Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2026:1720
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/553 tot en met 24/556 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 maart 2024, nummers BRE 21/3533 tot en met 21/3536, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2013 en 2014 opgelegd en de aanslagen IB/PVV over 2015 en 2016. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren voor de jaren 2013, 2014 en 2015 ongegrond verklaard en het bezwaar ten aanzien van 2016 gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende zijn gemachtigde [gemachtigde] en zijn zus, [zus] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/546 tot en met 24/549 van [zus] en 24/550 t/m 24/552 van [broer] . 1.7. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota met een bijlage toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar belanghebbende. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage. 1.8. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst. 2 Feiten 2.1. [naam vader] , de vader van belanghebbende (hierna: vader), is getrouwd met [naam moeder] , (hierna: moeder) samen verder aangeduid als de ouders. Zij hebben drie kinderen: belanghebbende, zijn broer [broer] (hierna: de broer) en zijn zus [zus] (hierna: de zus), hierna samen als de kinderen aangeduid. 2.2. Vader heeft in 1996 [bedrijf] opgericht, een discretionaire trust naar het recht van Jersey. Tot het vermogen van [bedrijf] behoorden onder meer alle aandelen in [Ltd] Ltd (hierna: [Ltd] ). 2.3. Op 25 maart 2004 heeft [Ltd] een vordering gekregen op [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). Vader is bestuurder en middellijk 100% aandeelhouder van [bedrijf 1] . De aandelen [bedrijf 1] worden voor 100% gehouden door [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ). Stichting [Stichting 1] (hierna: de Stichting) houdt 100% van de aandelen in [bedrijf 2] . De stichting heeft certificaten van de aandelen [bedrijf 2] uitgegeven aan vader die de enig bestuurder van de Stichting is. 2.4. Op 29 december 2009 zijn de aandelen [Ltd] gecertificeerd via de Stichting [Stichting Ltd] (hierna: Stichting [Stichting Ltd] ). 2.5. Op 30 december 2009 heeft [bedrijf] de certificaten van de aandelen in [Ltd] geschonken aan de kinderen. Hierover is schenkingsrecht betaald. 2.6. Op 31 januari 2011 heeft [Ltd] haar vordering op [bedrijf 1] overgedragen aan Stichting [Stichting Ltd] . 2.7. Op 31 januari 2011 zijn de aandelen [Ltd] gedecertificeerd, zijn de Stichting [Stichting Ltd] en [Ltd] geliquideerd en is de vordering op [bedrijf 1 VERPANDING De certificaathouders, hierna tezamen ook te noemen: "pandgever" , en de comparant sub 1 in privé en de comparante sub 2, hierna tezamen ook te noemen: "pandnemer", zijn overeengekomen dat de pandgever aan pandnemer een eerste pandrecht verleent op: voormelde drie (3) certificaten van Vordering A.l. tot en met A.3. welke certificaten hierna worden aangeduid als: "de certificaten", en wel onder de navolgende bepalingen: 1. De pandgever verleent aan de pandnemer een eerste pandrecht op de certificaten. 2. Het pandrecht strekt tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van pandgever voortvloeiende uit het hiervoor onder uitkering/aflossing bepaalde, waaronder uitdrukkelijk begrepen het boetebeding. (…) 4. Het stemrecht op de certificaten uit te oefenen in de vergadering van certificaathouders komt gedurende de verpanding toe aan pandgever. 5. Indien pandgever in verzuim is jegens pandnemer, is pandnemer bevoegd de certificaten te verkopen en zich uit de opbrengst te voldoen, een en ander met inachtneming van het in de statuten van de stichting en de van toepassing zijnde administratievoorwaarden bepaalde. 6. Na voldoening van de kosten van de executie van de certificaten, zal pandnemer de netto-opbrengst verrekenen met hetgeen pandnemer van pandgever te vorderen heeft. 7. De pandgever verleent aan pandnemer het recht om te allen tijde het in deze akte verleende pandrecht op te zeggen. 8. Zolang de certificaten verpand zijn, is pandgever niet bevoegd de certificaten te vervreemden of verder te bezwaren, zonder toestemming van pandnemer. (…)” 2.9. Op 30 oktober 2015 heeft [bedrijf 1] de lening afgelost. De kinderen hebben het aflossingsbedrag overeenkomstig de administratievoorwaarden uitgeleend aan hun ouders. Op 24 december 2015 hebben de kinderen de vordering op hun ouders gestort in Stichting [Stichting 2] (hierna: [Stichting 2] ). De vordering van elk kind bedraagt € 940.000, de rente is 6% en wordt bijgeschreven bij de hoofdsom die slechts opeisbaar is bij overlijden van de langstlevende ouder. 2.10. Op 14 december 2015 schrijft vader per e-mail het volgende aan [naam 1] van [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ): “De druk om de oprichting van twee [Stichting 2] 'en en twee notariële schenkingen nog dit jaar gerealiseerd te krijgen loopt wat op. Na deze week zijn niet al mijn kinderen meer beschikbaar om nog te tekenen. Volmachten kunnen eerst worden gemaakt en getekend als de [Stichting 2] is opgericht en de gegevens hier beschikbaar zijn. Ook is nog niet duidelijk hoe de [Stichting 2] bij de schenking vertegenwoordigd kan zijn. Volgens onze notaris kan dat met een volmacht (zie onder) met gelegaliseerde handtekeningen. U wilt dit wel afstemmen met de notaris op Curacao en die van het kantoor [kantoor 1] . Mogelijk moet ook de raad van toezicht nog iets tekenen voor aanvaarding van de schenkingen.” 2.11. [Stichting 2] is op 18 december 2015 opgericht naar Curaçaos recht. Bestuurder was [bedrijf 3] . [Stichting 2] is sinds 3 november 2016 gevestigd in Nederland. Sindsdien zijn de kinderen de bestuurders. De Raad van Toezicht bestaat tot 21 maart 2016 uit een zus van de vader die in Canada woont en daarna uit een zoon van die zus die ook in Canada woont. 2.12. [Stichting 2] is bij beschikking van 13 januari 2016 door de Belastingdienst van Curaçao met ingang van 18 december 2015 aangewezen als een doelvermogen en op grond van die hoedanigheid vanaf dat moment onderworpen aan een winstbelasting van 10% op Curaçao voor een periode van minimaal drie jaar. 2.13. Het dossier bevat de volgende e-mailcorrespondentie: “ From: [naam 2] Sent: 01 June 2016 1:54 PM To: ‘ [naam vader] ’ Cc: [naam 3] ; [naam 4] Subject: [Stichting 2] – bankrekening MCB Bank Beste [naam vader] , Voor het openen van de bankrekening bij de MCB Bank hebben wij van uw kinderen een extra referentie van hun bank nodig, gericht aan de MCB Bank . Graag ontvangen wij de originele referentiebrieven, met een kopie per email. Ter dekking van de ver + [telefoonnummer] ” En: “ Van: [naam 3] [mailto: [mailadres 3] ] Verzonden: woensdag 12 oktober 2016 22:48 Aan: [gemachtigde] | [kantoor 2] ; [naam 4] ; [naam 5] Onderwerp: RE: [Stichting 2] Beste [gemachtigde] , Naar aanleiding van onderstaande en ons telefonisch gesprek van vanochtend, hierbij ons akkoord namens het bestuur voor terugverplaatsing van feitelijke leiding vóór 1 januari 2017 en de deelname in de commanditaire Vennootschap. Kostenplaatje voor de werkzaamheden in dit kader en in het kader van lokale vertegenwoordiging vanaf 1 januari 2017 volgt z.s.m. Tevens ontvang je z.s.m. een offerte van [bedrijf 3] [plaats 2] in verband met de oprichting en beheer van de cv en verplaatste [Stichting 2] . Met vriendelijke groet, [naam 3] ” En: “ From: [gemachtigde] | [kantoor 2] [mailto: [mailadres 4] ] Sent: 11 October 2016 2:40 AM To: [naam 4] ; [naam 5] Cc: [naam 3] Subject: [Stichting 2] Beste [naam 4] en [naam 5] Op 6 september j.l. hebben wij een bespreking gehad met u als vertegenwoordiger van het bestuur van Stichting [Stichting 2] . Deze [Stichting 2] heeft bij notariële akte van schenking op 24 december 2015 de rechten overgedragen gekregen van een drietal vorderingen van “de kinderen [Achternaam] ” op mijn cliënten [naam vader] en [naam moeder] uit [plaats 1] . Zij hebben nu als zodanig met u als crediteur te maken. Tijdens de bespreking heeft u toelichting gegeven op deze schenking. De schenking is door de kinderen [Achternaam] gedaan enerzijds om hun vermogen te bundelen en veilig te stellen tegen aanspraken van buiten (asset protection) en anderzijds ter vermijding van box 3 belasting in Nederland. Volgens uw mededeling is de [Stichting 2] op Curaçao onderworpen aan 10% winstbelasting wat tot gevolg heeft dat de kinderen [Achternaam] over deze vorderingen op grond van de Wet Inkomstenbelasting 2001 geen belasting meer verschuldigd zijn in Nederland op grond van de zogenoemde “toerekeningsstop”. Inmiddels zijn we weer een paar weken verder en heeft het Nederlandse kabinet op Prinsjesdag aangekondigd om de toerekeningsstop vanaf 1-1-2017 alleen nog maar van toepassing te laten zijn op “echte” actieve ondernemingen. Als gevolg van deze wijziging, er van uitgaande dat dit wetsvoorstel wordt aangenomen en vanaf 1-1-2017 van toepassing wordt, zullen de vorderingen per 1-1-2017 weer fiscaal tot het vermogen in box 3 van de kinderen [Achternaam] worden gerekend. Daarmee zou dus een van de (belangrijke) redenen om het vermogen onder te brengen bij een op Curaçao gevestigde [Stichting 2] komen te vervallen. De functionaliteit van de [Stichting 2] als asset protector blijft uiteraard wel van belang. [naam vader] heeft namens zijn kinderen bij mij de vraag neergelegd of wij nog mogelijkheden zien om de heffing van box 3 belasting over de vorderingen vanaf 1 januari 2017 te verminderen of te voorkomen. Wij zien daar wel mogelijkheden voor. Maar een van de voorwaarden om aan die mogelijkheden te kunnen voldoen is de verplaatsing van de feitelijke leiding van [Stichting 2] naar Nederland waarna vervolgens de [Stichting 2] de vorderingen als kapitaal zal inbrengen in een Open CV in Nederland. Graag zouden wij dan ook van het bestuur van de [Stichting 2] vernemen of deze bereid is de feitelijke leiding van [Stichting 2] te verplaatsen naar Nederland om daarna met de [Stichting 2] een structuur aan te gaan die het mogelijk maakt om er voor te zorgen dat de kinderen vanaf 1 januari 2017 niet (fictief) worden getroffen door een box 3 belasting over Uw vorderingen op [naam moeder] en [naam vader] . Fiscaal is dit een pure fictie want economisch en juridisch zijn zij geen gerechtigde meer tot de vorderingen, ook al betalen zij over de vordering of rente belasting in het buitenland. Ik wil u hierbij vragen of u bereid bent om voorgaande problematiek te bespreken in het bestuur. Indien het bestuur van de [Stichting 2] (en de protector?) bereid zou zijn de verplaatsing van de feitelijke leiding vóór 1-1-2017 en de deelname in de Comman De inspecteur heeft de vordering op [bedrijf 1] in 2013, 2014 en 2015 als een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 3, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) aangemerkt en de rente over de vordering in de (navorderings)aanslagen voor de volgende bedragen belast als resultaat uit overige werkzaamheden: 2013 € 47.466 2014 € 42.446 2015 € 139.612 2.19. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.701 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 56.301. De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak van bezwaar verminderd naar een verzamelinkomen van - € 65.330 vanwege een verlies uit aanmerkelijk belang van € 161.332. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Is met betrekking tot de gecertificeerde vordering in 2013, 2014 en 2015 sprake van maatschappelijk ongebruikelijk ter beschikking gesteld vermogen in de zin van artikel 3.92, lid 3, Wet IB 2001? Heeft de inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld? Heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld? Hoort de vordering van [Stichting 2] op de ouders in 2016 tot de grondslag van box 3 van belanghebbende? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014 en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling 4.1. Artikel 3.92, lid 1 en 3, Wet IB 2001 luidt als volgt: “1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan: a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11; b. het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt. (…) 3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.” 4.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 oktober 2010 over de strekking van artikel 3.92, lid 3, Wet IB 2001 als volgt geoordeeld: “3.3.3. Aan de wetsgeschiedenis is het volgende te ontlenen. De strekking van artikel 3.92, lid 3, van de Wet is om het resultaat uit de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel aan - onder meer - een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarin bepaalde familieleden een aanmerkelijk belang houden te belasten al Daar komt bij dat het geheel van rechtshandelingen is aangegaan om het APV-regime te ontlopen en box-arbitrage ten gevolge heeft omdat zonder toepassing van artikel 3.92, lid 3, Wet IB 2001 de rente op de vordering zou zijn belast in box 3, tegen een forfaitair rendement van 4% en naar een tarief van 30%. Dat leidt tot een gunstiger belastingheffing dan wanneer wel sprake is van terbeschikkingstelling, omdat de daadwerkelijke rente 6% bedroeg. 4.5. Belanghebbende voert aan dat de certificering van de vordering op [bedrijf 1] onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat het certificaat niet te vereenzelvigen is met de overgedragen vordering en dat daarom niet belanghebbende (en zijn broer en zus) vermogen ter beschikking stellen aan de vennootschap maar de vader zelf en dat het inkomen uit terbeschikkingstelling bij vader, dan wel de ouders moet worden belast. Het hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Uit de administratievoorwaarden leidt het hof af dat de kinderen de vordering op [bedrijf 1] hebben overgedragen aan de Stichting en dat de Stichting daar tegenover aan ieder van de kinderen een certificaat heeft toegekend. Daaruit volgt dat de certificaten rechtstreeks zijn verbonden met de lening. De kinderen hebben de vordering weliswaar overgedragen tegen zeer restrictieve voorwaarden, maar dat betekent nog niet dat het vader zelf was die de vordering op [bedrijf 1] ter beschikking stelt. Het zijn immers de kinderen die de vordering op 1 februari 2011 ter beheer hebben overgedragen aan de Stichting. De inkomsten zijn derhalve terecht belast bij de houders van de certificaten, de kinderen. 4.6. Belanghebbende betoogt verder dat mocht het hof oordelen dat sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 3, Wet IB 2001 goed koopmansgebruik het toestaat om niet de volle waarde van de rente maar de contante waarde in box 1 in aanmerking te nemen. Daarbij verwijst belanghebbende naar de tabel in het uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, dat volgens belanghebbende tot een te belasten contante waarde van 34% van de inkomsten leidt. De wijze waarop de kinderen rente toekomt, leidt volgens belanghebbende feitelijk tot een situatie van een vruchtgebruik op de rente ten behoeve van de ouders. 4.7. Het hof stelt voorop dat het in dit geval niet gaat om de heffing van erfbelasting en dat alleen al daarom tabellen uit de Successiewet 1956 geen betekenis hebben in deze zaak. Verder is niet gesteld of gebleken van feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot afwaardering van de onderliggende vordering op [bedrijf 1] . Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de rente op de vordering te zijner tijd niet zou worden voldaan. Belanghebbende bestrijdt weliswaar dat vaststaat dat de rente op de vordering te zijner tijd zal worden voldaan, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd met feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rente een lagere waarde heeft dan de nominale. De enkele omstandigheid dat de rente wordt bijgeschreven en niet wordt uitbetaald, is niet voldoende. Het hof ziet daarom geen reden om de rente voor een ander bedrag dan de bijgeschreven 6% in aanmerking te nemen. Evenmin ziet het hof aanleiding tot afwaardering omdat sprake zou zijn van feitelijk vruchtgebruik van de rente door de ouders. Het staat immers vast dat de kinderen geen vruchtgebruik ten behoeve van hun ouders hebben gevestigd. Vertrouwen 4.8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in zijn brief van 7 november 2018 een compromisvoorstel heeft gedaan dat hij niet heeft ingetrokken, ook niet toen hij wel alle relevante stukken in handen had. Dat maakt dat de inspecteur, volgens belanghebbende niet kan navorderen over 2013 en 2014 en dat belanghebbende voor 2015 dat voorstel nog zou kunnen aanvaarden omdat de inspecteur bovendien geen termijn heeft genoemd waarbinnen het compromis moest worden aanvaard. De inspecteur bestrijdt dit en wijst erop dat de inspecteur in de brief v De formele bestuurder, [bedrijf 3] , handelt, zoals volgt uit de verschillende e-mailcorrespondentie, slechts in opdracht van telkens vader en uit de specificaties van hun facturen volgt dat hun dienstverlening beperkt was tot administratieve werkzaamheden. Verder volgt uit de Principal-Party agreement en de service agreement dat het formele bestuur geen enkele aansprakelijkheid accepteert voor haar werkzaamheden. Dat past niet bij een bestuur dat daadwerkelijk zeggenschap heeft over het vermogen van een [Stichting 2] . Verder laat de e-mailcorrespondentie omtrent de oprichting van [Stichting 2] en de e-mailcorrespondentie rond de verplaatsing van het formele bestuur naar Nederland een grote regie vanuit (de adviseur van) vader zien. Dat geldt ook voor kleinere beslissingen als het openen van een bankrekening of de te berekenen rente op de vordering. Het hof leidt hieruit af dat vader namens de kinderen beschikte over het vermogen van [Stichting 2] als ware het hun eigen vermogen. Daaruit volgt dat het vermogen in [Stichting 2] geen afgezonderd vermogen is, in de zin van artikel 2.14a Wet IB 2001 en dat [Stichting 2] in 2016 feitelijk wordt geleid vanuit Nederland en niet vanuit Curaçao. De inspecteur heeft daarom terecht het vermogen in [Stichting 2] gerekend tot de grondslag in box 3. 4.14. Aangezien het hof in 4.13. heeft geoordeeld dat het vermogen in [Stichting 2] geen afgezonderd vermogen is, komt het hof niet verder toe aan belanghebbendes betoog over de toerekeningstop en de door [Stichting 2] betaalde belasting. Wel merkt het hof op dat de inspecteur ter zitting in dit kader heeft gewezen op het besluit van 30 oktober 2025 op grond waarvan de Staatssecretaris heeft goedgekeurd dat de daadwerkelijk betaalde winstbelasting door [Stichting 2] wordt verrekend met de Nederlandse inkomstenbelasting. Het is evenwel niet aan het hof om te oordelen over de toepassing van dit besluit omdat geen sprake is van een afgezonderd vermogen. Tussenconclusie 4.15. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.16. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.17. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, R. Camps J.M. van der Vegt Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen