Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2026:1710
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/871 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Thailand), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 mei 2025, nummer BRE 24/6292, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2023 (hierna: de aanslag) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.6. De openbare zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn beide partijen digitaal via Microsoft Teams met een beeld- en geluidverbinding verschenen, te weten belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende woont sinds 1 januari 2014 in Thailand. Voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand van 11 september 1975 (hierna: het Verdrag) is belanghebbende inwoner van Thailand en niet van Nederland. 2.2. Belanghebbende heeft in Nederland aangifte IB 2023 gedaan als buitenlands belastingplichtige. Het door hem aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) bedraagt € 35.454, inclusief een bruto AOW-uitkering van € 20.551 (hierna: de AOW-uitkering). 2.3. De inspecteur heeft de aanslag met dagtekening 12 juni 2024 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Dient de AOW-uitkering op grond van het Verdrag van IB te worden vrijgesteld? Is bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de AOW-uitkering vrijgesteld is? Moet de inspecteur een schadevergoeding aan belanghebbende betalen? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.903 en tot een schadevergoeding van € 19.811. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil De AOW-uitkering 4.1. Belanghebbende betoogt dat Nederland van hem - als inwoner van Thailand – alleen IB mag heffen over inkomensbestanddelen waarvoor de heffingsbevoegdheid door het Verdrag uitdrukkelijk aan Nederland is toegewezen. Uitkeringen op grond van een sociale verzekering zoals de AOW worden nergens in het Verdrag genoemd en dat betekent volgens belanghebbende dat alleen zijn woonland Thailand het recht heeft om belasting te heffen over de door hem ontvangen AOW-uitkering. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst hij naar artikel 21 van het OESO-Modelbelastingverdrag (hierna: het overige inkomsten-artikel) dat bepaalt dat bestanddelen van het inkomen die niet behandeld zijn in de voorgaande verdragsartikelen slechts in de woonstaat belastbaar zijn. Hij voert aan dat artikel 23, lid 4, Verdrag dezelfde strekking heeft als het overige inkomsten-artikel van het OESO-Modelbelastingverdrag. Belanghebbende voert verder aan dat Nederland en Thailand op 21 november 2025 een nieuw maar nog niet in werking getreden belastingverdrag hebben getekend (hierna: het toekomstige belastingverdrag) waarin expliciet is geregeld dat (ook) Nederland Naar het oordeel van het hof gaan beide partijen er terecht van uit dat socialezekerheidspensioenen zoals AOW-uitkeringen niet vallen onder het begrip 'pensioenen' in artikel 18 of artikel 19 Verdrag. Deze uitkeringen hebben als volksverzekeringen namelijk geen verband met de uitoefening van een vroegere dienstbetrekking, respectievelijk met diensten bewezen in de uitoefening van een vroegere overheidsfunctie. Anders dan het OESO-Modelbelastingverdrag, bevat het Verdrag geen overige inkomsten-artikel dat bepaalt dat alle niet expliciet in het Verdrag behandelde bestanddelen van het inkomen uitsluitend in de woonstaat van de ontvanger mogen worden belast. 4.6. Anders dan belanghebbende meent, heeft het geciteerde artikel 23, lid 4, Verdrag niet de strekking om de heffingsbevoegdheid over alle niet in Hoofdstuk III van het Verdrag toegewezen inkomsten toe te wijzen aan de woonstaat van de ontvanger. Artikel 23 Verdrag bevat immers geen regels over toewijzing van heffingsbevoegdheden over bestanddelen van het inkomen, maar bepaalt de door de woonstaat toe te passen voorkoming van dubbele belasting. In artikel 23, lid 4, Verdrag is het uitgangspunt van de door Thailand als woonstaat toe te passen methode bepaald: Thailand mag in zijn heffingsgrondslag alle inkomsten van zijn inwoners begrijpen die niet exclusief aan Nederland zijn toegewezen. Deze bepaling is niet naar de letter en ook niet naar de geest te lezen als een beperking van de heffingsbevoegdheid van Nederland als bronstaat van de AOW-uitkering. 4.7. Uit het voorgaande volgt dat het Verdrag de heffingsbevoegdheid over een AOW-uitkering van geen van beide Verdragstaten beperkt. Het hof wijst op het boven geciteerde lid 6 van artikel 23 Verdrag, dat Thailand verplicht dubbele belasting te voorkomen ter zake van alle niet in het Verdrag vermelde inkomensbestanddelen, zoals belanghebbendes AOW-uitkering, indien die uitkering volgens de Thaise belastingwetgeving ‘uit Nederland afkomstig’ is. 4.8. Anders dan belanghebbende meent, heeft Nederland met het op 21 oktober 2025 afsluiten van het toekomstige belastingverdrag niet de heffingsbevoegdheid over AOW-uitkeringen betaald aan inwoners van Thailand alleen voor de toekomst veiliggesteld. De heffingsbevoegdheid van Nederland op dit punt is immers evenmin beperkt onder het (huidige) Verdrag. Het is aannemelijker dat Nederland met de regeling van de sociale zekerheidspensioenen in het toekomstige verdrag heeft willen voorkomen dat zowel Nederland als Thailand hierover belasting heffen zonder vermijding van aldus ontstane dubbele belasting. Het (huidige) Verdrag bevat immers geen bepaling die Thailand verplicht tot het geven van een verrekening van de Nederlandse belasting geheven op de AOW-uitkering, anders dan het genoemde lid 6 van artikel 23, waarvan de toepassing afhankelijk is van eenzijdige Thaise wetgeving. In artikel 22, lid 2 van het nieuwe belastingverdrag is daarentegen op verdragsniveau bepaald dat de inwoner van Thailand die inkomen ontvangt dat uit Nederland is verkregen de daarop verschuldigde Nederlandse belasting mag verrekenen met de door hem te betalen Thaise belasting. 4.9. Uit het voorgaande volgt dat het Verdrag de bevoegdheid van Nederland om IB te heffen over de AOW-uitkering, niet beperkt. In zoverre heeft de inspecteur de AOW-uitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende in Nederland gerekend. Vertrouwensbeginsel 4.10. Belanghebbende betoogt dat de inspecteur bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat de inspecteur het (alsnog) eens is met het standpunt van belanghebbende dat Nederland op grond van het Verdrag de AOW-uitkering (ontvangen in 2023) niet in de IB mag betrekken. Hij voert daartoe aan dat de aanslag IB 2025 op 23 mei 2026 is vastgesteld en dat in de aanslag de door hem in 2025 ontvangen AOW-uitkering is vrijgesteld. De inspecteur erkent dat de aanslag IB 2025 is opgelegd en dat daarin de in 2025 ontvangen AOW-uitkering is vrijgesteld, maar hij betwist dat be