Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-06-25
ECLI:NL:GHSHE:2026:1649
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 25 juni 2026 Zaaknummer: 200.345.105/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/316920 / FA RK 23-1424 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder 1] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: moeder [de moeder 1] , advocaat: mr. E.G.W. Hendriks, tegen [de moeder 2] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: moeder [de moeder 2] , advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis. Deze procedure gaat over: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020 (hierna: [minderjarige] ). In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. In deze procedure zijn, in de hoedanigheid van bijzondere curatoren over [minderjarige] als belanghebbenden aangemerkt: Y. Sterenborg-Meekes , h.o.d.n. Meekes Mediation, kantoorhoudende te Hengelo; mr. E.J.A. Roeleven , h.o.d.n. Roeleven Familierecht en Mediation, kantoorhoudende te Heerlen, hierna tezamen te noemen: de bijzondere curatoren. 13 De beschikking d.d. 5 maart 2026 13.1. Bij die beschikking heeft het hof de bijzondere curatoren benoemd. 13.2. Het hof heeft de bijzondere curatoren verzocht binnen acht weken aan het hof tezamen schriftelijk verslag te doen van hun bevindingen en daarbij een gezamenlijk standpunt over de verzoeken in te nemen. 13.3. Het hof heeft de zaak aangehouden tot 23 april 2026 in afwachting van voornoemd verslag en zich iedere verdere beslissing voorbehouden. Vanwege het op een laat tijdstip ontvangen van de dossierstukken door de bijzondere curatoren is deze termijn verlengd naar 21 mei 2026. 14 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 14.1. Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van: - het rapport van de bijzondere curatoren d.d. 19 mei 2026; - de nadere berichten van de bijzondere curatoren van 19 mei 2026 en 22 mei 2026; - het bericht met als bijlage de brief van 8 juni 2026 van mr. Hendriks; - het V6-formulier van 10 juni 2026 met als bijlage de pleitaantekeningen van mr. Ten Brummelhuis. 14.2. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - moeder [de moeder 1] (via een videoverbinding), bijgestaan door mr. Hendriks; - moeder [de moeder 2] , bijgestaan door mr. Ten Brummelhuis (beiden via een videoverbinding); - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de bijzondere curatoren. 15 Het advies van de bijzondere curatoren 15.1. De bijzondere curatoren hebben in hun verslag van 19 mei 2026, samengevat, het volgende geadviseerd. 15.1.1. Bij beide moeders is er voor [minderjarige] een stabiele situatie. In beide plaatsen krijgt [minderjarige] liefde, kan hij naar een goede en veilige school gaan en is er passende hulpverlening beschikbaar, die nodig wordt geacht voor zijn gedragsproblemen. De bijzondere curatoren hebben de indruk dat in beide huishoudens goed voor [minderjarige] wordt gezorgd. Beide moeders lijken evenveel van [minderjarige] te houden en zijn zichtbaar verdrietig bij het vooruitzicht dat een keuze mogelijk niet in hun voordeel kan uitvallen. De bijzondere curatoren zien dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Het liefst wil hij bij beide moeders naar school. Hij geeft aan dat hij mama [de moeder 1] en zijn biologische broertje [broertje] vaak mist. 15.1.2. Bij moeder [de moeder 1] is de relatie met haar partner [partner van moeder 1] stabiel. Zij hebben hun diensten in de verpleging zodanig vorm gegeven dat altijd één van de twee thuis is voor de kinderen. De verbouwing bij moeder [de moeder 1] en de spanningen tussen [partner van moeder 1] en haar ex-partner, spelen nu niet meer. De verbouwing is nagenoeg afgerond. [dochter van partner van moeder 1] , de dochter van [partner van m Indien na de verhuizing blijkt dat er meer ingezet moet worden voor [minderjarige] of in de communicatie tussen moeder [de moeder 1] en moeder [de moeder 2] , kan [instantie 1] daarin ook van betekenis zijn. De vakanties en feestdagen kunnen evenredig verdeeld worden. Verder kan [minderjarige] twee keer per week videobellen met moeder [de moeder 2] als hij in [regio 1] is. 16 De reacties op het advies van de bijzondere curatoren 16.1. Moeder [de moeder 1] heeft in reactie op het advies van de bijzondere curatoren een aantal aanvullende verzoeken ingediend over, kort gezegd, de zorgafspraken, het overdrachtstijdstip en een zogenaamde doorschuifdag. Deze aanvullende verzoeken heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van het hof ingetrokken. Moeder [de moeder 1] zal hierin dan in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Op dit moment verzoekt zij het hof enkel nog een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en die bij haar te bepalen en over zijn inschrijving op een school, zoals zij reeds bij beroepschrift had gedaan, met dien verstande dat zij haar verzoek ten aanzien van de inschrijving op een school heeft gewijzigd naar een andere school, te weten [school 1] te [plaats 2] . Samengevat en voor zover thans nog van belang heeft moeder [de moeder 1] daarover het volgende aangevoerd. 16.2. Moeder [de moeder 1] kan zich vinden in de conclusie van de bijzondere curatoren dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar het meest in het belang van [minderjarige] wordt geoordeeld. Moeder [de moeder 1] betreurt het dat [halfbroertje] voorheen als het juridische halfbroertje van [minderjarige] werd gepresenteerd. Dat blijkt nu niet het geval te zijn. Dit had eerder tot een andere conclusie kunnen leiden. Bovendien heeft moeder [de moeder 2] [minderjarige] al op de hoogte gebracht over het advies van de bijzondere curatoren. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] weer belast is met volwassen zaken en dat hij weer in spanning zit over wat er gaat gebeuren. De komende periode wil moeder [de moeder 1] zich in het bijzonder richten op het creëren van stabiliteit voor [minderjarige] en het regelen van praktische zaken. Daarnaast realiseert moeder [de moeder 1] zich dat goede communicatie tussen de ouders essentieel is voor [minderjarige] . Zij is bereid zich actief in te zetten om de communicatie met moeder [de moeder 2] te verbeteren en zij staat open voor begeleiding of hulpverlening die daarbij kan ondersteunen. Ook vindt moeder [de moeder 1] het belangrijk dat moeder [de moeder 2] betrokken blijft bij belangrijke zaken rondom [minderjarige] , zodat hij kan ervaren dat beide ouders in zijn leven betrokken zijn en blijven. Moeder [de moeder 1] hoort echter dat moeder [de moeder 2] veel onwaarheden vertelt en dat maakt haar huiverig om moeder [de moeder 2] te benaderen. Als het in belang van [minderjarige] is, zal zij echter aan alles meewerken. Moeder [de moeder 1] verzoekt het hof om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven bij [school 1] te [plaats 2] , in plaats van bij [school 2] in [woonplaats moeder 1] zoals zij aanvankelijk had verzocht. Moeder [de moeder 1] heeft een weloverwogen keuze gemaakt om bij [school 1] te [plaats 2] te informeren over een eventuele inschrijving van [minderjarige] , omdat is gebleken dat [minderjarige] meer ondersteuning en hulp nodig heeft dan eerder gedacht en hem dat op die school kan worden geboden. Ook doet [school 1] minder lang over de screening dan [school 2] . [minderjarige] staat nog nergens ingeschreven. Het uitgangspunt is dat beide ouders hier samen uitkomen maar voorkomen moet worden dat, als dat niet lukt, [minderjarige] nergens ingeschreven wordt. [minderjarige] gaat op dit moment in [woonplaats moeder 2] naar school en daar start de zomervakantie dit jaar op 4 juli 2026. In het zuiden start de zomervakantie een week later, namelijk op 11 juli 2026. [minderjarige] zou op 30 juni 2026 op [school 1] kunnen deelnemen aan Moeder [de moeder 2] betwist dat zij het advies van de bijzondere curatoren met [minderjarige] heeft besproken. Ze heeft slechts, nadat [minderjarige] vertelde over de kinderen bij wie hij volgend jaar in de klas komt, zijn verwachtingen getemperd en gezegd dat de rechter daar nog over moet beslissen. Het is bijzonder te noemen dat de bijzondere curatoren de uitkomsten van het intensieve onderzoek door [instantie 2] niet hebben afgewacht. Opvallend is ook dat de bijzondere curatoren niet hebben gemotiveerd waarom zij afwijken van het advies van de raad over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Moeder [de moeder 2] heeft een goed contact met [ex-partner van moeder 2] en [halfbroertje] . Het is nog steeds de bedoeling dat moeder [de moeder 2] de juridische ouder van [halfbroertje] wordt. [ex-partner van moeder 2] wil daarmee wachten tot na deze procedure, omdat ze [halfbroertje] daarin niet wil betrekken. 16.4. In aanvulling op het verslag hebben de bijzondere curatoren tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, nog het volgende naar voren gebracht. De bijzondere curatoren hebben de taken bewust zo evenredig mogelijk verdeeld. Bijzondere curator Sterenborg heeft met de school en betrokken organisaties in [woonplaats moeder 2] kunnen spreken en daar derhalve meer tijd in gestoken. Bovendien had moeder [de moeder 2] , die de meeste tijd met [minderjarige] doorbrengt en verbaal ook sterker is dan [de moeder 1] , ook meer over [minderjarige] te vertellen. Zodoende hebben er twee huisbezoeken bij moeder [de moeder 2] plaatsgevonden en één bij moeder [de moeder 1] . De keuzes die de bijzondere curatoren hebben gemaakt doen er niet aan af doen dat zij in hun onderzoek en uitvoerige verslaglegging zo neutraal mogelijk naar het belang van [minderjarige] hebben gekeken. De bijzondere curatoren hebben het advies van [instantie 2] niet afgewacht, aangezien dat zal zien op de in te zetten hulpverlening voor [minderjarige] , waar zijn hoofdverblijf ook zal zijn. Voor de beoordeling van het hof in dezen is het derhalve niet van belang. De uitlatingen van [minderjarige] kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. De bijzondere curatoren hebben hierbij echter ook betrokken dat bijzondere curator Sterenborg bij [minderjarige] heeft waargenomen dat hij anders –“stralend”– uit zijn oogjes kijkt als hij het over moeder [de moeder 1] en [broertje] heeft. [minderjarige] heeft verklaard dat hij het soms te druk vindt bij moeder [de moeder 1] , maar daar staat tegenover dat alle kinderen bij hen welkom zijn. Dit kan niet over de situatie bij moeder [de moeder 2] worden gezegd, daar [ex-partner van moeder 2] heeft verklaard dat zij er niet nog een kind bij wil hebben. [minderjarige] heeft uitlatingen gedaan over (forse) straffen van [partner van moeder 1] , maar ook dat moeder [de moeder 2] wel eens een week geen schermtijd geeft als straf. Over [partner van moeder 1] hebben de bijzondere curatoren overigens een positief beeld. Het feit dat [de moeder 2] niet eerlijk is geweest over de juridische situatie van [halfbroertje] heeft de bijzondere curatoren doen twijfelen over waar er nog meer geen openheid over wordt gegeven, vooral nu het voor moeder [de moeder 2] en haar advocaat helder had moeten zijn dat het voor het hof van essentieel belang was dat [minderjarige] ook bij moeder [de moeder 2] een (juridisch) broertje had.De bijzondere curatoren hebben niet kunnen vaststellen dat de ene ouder meer ruimte geeft aan de andere ouder dan andersom. Beide ouders spreken negatief over elkaar en daar moeten zij in het belang van [minderjarige] mee stoppen. De ouders hebben hierbij hulp nodig, waar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ook is. 17 Het advies van de raad 17.1. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, als volgt geadviseerd. De procedure bij het hof loopt al erg lang. De beslissing rondom de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] blijft een enorm dilemma. Het is aan het hof om daarin een knoop door te Het feit dat bij een van de ouders een huisbezoek meer is afgelegd door de bijzonder curatoren dan bij de andere ouder maakt niet dat daarmee zonder meer sprake is van vooringenomenheid of van een onzorgvuldig onderzoek. Overigens heeft moeder [de moeder 2] aan de vraagtekens die zij heeft gesteld bij de onderzoeks-methodes van de bijzondere curatoren geen consequenties verbonden, zodat het hof ook om die reden daaraan voorbij gaat. De bijzondere curatoren hebben hun eigen conclusies verbonden op basis van de door hen gedane observaties en studie van het dossier. Het hof komt uiteindelijk tot zijn eigen conclusies. 18.5. Ook de omstandigheid dat de bijzondere curatoren tegen een aanhouding van de mondelinge behandeling hebben geadviseerd en hebben voorgesteld om betrokkenen digitaal aan de mondelinge behandeling te laten deelnemen, kan niet tot de conclusie van vooringenomenheid of een onzorgvuldig onderzoek leiden. Het hof heeft hierin zelfstandig de betrokken belangen afgewogen. Daarbij heeft een rol gespeeld dat de procedure in eerste aanleg in april 2023 is aangevangen en [minderjarige] al die tijd in onzekerheid verkeert over zijn hoofdverblijf. Het hof hecht ook waarde aan de toelichting van de bijzondere curatoren om zo spoedig mogelijk een mondelinge behandeling te plannen omdat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid. Verder was de klemmende reden voor het uitstelverzoek door mr. Ten Brummelhuis onvoldoende onderbouwd. Niet toegelicht was waarom de advocaat verhinderd was of waarom vervanging door een collega op bezwaren stuitte. Daarenboven heeft het hof aangeboden het tijdstip van de mondelinge behandeling op die dag te verplaatsen zodat alsnog in persoon de mondelinge behandeling zou kunnen worden bijgewoond. Verder zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld de mondelinge behandeling digitaal bij te wonen, hetgeen ook zo heeft plaatsgevonden. 18.6. Aan de zijde van moeder [de moeder 2] hebben de bijzondere curatoren geconstateerd dat, anders dan waar de raad en het hof eerder vanuit waren gegaan, moeder [de moeder 2] niet de juridische ouder van [halfbroertje] is. [minderjarige] heeft feitelijk bovendien zeer beperkt contact met [halfbroertje] . Er is ook geen concreet zicht op een uitbreiding van het contact of een uitbreiding van de zorgtaken van moeder [de moeder 2] in relatie tot [halfbroertje] . Er is dus geen sprake (meer) van dat [minderjarige] in de beide opvoedsituaties een (biologisch dan wel juridisch half)broertje heeft. Hoewel [halfbroertje] is geboren tijdens de relatie van moeder [de moeder 2] met [ex-partner van moeder 2] , zij na de geboorte van [halfbroertje] gedurende een half jaar in gezinsverband hebben geleefd en moeder [de moeder 2] [halfbroertje] als haar zoon beschouwt, laat dit naar het oordeel van het hof onverlet dat het op de weg van moeder [de moeder 2] had gelegen om in een eerder stadium van de procedure op eigen initiatief duidelijkheid te verstrekken over de juridische positie van [halfbroertje] . In het rapport van de raad van 20 mei 2025 wordt op diverse plaatsen gesproken over ‘zijn nieuwe broertje’ en ‘halfbroertje [halfbroertje] ’. De raad heeft bij zijn advies uitdrukkelijk betrokken dat ‘wonen in [woonplaats moeder 1] zal betekenen dat [minderjarige] moeder [de moeder 2] en zijn halfbroertje [halfbroertje] moet gaan missen’. Ook in het aanvullende raadsrapport van 18 november 2025 wordt [halfbroertje] betrokken. Verder is zowel op de mondelinge behandeling van 25 november 2025 als in de beschikking van het hof van 29 januari 2026 benoemd dat [halfbroertje] het juridische halfbroertje van [minderjarige] is. Het hof heeft in de beschikking van 5 maart 2026 de bijzondere curatoren ook verzocht te onderzoeken welke rol het juridische halfbroertje [halfbroertje] speelt bij het beantwoorden van de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige] is. Reeds eerder heeft moeder [de moeder 2] nagelaten op eigen initiatief openheid van zaken te geven Andersom voelt moeder [de moeder 1] zich ook onvoldoende betrokken door moeder [de moeder 2] , zoals bij het in kaart brengen van de voor [minderjarige] benodigde hulpverlening in samenspraak met de school van [minderjarige] . In dit proces is moeder [de moeder 1] niet betrokken; er is om haar toestemming gevraagd toen de keuze voor een hulpverlener al was gemaakt. Beide ouders dienen op dit punt van het betrekken van de andere gezaghebbende ouder hun gedrag te verbeteren. - Stabiliteit en continuïteit 18.9. Het belang van het kind brengt ook met zich stabiliteit en continuïteit in de opvoedomgeving. [minderjarige] woont sinds mei 2024 bij moeder [de moeder 2] . Daar hebben zich echter recent verschillende ingrijpende wijzigingen voorgedaan, zoals de relatiebreuk met [ex-partner van moeder 2] en het uiteenvallen van de gezinssituatie zoals [minderjarige] deze kende en de verhuizing naar een andere woning in het dorp. Dit betekent dat maar tot op zekere hoogte sprake is geweest van stabiliteit en continuïteit. In dit kader acht het hof zorgelijk dat ten tijde van het aanvullende raadsonderzoek in november 2025 [ex-partner van moeder 2] nog de wens uitsprak om ondanks de relatiebreuk met moeder [de moeder 2] in het leven van [minderjarige] betrokken te blijven, maar dat uit het onderzoek van de bijzondere curatoren nu blijkt dat zij geen ruimte meer voor [minderjarige] in haar leven lijkt te hebben. Het hof vraagt zich af wat de – naar het zich laat aanzien plotselinge – afwezigheid van [ex-partner van moeder 2] in het leven van [minderjarige] , na enkele jaren betrokken te zijn geweest, voor hem betekent. Bij moeder [de moeder 1] is de situatie langer stabiel dan bij moeder [de moeder 2] , aangezien moeder [de moeder 1] sinds 2021 een relatie heeft met [partner van moeder 1] . 18.10. Het hof hecht eraan dat de bijzondere curatoren onderzoek hebben verricht naar de voor [minderjarige] betrokken hulpverlening nu er op school en bij de BSO gedragsproblemen bij hem zijn gesignaleerd (impulscontrole, moeite met aan afspraken houden, boos reageren en bewegingsonrust). Zowel in [woonplaats moeder 2] als in [woonplaats moeder 1] is voldoende hulpverlening beschikbaar. [minderjarige] volgt PMT in [woonplaats moeder 2] en er loopt een onderzoek van [instantie 2] naar wat [minderjarige] nodig heeft. Het advies van [instantie 2] kan ook gebruikt worden voor als [minderjarige] in [regio 1] gaat wonen. [instantie 1] kan ondersteuning en handvatten bieden in de gezinssituatie met vragen rondom [minderjarige] . Bij een hoofdverblijf van [minderjarige] in [regio 1] zal de PMT opnieuw aangevraagd dienen te worden en zal er een verandering plaatsvinden in school en van de zwemles. Dit betekent een breuk met de huidige PMT, school en zwemles. De raad heeft bovendien opgemerkt dat dat kinderen weliswaar flexibel zijn maar dat ook de kindeigen problematiek een rol speelt en hoe de ouders omgaan met verandering van hoofdverblijf en daar heeft de raad zorgen over. - Biologisch verwantschap 18.11. Anders dan de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen, is het hof van oordeel dat het bij de beoordeling van de opvoedsituatie van beide ouders en van hun mogelijkheden om aan de behoeften van het kind te voldoen, wél enige rol kan spelen wie de biologische moeder of vader is en waar de biologische broertjes of zusjes wonen. Het hof verwijst in dit kader naar de (vaste) jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens waaruit blijkt dat – kort gezegd – biologische afstamming een essentieel onderdeel vormt van de persoonlijke identiteit van een kind. Een kind feitelijk laten opgroeien bij zijn biologische of genetische ouder en broertje, en hem de gelegenheid bieden zich aan hen in het dagelijks leven te kunnen spiegelen, is naar het oordeel van het hof een manier om invulling te geven aan het belang van het kind bij zijn identiteitsontwikkeling. Daarom is dit in dezen een factor die meeweegt bij de afweging van de belangen van het Het enige onderdeel van de zorgregeling waarover het hof nu nog geen definitieve beslissing kan nemen, ziet op de schoolvakanties van één week of korter. Moeder [de moeder 2] wil dat [minderjarige] in die weken volledig bij de andere ouder verblijft ter compensatie van de verloren tijd. Moeder [de moeder 1] ziet liever dat deze vakanties volledig worden verdeeld tussen de moeders onderling, zodat [minderjarige] bijvoorbeeld de volledige herfstvakantie bij ene moeder verblijft en de volledige carnavalsvakantie bij de andere moeder. Het hof ziet hierin in beginsel twee goede oplossingen, maar kan deze knoop nog niet doorhakken. Dat is namelijk mede afhankelijk van de nog te nemen beslissing bij welke moeder [minderjarige] uiteindelijk zijn hoofdverblijfplaats krijgt. Het hof zal later bij eindbeschikking vastleggen dat voor wat betreft de korte schoolvakanties de wens van de moeder wordt vastgelegd bij wie [minderjarige] niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.” (…) 18.18. Het hof zal dus, gezien de definitieve beslissing de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , bepalen dat [minderjarige] in de korte vakanties van een week volledig bij de niet-verzorgende ouder, te weten moeder [de moeder 2] , verblijft. Vervangende toestemming inschrijving school 18.19. Moeder [de moeder 1] heeft in haar beroepschrift verzocht om vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [woonplaats moeder 1] , zou zijn hoofdverblijfplaats bij haar worden bepaald. Dat verzoek heeft zij gewijzigd, in die zin dat zij nu inschrijving van [minderjarige] op een andere school verzoekt. Die wijziging heeft zij ook nader toegelicht: voor de school [school 1] in [plaats 2] geldt een kortere screeningprocedure dan [school 2] in [woonplaats moeder 1] en het hulpverleningsaanbod van [school 1] sluit beter aan op de hulpbehoeftes van [minderjarige] . 18.20. Een verandering van eis na indiening van het beroepschrift kan in hoger beroep toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken omstandigheden. Daarvan is naar het oordeel van het hof sprake, gelegen in de kindeigen problematiek van [minderjarige] en zijn hulpbehoeftes. Bovendien heeft moeder [de moeder 2] de gelegenheid gehad om op dit gewijzigde verzoek te reageren. 18.21. Vervangende toestemming voor de inschrijving op een school kan worden gevraagd als een van beide ouders daarvoor geen toestemming geeft. Het is het hof tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de ouders hierover nog geen overleg hebben gehad. Moeder [de moeder 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij de beslissing over het hoofdverblijf zou willen afwachten en zich dan wil verdiepen in een geschikte school voor [minderjarige] , mocht het tot een wijziging van het hoofdverblijf komen. Zij staat derhalve niet bij voorbaat afwijzend tegenover de inschrijving van [minderjarige] op basisschool [school 1] . Er is dus ook (nog) geen sprake van een situatie dat moeder [de moeder 2] weigert toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op een school in (de omgeving van) [woonplaats moeder 1] . Het hof zal daarom het verzoek van moeder [de moeder 1] ter zake afwijzen. 18.22. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof. 19 De beslissing verklaart moeder [de moeder 1] niet-ontvankelijk in de aanvullende verzoeken over, zoals hierboven vermeld, zorgafspraken, het overdrachtstijdstip en de zogenaamde doorschuifdag; vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg , zittingsplaats Maastricht van 30 mei 2024 voor zover het de beslissing over de hoofdverblijfplaats betreft; bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020, met ingang van 6 juli 2026 bij moeder [de moeder 1] ; bepaalt dat [minderjarige] in de schoolvakanties van één week of korter bij moeder [de moeder 2] verblijft; verklaart deze beschikking tot zover uitvoer