vgl. HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5990, rov. 3.4.