Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-02
ECLI:NL:GHSHE:2026:1751
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 2 juli 2026 (bij vervroeging) Zaaknummer : 200.361.488/01 Zaaknummer EA : C/02/42940l / HA RK 24-222 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , Duitsland , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. M.P. Harten te Rotterdam, tegen [verweerder] , handelend onder de naam [handelsnaam] , wonende en kantoorhoudende te [woonplaats / kantoorplaats] , verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. J.L.J.M. van de Mortel te Lekkerkerk. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van 28 april 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] om een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij appeldagvaarding van 22 juli 2025 met grieven en producties (nr. 1 tot en met 7), waarbij [verweerder] tegen 9 september 2025 is opgeroepen, heeft [appellant] het hof verzocht om bij arrest de beschikking van de rechtbank van 28 april 2025 te vernietigen en alsnog het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. 2.2. Bij arrest van 14 oktober 2025 heeft het hof de zaak verwezen naar een kamer van dit hof die belast is met de behandeling van verzoekschriften en bevolen dat de procedure met inachtneming van de regels van de verzoekschriftenprocedure wordt voortgezet. 2.3. Het hof heeft partijen bij e-mail van 19 november 2025 bericht dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad over het overgangsrecht gezien onder meer de conclusie van 12 september 2025 van Advocaat-Generaal De Bock (ECLI:NL:PHR:2025:996). 2.4. Bij brieven van 18 februari 2026 heeft het hof aan partijen medegedeeld dat het hof aanleiding ziet om de zaak verder inhoudelijk te gaan behandelen vanwege de uitspraak van de Hoge Raad op 6 februari 2025, ECLI:NL:HR:2026:201. 2.5. Bij verweerschrift, ontvangen op 31 maart 2026, heeft [verweerder] het hof – kort weergegeven – verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, kosten rechtens inclusief de nakosten ook in hoger beroep. 2.6. Het hof heeft verder kennisgenomen van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Harten overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen. 2.7. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Harten namens [appellant] en [verweerder] , bijgestaan door mr. Van de Mortel. 3 De beoordeling 3.1. Het gaat – kort en zakelijk weergegeven – om het volgende. a. [B.V. 1] B.V. (hierna: [B.V. 1] ) en [B.V. 2] B.V. (hierna: [B.V. 2] ) hebben op 21 augustus 2020 ten overstaan van notaris mr. [notaris] (hierna: de notaris) [B.V. 3] B.V. (hierna: [B.V. 3] ) opgericht. [appellant] is zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V. 1] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) is zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V. 2] . In de akte van oprichting zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] benoemd tot bestuurders van [B.V. 3] en is bepaald dat [B.V. 1] en [B.V. 2] ieder voor 50% deelnemen in het bij de oprichting geplaatste kapitaal. De [B.V. 3] was tot 7 oktober 2021 enig aandeelhouder van [B.V. 4] B.V. (hierna: [B.V. 4] ) en van [B.V. 5] B.V. (hierna: [B.V. 5] ). [verweerder] is tot medio juli 2021 de boekhouder van [B.V. 1] geweest. [verweerder] was ook de boekhouder van de gezamenlijke vennootschappen van [betrokkene] en [appellant] , zoals onder meer [B.V. 3] , [B.V. 4] en [B.V. 5] Op 7 oktober 2021 heeft de notaris akten gepasseerd waarbij de aandelen van [B.V. 3] in de vennootschappen [B.V. 4] en [B.V. 5] voor een koopprijs van één euro zijn geleverd aan een door [betrokkene] op 7 oktober 2021 opgerichte vennootschap [B.V. 6] B.V. (hierna: [B.V. 6] ) waarin alleen [betrokkene] een (indirect) eigendomsbelang heeft. [B.V. 6] [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank en heeft in het beroepschrift vier grieven aangevoerd die – kort weergegeven – betogen dat het verzoek tot het houden van een verzochte voorlopig getuigenverhoor alsnog moet worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] zijn verzoek in zoverre beperkt dat hij in ieder geval verzoekt de volgende personen te horen: [verweerder] ; de medewerker van zijn kantoor die bij de communicatie met de notaris betrokken was; de betrokken notaris dan wel de behandelend medewerker van het notariskantoor; [betrokkene] . 3.6. [verweerder] heeft ook in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. De kern van zijn betoog is dat: [appellant] geen belang heeft bij zijn verzoek, omdat er geen sprake was van betrokkenheid van [verweerder] bij de overdracht van de aandelen, de feiten nooit tot een vordering uit onrechtmatige daad of wanprestatie kunnen leiden en [appellant] geen schade heeft geleden, en [appellant] misbruik van recht maakt door zijn pijlen op [verweerder] te richten en niet op [betrokkene] en de notaris en omdat sprake is van een fishing expedition. De beoordeling 3.7. Het hof komt tot de volgende beoordeling. Het hof is bevoegd 3.7.1. Omdat [appellant] woonachtig is in Duitsland, moet het hof eerst bepalen of het bevoegd is op het verzoek te beslissen. 3.7.2. Vóórdat een zaak aanhangig is, is ten eerste relatief bevoegd de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt (artikel 197 lid 1 Rv). Volgens de hoofdregel in dagvaardingsprocedures is dit de rechter van de woonplaats van gedaagde. Het hof is van oordeel dat het bevoegd is, omdat [verweerder] woont en kantoor houdt in [woonplaats / kantoorplaats] , en dus in het ressort van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hoger beroep is tijdig ingesteld 3.8. In het kader van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de Hoge Raad in de uitspraak van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201 overwogen dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft. 3.8.1. Dat betekent dat binnen drie maanden na de datum van de beschikking hoger beroep open stond (en niet binnen vier weken op grond van artikel 200 lid 1 Rv (nieuw)) en dat [appellant] dus tijdig hoger beroep heeft ingesteld omdat de appeldagvaarding van 22 juli 2025 is. Toetsingskader 3.9. Vervolgens ligt de vraag voor of het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor zoals door [appellant] bij inleidend verzoekschrift is verzocht alsnog moet worden toegewezen (en dus vernietiging van de beschikking waarvan beroep) of dat het verzoek ook in hoger beroep moet worden afgewezen. Het hof zal deze vraag naar het nieuwe recht moeten beantwoorden (en dus niet op grond van artikel 186 Rv (oud)), omdat [appellant] na 1 januari 2025 hoger beroep heeft ingesteld. Het hof verwijst hiervoor naar artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en naar rov. 3.6. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad van 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201. 3.9.1. Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, als het verzoek aan de eisen die de wet daaraan stelt voldoet en voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbru