Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:221
Parketnummer : 20-000748-25 Uitspraak : 27 januari 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025, onder parketnummer 03-261121-24, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 20-001902-21, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 3 primair voor wat betreft het plaatsen van de berichten met betrekking tot de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet strafbaar verklaard en de verdachte ten aanzien van die onderdelen in de tenlastelegging (doxing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) van alle rechtsvervolging ontslagen. De rechtbank heeft het overige bewezenverklaarde strafbaar verklaard en dat gekwalificeerd als: ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’ (feit 1); ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd’ (feit 2), en ‘het verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel ernstig te laten hinderen, meermalen gepleegd’ (feit 3 primair), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft voorts de onder de verdachte inbeslaggenomen munitie en wapens zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 13 januari 2025 onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte gelast van de inbeslaggenomen nagebootste handgranaat. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] is voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] geheel toegewezen voor het bedrag van € 1.350,00, bestaande uit € 449,00 aan materiële schade en € 901,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is daarnaast telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De rechtbank heeft de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding. Daarbij heeft de rechtbank deze benadeelde partijen veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Daarnaast heeft de rechtbank bevolen de tenuitvoerlegging van de eerder onder parketnummer 20-001902-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen. Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf. Namens de verdac Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer vuurwapen(s): - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 1 en 2), - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 3 t/m 6), - een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 3 en 6), - een gaspistool, merk Zoraki (ATAK arms) M906, kaliber 9 millimeter P.A.K. (foto 7 t/m 10), - een schietbeker (zijnde een loop) voor een gaspistool met inscriptie PTB 1064 (foto 10), - een patroonmagazijn, merk Zoraki (foto nr. 17), - 2 patroonmagazijnen geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 23),- een patroonmagazijn geschikt voor kalibers 5.56X45 millimeter Navo en .223 (foto 24), (telkens) zijnde een of meer (onderdelen van) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad; 2.hij op of omstreeks 14 augustus 2024 in de gemeente Bergen (L) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer patronen: - 14 hagelpatronen in het kaliber 16 Ga (foto 14), - één (1) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 15), - één (1) hagelpatroon in het kaliber 16 Ga (foto 16), - 100 kogelpatronen in het kaliber .32 (foto 18), - 6 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto’s 19 en 20), - 6 knal-/gaspatronen van het merk Zoraki (foto’s 21 en 22), - 4 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 25), - 435 kogelpatronen in het kaliber .22 Long Rifle (foto’s 26 en 27), - 92 kogelpatronen in het kaliber .38-40 (foto 28), - 10 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 29), - 2 kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning (foto 30), - 46 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 31), - 95 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 32), - 100 hagelpatronen in het kaliber 12 Ga (foto 33), voorhanden heeft gehad; 3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen (L) een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten namen, foto’s en/of video’s van een ander, te weten - [slachtoffer 4] , - [slachtoffer 1] , - [slachtoffer 2] en/of - [slachtoffer 3] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , - vrees aan te (laten) jagen en/of - ernstige overlast aan te (laten) doen en/of - in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen, althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van politieambtenaren (te weten: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door telkens opzettelijk en met voornoemd doel via openbare sociale media, te weten Facebook, meerdere berichten, foto’s en/of video’s heeft verspreid met – onder andere – de volgende inhoud: - ( Facebook 5 juni 2024): “Zoek de verschillen. ??Glasvezel/politie Zn rooie oortjes zijn hetzelfde. Delen is lief.” en hierbij twee beelden te plaatsen van die [slachtoffer 3] , - ( Facebook 9 juni 2023) “Je komt de politie tegen bij dichterbij en je ziet ze i op tijdstippen in de periode van 9 juni 2023 tot en met 9 juli 2024 in de gemeente Bergen (L) persoonsgegevens van een ander, te weten foto’s en/of video's van een ander, te weten - [slachtoffer 4] , - [slachtoffer 1] , - [slachtoffer 2] en - [slachtoffer 3] heeft verspreid en/of ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] - vrees aan te (laten) jagen en - ernstige overlast aan te (laten) doen en - in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de doorzoeking van de woning onrechtmatig is geweest. Er werd een machtiging tot binnentreden ter aanhouding afgegeven, maar vervolgens werd – terwijl de verdachte reeds beneden in de hal was aangehouden – op de eerste verdieping een afgesloten slaapkamerdeur geopend en werden twee jachtgeweren aangetroffen. Pas daarna werd een machtiging tot doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie afgegeven. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen uit de doorzoeking als bewijsmiddelen is voortgevloeid. Bij gebrek aan ander bewijs (behalve de verklaring van de verdachte) dient daarom vrijspraak van feit 1 en feit 2 te volgen. De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde schietbekers en de patroonmagazijnen in de kalibers 5.56x45 millimeter Navo en .223. De verdachte stelt zich op het standpunt dat de zogenaamde schietbekers onjuist zijn geduid en dat het in werkelijkheid mondingsvlamdempers betreft. Daarnaast betwist de verdachte dat hij patroonmagazijnen in de kalibers 5.56x45 millimeter Navo en .223 voorhanden heeft gehad. Er zijn geen wapens aangetroffen waarvoor deze magazijnen geschikt zijn, waardoor sprake is van een gebrek aan wetenschap en een ontbreken van beschikkingsmacht. Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 359a Sv-verweer Op 14 augustus 2024 is de politie de woning van de verdachte aan [adres] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte. De hulpofficier van justitie heeft daartoe op 12 augustus 2024 een machtiging tot binnentreden afgegeven. Uit het dossier blijkt tevens dat de verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie, waaronder een veroordeling voor vuurwapenbezit. Gelet hierop kon de aanhouding in redelijkheid als risicovol worden aangemerkt, waarbij naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen aanwezig was. De officier van justitie heeft daarop beslist dat voor het binnentreden ter fine van aanhouding de Ondersteuningsgroep Limburg zou worden ingezet. Bij het veiligstellen van de woning in verband met de aanhouding werd door de Ondersteuningsgroep een slaapkamerdeur geforceerd. Nu het een risicovolle aanhouding betrof en dit in het kader van het veiligstellen van de woning is gebeurd, waren zij daartoe, naar het oordeel van het hof, bevoegd. De schuifdeur van een kledingkast in deze slaapkamer stond open en twee jachtwapens lag In deze berichten staan nare teksten over hen geschreven, worden gegevens vermeld die naar hen herleidbaar zijn en wordt opgeroepen tot het delen van het bericht en of de persoonsgegevens. De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank erkend dat hij de gebruiker was van het betreffende Facebookprofiel. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij de berichten heeft geplaatst omdat hij boos en wanhopig was en hij rust wilde. Het kan niet anders zijn dan dat de verdachte bij het plaatsen van de berichten heeft beseft dat zijn handelen de betrokkenen vrees zou aanjagen, ernstige overlast zou veroorzaken of hen in de uitoefening van hun ambt ernstig zou hinderen. Daarmee is voldaan aan het oogmerkvereiste. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Strafbaarstelling doxing De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte met betrekking tot de doxing begaan jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , omdat artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht waarin doxing strafbaar is gesteld, pas op 1 januari 2024 in werking is getreden. De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal. Het hof begrijpt de tenlastelegging, mede in het licht van het standpunt van de advocaat-generaal zoals hierboven verwoord, zo dat de verdachte hiermee het verwijt wordt gemaakt het bericht met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen de tenlastegelegde periode te hebben geplaatst, en niet (tevens) dat hij de berichten gedurende de tenlastegelegde periode heeft nagelaten te verwijderen. Het hof stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte op 9 juni 2023 foto’s op Facebook heeft geplaatst waarop [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] herkenbaar (en in politie-uniform) in beeld werden gebracht. De foto’s gingen vergezeld van belastende teksten. Toen de verdachte de berichten plaatste, was artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht nog niet in werking getreden. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof derhalve van oordeel dat de onder feit 3 primair bewezenverklaarde feitelijkheden ten aanzien van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet als strafbaar zijn te kwalificeren. De verdachte dient voor dit deel van de bewezenverklaring te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Op de datum van het plaatsen van de berichten die betrekking hebben op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] was doxing wel strafbaar, zodat feit 3 primair voor wat betreft deze politieambtenaren kan worden gekwalificeerd als doxing. Kwalificatie Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd. Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd. Het onder feit 3 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: het verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen dan wel ernstig te laten hinderen, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van de onder feit 1 bewezenverklaarde drie gaspistolen wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling was dat hij (niet strafbare) alarmpistolen had gekocht. De verdachte heeft de wapens legaal in Duitsland gekocht. Hij wist niet dat zij in Nederland Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in zijn woning meerdere wapens en een grote hoeveelheid patronen voorhanden heeft gehad. Het illegaal voorhanden hebben van (vuur)wapens en munitie zijn ernstige delicten waartegen streng wordt opgetreden, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van dergelijke wapens uitgaan en het steeds verder toenemende bezit en gebruik daarvan in de maatschappij. Het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen brengt een volstrekt onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen in de samenleving met zich mee. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doxing van twee politieambtenaren. Daarmee heeft de verdachte de integriteit van deze politieambtenaren aangetast door het delen van foto’s en of video’s waarop zij herkenbaar in beeld zijn, vergezeld van belastende teksten. Uit de schriftelijke toelichting van [slachtoffer 3] blijkt dat hij zich in zijn werk gehinderd voelt door het handelen van de verdachte. Hij maakt zich regelmatig zorgen over de gevolgen en is alerter dan voorheen. De impact van het handelen van de verdachte op [slachtoffer 4] is nog groter. Uit haar schriftelijke verklaring blijkt dat de aanhoudende ongefundeerde beledigingen van de verdachte haar privéleven enorm raken. Het veiligheidsgevoel van haar en haar familie is aangetast en er heersen gevoelens van angst en onveiligheid in haar gezin. Dat de verdachte zijn profielnaam op Facebook in ‘ [slachtoffer 4] ’ heeft veranderd, heeft zij als een grote inbreuk op haar privacy ervaren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Ten aanzien van het verweer van de verdediging, inhoudende dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen ex artikel 359a Sv die tot strafvermindering moeten leiden, heeft het hof hierboven reeds uiteengezet dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot aanhouding van de verdachte door de Ondersteuningsgroep van de politie en dat veiligstellen van de woning in dat kader (een “versnelde instap”) niet onrechtmatig is geweest. Ofschoon het hof niet uitsluit dat de verdachte daarbij hardhandig is aangepakt, zoals hij heeft verklaard, is niet gebleken dat de verdachte daarbij zodanig letsel heeft opgelopen, of dat het handelen van de politie dusdanig disproportioneel was, dat artikel 3 van het EVRM hierdoor zou zijn geschonden. Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook geen vormen verzuimd in de zin van artikel 359a Sv waarmee het hof rekening moet houden bij het bepalen van de op te leggen straf. Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder tevens voor smaad, belediging en mishandeling van een politieambtenaar als ook voor overtredingen van de Wet wapens en munitie. Die veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de eerder bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 7 april 2023 opgelegde, uitgevoerde en geëxecuteerde taakstraf alsmede de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg d.d. 9 juli 2021 opgelegde, uitgevoerde en geëxecuteerde taakstraf – beide mede opgelegd ten aanzien van onder meer overtreding(en) van de Wet wapens en munitie – is de taakstrafbeperking van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Daarnaast is op basis van de stukken in het dossier gebleken dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan een consult van een psycholoog. Ook aan de reclassering heeft de verdachte te kennen gegeven niet mee te willen werken aan enig contact. In hoger beroep is er evenmin een reclasseringsadvies tot stand gekomen. Het hof heeft daardoor slechts beperkt zicht gekregen op de persoon van de verdachte. Ofschoon bij de verdachte geen p Voor zover de raadsvrouw ten aanzien van de – niet op de beslaglijst vermelde – drie Winchester kogelgeweren en het Arthur Allan hagelgeweer (kennisgevingen van inbeslagneming op dossierpagina’s 280-283) heeft willen betogen dat dit antieke wapens zijn en deze aan de verdachte dienen te worden teruggegeven, overweegt het hof dat deze vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu ze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang. Vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben in eerste aanleg vorderingen ingesteld, telkens strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 569,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben schriftelijk te kennen gegeven de gehele vorderingen tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven. Hoewel het hof van oordeel is dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde schade hebben geleden, zal het hof de benadeelde partijen in de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Doxing is immers per 1 januari 2024 in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld en de verdachte heeft het feit jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] begaan op 9 juni 2023, op welke datum het feit niet strafbaar was en de onrechtmatigheid ervan niet op die grond kan worden vast gesteld. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen naar het oordeel van het hof daarom niet in de vorderingen tot schadevergoeding worden ontvangen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partijen zullen daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 569,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] is voor het overige afgewezen. De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen wanneer sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het onder feit 3 primair bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden doordat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. Het betreft één Facebookbericht, dat beperkt bekeken is. Het hof begroo De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedragen zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade zal het hof uitgaan van de datum van de factuur van de aanschaf van de camera’s, te weten 30 augustus 2024, en wat betreft de immateriële schade zal het hof uitgaan van de laatste datum van de bewezenverklaarde periode, te weten 9 juli 2024. Proceskosten Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregelen Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is toegebracht tot de respectievelijke bedragen van € 250,00 en € 1.350,00. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte telkens de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormelde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente als hierna vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat telkens gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissementsparket Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2022 onder parketnummer 20-001902-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 285d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 3 primair voor wat betreft het plaatsen van de berichten met betrekking tot de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien van die onderdelen in de tenlastelegging (doxing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) van alle rechtsvervolging; verklaart het overige onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden ; bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het ein