Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-01
ECLI:NL:GHSHE:2026:1709
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/132 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 januari 2025, nummer BRE 23/11093, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende en de inspecteur hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de wederpartij. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Op 10 maart 2011 is de moeder van belanghebbende overleden (hierna: erflaatster). Tot de nalatenschap behoorden onder meer alle aandelen (hierna: de aandelen) in [de vennootschap] (hierna: de vennootschap). Belanghebbende heeft krachtens erfrecht 50% van de aandelen verkregen. De overige 50% van de aandelen zijn door de zus van belanghebbende (hierna: de zus) verkregen. Gesteld noch gebleken is dat de zus een buitenlandse belastingplichtige is. 2.2. Vanwege het overlijden van erflaatster is aangifte erfbelasting gedaan. De aangifte erfbelasting vermeldt onder meer: “(…) De nalatenschap van erflaatster bestond ten dage van haar overlijden uit de navolgende activa en passiva: (…) Activa (…) III. Effecten: 1600 aandelen van € 45,37, nominaal in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid " [de vennootschap] ”, gevestigd te [vestigingsplaats] , waard € 345.839,00 (…) Passiva (…) III. Belastingen: a. Inkomstenbelasting 2009 € 2.200,00 b. Inkomstenbelasting 2010 € 8.122,00 c. Inkomstenbelasting 2011 (schatting) € 2.500,00 (…)” 2.3. Met dagtekening 4 april 2013 is de aangifte IB/PVV over het jaar 2011 van erflaatster ingediend. De aangifte vermeldt onder “ondertekening en persoonlijke gegevens” : “Naam contactpersoon consulent / adviseur [adviseur] Doorkiesnummer contactpersoon consulent / adviseur [telefoonnummer] ” . De aangifte vermeldt onder “gegevens vertegenwoordiger overleden belastingplichtige” : “ [persoon] ” . In de aangifte is geen (fictief) vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang vermeld. Er is geen separaat schriftelijk verzoek tot doorschuiven van de verkrijgingsprijs gedaan door de vertegenwoordiger van de erflaatster en de verkrijger(s). 2.4. Het gestort en geplaatst aandelenkapitaal van de vennootschap per 31 december 2011 bedroeg overeenkomstig haar balans € 72.702 en haar fiscaal eigen vermogen bedroeg ultimo 2011 € 66.655. 2.5. Op 15 september 2020 is de vennootschap ontbonden en vereffend. Het liquidatiesaldo bedroeg € 305.702, waarvan aan belanghebbende € 152.821 toe is gekomen. Er is € 17.465 aan dividendbelasting ingehouden en afgedragen. 2.6. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV over het jaar 2020 gedaan en daarbij een vervreemding van het aanmerkelijk belang aangegeven. De aangifte vermeldt een overdrachtsprijs van € 152.851 en een verkrijgingsprijs van € 172.920, zijn Verder stelt de inspecteur dat het door hem gestelde verzoek tot doorschuiving bevestigt dat op dat moment sprake was van een materiële onderneming en dat de inspecteur niet gehouden was tot nader onderzoek. De aangifte IB/PVV 2011 van erflaatster is gevolgd en de aanslag IB/PVV 2011 is opgelegd zonder reden tot twijfel. Omdat de aanslag is opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte, is de doorschuiffaciliteit feitelijk toegepast, ongeacht of dit terecht is of niet. 4.3. Het hof overweegt als volgt. Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreekt, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de verkrijging in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend. Als sprake is van een overgang krachtens erfrecht en de doorschuifregeling van artikel 4.17a Wet IB 2001 toepassing vindt, geldt bij de erfgenamen als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor de erflater. De doorschuifregeling van artikel 4.17a, lid 1, Wet IB 2001 luidt voor zover hier van belang als volgt: “1. De overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien: a. de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 drijft of een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, houdt.” Het verzoek wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater. Een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater. 4.4. De eerste voorwaarde voor toepassing van de doorschuifregeling is dat de gezamenlijke belanghebbenden een verzoek moeten hebben gedaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, verstaat het hof onder ‘gezamenlijke belanghebbenden’ álle gezamenlijke belanghebbenden. Belanghebbenden kunnen weliswaar verschillend kiezen voor al dan niet doorschuiven, maar het verzoek dient door alle belanghebbenden gezamenlijk te zijn gedaan. Het hof baseert zich hierbij op de wetsgeschiedenis van artikel 4.17a Wet IB 2001, waarin staat dat “de gezamenlijke belanghebbenden zijn de rechtsgeldige vertegenwoordiger(s) van erflater en de verkrijger(s)” . Ook de staatssecretaris van Financiën is hiervan overigens uitgegaan in het vroegere vraag-en-antwoordbesluit aanmerkelijk belang , dat gold tot en met 23 november 2006 voor de toenmalige doorschuifregeling. Hierin staat onder meer: “H.5. Doorschuiven of afrekenen; verschillende keuze erfgenamen Een aanmerkelijkbelanghouder overlijdt. Hij heeft twee binnenlands belastingplichtige erfgenamen. Voor de aanmerkelijkbelangheffing is sprake van een overgang onder algemene titel van de helft van de aandelen naar elk van beide erfgenamen. Is het toegestaan dat slechts ten aanzien van de overgang onder algemene titel naar één van de erfgenamen wordt verzocht om afrekening op grond van artikel 4.38 Wet IB 2001? Ja, het verzoek daartoe moet wel door de erfgenamen gezamenlijk worden gedaan. Gevolg is dat ten aanzien van de overgang onder algemene titel van de aandelen naar deze erfgenaam toepassing van artikel 4.17, eerste lid, Wet IB achterwege blijft en een vervreemding wordt aangenomen.” Het hof ziet geen aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis dat dit bij de huidige regeling anders zou zijn. In deze zaak zijn de gezamenlijke belanghebbenden erflaatster, belanghebbende en de zus. Het verzoek moet daarom door hen gezamenlijk zijn gedaan. 4.5. Het hof is van oordeel dat een dergelijk gezamenlijk verzoek hier ook is gedaan omdat in de aangifte IB/PVV 2011 van erflaatster geen (fictief) vervreemdingsvoordeel is aangegeven. Door het achterwege laten van dit vervreemdingsv