Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-06-10
ECLI:NL:GHSHE:2026:1537
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/26 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 december 2024, nummer BRE 23/9163, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting, op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026 en 16 april 2026, diverse nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het hof. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze pleitnota. 1.7. Op de zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 25/27 van de partner van belanghebbende, [partner] . 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 1.10. Na sluiting van het onderzoek heeft het hof op 4 mei 2026 berichten ontvangen van belanghebbende met betrekking tot de vergoeding van proceskosten. Het hof heeft daarin geen aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende woont samen met haar partner, [partner] (hierna: partner). Tussen belanghebbende en de partner is sprake van een fiscaal partnerschap. Belanghebbende en haar partner hebben twee kinderen (hierna tezamen: het gezin), [dochter 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 (hierna: dochter 1), en [dochter 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 (hierna: dochter 2). Dochter 1 is in het jaar 2016 woonachtig bij belanghebbende en haar partner en dochter 2 is in het jaar 2016 woonachtig in [plaats 1] . Aangifte en aanslagfase 2.2.1. Belanghebbende heeft, na twee maal eerder een (herziene) aangifte IB/PVV (beide keren overigens gelijkluidend) voor het jaar 2016 te hebben ingediend, op 14 juni 2017 een tweede herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend. 2.2.2. In de eerste twee aangiften waren inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en inkomsten uit vroegere dienstbetrekking begrepen en voorts had belanghebbende daarin rekening gehouden met een aftrek wegens giften. Deze aangiften zijn door de Inspecteur bij het vaststellen van een (eerste) voorlopige aanslag IB/PVV 2016 gevolgd. 2.2.3. In de tweede (herziene) aangifte van 14 juni 2017 waren inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en inkomsten uit vroegere dienstbetrekking begrepen en heeft belanghebbende rekening gehouden met een aftrek voor uitgaven wegens specifieke zorgkosten en een aftrek wegens giften en verder heeft belanghebbende daarin een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen begrepen van € 9.091. Het uit de aangifte volgende verzamelinkomen is als volgt opgebouwd: Inkomen uit werk en woning (box 1) € 17.839 Inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 9.091 Uitgaven voor specifieke zorgkosten: - Kosten medicijnen € 93 - Uitgaven voor hulpmiddelen € 1.307 - Uitgaven voor De inspecteur heeft in de brief per jaar vermeld wat de stand van zaken is ten aanzien van de (verzochte) aanlevering van stukken en belanghebbende voor het jaar 2016 nogmaals in de gelegenheid gesteld stukken (“die duidelijk zijn en de juiste vormvereisten hebben”) aan te leveren ten aanzien van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en de giften in dat jaar. De brief vermeldt een reactietermijn tot uiterlijk 13 september 2020. 2.11.1. Bij e-mailbericht van 4 september 2020 heeft belanghebbende op het onder 2.10 vermelde verzoek gereageerd. In het e-mailbericht is onder meer het volgende vermeld: “Onlangs ontvingen wij uw brief d.d. 24 -08-2020. eerlijk gezegd begrijpen we er niets meer van. U heeft het over meerdere jaren, waarvan, voor zover wij weten, alleen 2016 bij u ligt. 2015: De [partner] : dit ligt allemaal bij uw collega (…). Wij hebben hem een usb-stick gestuurd met al de gevraagde gegevens. Hij heeft wel aangegeven dat hij deze stick heeft ontvangen, maar voor zover wij weten, ligt dat al ongeveer een jaar te wachten op antwoord. 2016: [belanghebbende] : dit ligt inderdaad nog voor u te wachten. Wij zijn hiermee bezig en sturen u zo spoedig mogelijk de gevraagde gegevens. (…) Nogmaals zullen we u binnenkort de gevraagde gegevens over 2016 sturen en hopelijk is het nu zover klaar.” 2.11.2. Op 4 september 2020 heeft de inspecteur per e-mailbericht gereageerd en uiteengezet wat de stand van zaken is voor de in het onder 2.10 vermelde verzoek genoemde jaren en voor belanghebbende samengevat hetgeen nog van belanghebbende verwacht wordt. 2.11.3.Vervolgens heeft in de periode 4 september 2020 tot en met 25 november 2020 tussen partijen hierover correspondentie per e-mail plaatsgevonden. In deze periode is afgesproken dat belanghebbende vooralsnog de gevraagde informatie niet hoeft aan te leveren, in afwachting van de beoordeling door de Belastingdienst van de informatie die op de voor het jaar 2015 voor de partner aangeleverde USB-stick (USB-stick 1) is aangeleverd en dat partijen op korte termijn in gesprek zullen gaan waarna verder zal worden gesproken over de in geschil zijnde jaren. Dit gesprek heeft vervolgens niet plaatsgevonden in verband met destijds geldende maatregelen in verband met COVID-19. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 november 2020 te kennen gegeven om welke reden bepaalde kosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende is vervolgens bij e-mailbericht van 23 november 2020 in de gelegenheid gesteld stukken aan te leveren tot uiterlijk 6 december 2020. 2.12.1. Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur een USB-stick (USB-stick 2) toegezonden met daarop diverse stukken, zoals bonnen, bankafschriften, een dieetverklaring voor het jaar 2016 en door haar opgestelde kostenoverzichten ter onderbouwing van de door haar in de aangifte in aanmerking genomen uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. 2.12.2. Tot de door belanghebbende overgelegde kostenoverzichten behoren een opstelling van de zorgkosten 2016 van het gezin die optelt tot een totaalbedrag van € 8.929, een opstelling van de zorgkosten 2016 van de partner, een opstelling van ziektereizen 2016 van belanghebbende, de partner en dochter 1 die optelt tot een totaalbedrag aan kosten van € 2.031 en een aftrek (kennelijk door afronding) tot een totaalbedrag van € 2.181. Ter zake van de giften heeft belanghebbende een kostenoverzicht overgelegd met giften aan Natuurmonumenten, SOS kinderdorpen, Unicef, Artsen zonder Grenzen, De Zonnebloem en Kerk, dat optelt tot een totaalbedrag van (afgerond) € 186 (€ 185,50). Daarbij is nog gevoegd een los afschrift waaruit een gift van € 1,50 aan Stichting War Child zou volgen. 2.13. Bij brief van 12 november 2021 heeft de inspecteur belanghebbende een “Vooraankondiging uitspraak op bezwaar” gezonden. Bij brief met dagtekening 25 november 2021 heeft belanghebbende de inspecteur te kennen gegeven een hoorgesprek op prijs te stellen. Op 18 juli 2022 heeft een hoorgesprek plaatsgevonde Dit betreffen onder meer diverse bonnen, bankafschriften, vervoersbewijzen, en nadere opstellingen/overzichten van door haar (nader) in aftrek geclaimde uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. In reactie op het verweerschrift van de inspecteur heeft belanghebbende in de beroepsfase voor een aantal van de door haar geclaimde uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften een reactie en/of kostenopstelling ingezonden. 2.17.1. Ter zake van de dieetkosten heeft belanghebbende in de beroepsfase een opstelling ingediend waarin zij haar eerdere opstelling daarvan “verbetert”. Zij stelt daarin met de hierna volgende diëten voor een (hogere) aftrek van in totaal € 3.400 in aanmerking te komen: 18 Fermenteerbare oligosachariden, disachariden, monosachariden en polyolen beperkt (FODMAP) t.a.v. maag-, darm- en leverziekten € 900 22 Energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij t.a.v. maag-, darm- en leverziekten € 1.200 38 Lactosebeperkt/lactosevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid € 200 45 Koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij en al dan niet tarwevrij t.a.v. voedselovergevoeligheid € 1.100 2.17.2. Verder heeft belanghebbende een opstelling “zorgkosten (…), onvergoed” overgelegd, die ziet op dochter 2, en optelt tot een bedrag van € 75,87 en een zorgkostenoverzicht dat optelt tot een totaalbedrag van € 2.845,32. 2.18.1. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 9 december 2024 het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank per post behandeld welke posten en bedragen al dan niet voor aftrek in aanmerking komen en kent zij alsnog een aftrek uitgaven specifieke zorgkosten voor de hierna onder 2.18.2 en 2.18.3 genoemde posten toe. Ter zake van giften is geen aftrek verleend. De rechtbank heeft in haar uitspraak het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.339 met handhaving van de overige elementen van de aanslag, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, een proceskostenvergoeding van € 110,64 (reiskosten van belanghebbende en de partner) toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden. 2.18.2. De rechtbank heeft de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit, nu de hoogte van die kosten niet duidelijk is geworden, schattenderwijs bepaald op € 200. 2.18.3. De rechtbank heeft wegens uitgaven voor kleding en beddengoed, naast de al bij uitspraak op bezwaar toegekende aftrek van € 300, een aanvullend bedrag van € 300 (gelijk de door de Inspecteur in de beroepsfase ingenomen stelling) in aftrek toegestaan, zodat voor die post een totaalbedrag van € 600 in aanmerking komt voor aftrek. 2.18.4. De totale extra aftrek wegens uitgaven specifieke zorgkosten, die door de rechtbank is toegekend, bedraagt daarmee € 500. 2.18.5. De uitspraak van de rechtbank leidt dan tot de volgende opstelling: Inkomen uit werk en woning (box 1) € 17.839 Inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 9.091 Uitgaven voor specifieke zorgkosten: - Kosten medicijnen € 0 - Uitgaven voor hulpmiddelen € 142 - Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit € 200 - Dieetkosten € 1.100 - Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 600 - Genees- en heelkundige hulp € 0 - Uitgaven voor extra gezinshulp (na toepassing drempel van € 984) € 0 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 2.042 Drempel uitgaven specifieke zorgkosten - € 1.183 Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten - € 859 Giften (overige andere giften): Totaalbedrag andere giften € 186 Drempel andere giften € 519 Maximale aftrek andere giften - € 0 Verzamelinkomen € 26.071 2.19. Bij verminderingsbeschikking van 7 januari 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2016 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.980 (belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aangifte van € 17.839 minus bij de uitspraak op bezwaar alsnog in aft Het is voor belanghebbende tot op heden onduidelijk (gebleven) welke stukken (op welke manier) van haar worden verlangd ter zake van de door haar in aanmerking genomen uitgaven wegens specifieke zorgkosten en giften. De kosten moeten aannemelijk worden gemaakt en deze moeten op belanghebbende drukken. Onduidelijk blijft voor belanghebbende hoe zij dit moet verantwoorden. De informatie van de Belastingdienst is, aldus belanghebbende, misleidend en de Belastingdienst is stukken kwijtgeraakt en vervolgens doet de rechtbank of deze stukken nooit zijn overgelegd. Met betrekking tot de vereiste stukken is de informatie van de Belastingdienst en de rechtbank niet onderling in overeenstemming, dit voelt als willekeur. Het op digitale wijze moeten aanleveren van stukken, dan wel procederen, leidt tot ongelijke behandeling, nu dit niet voor iedereen mogelijk is en de bewijsvoering bemoeilijkt, zo stelt belanghebbende. Ook ervaart belanghebbende dit als een inbreuk op haar privacy en is de verregaande digitalisering privacygevoelig. Belanghebbende heeft het recht medische gegevens alleen ter inzage vrij te geven. Dit recht is belanghebbende ontzegd. De bewijsregels voor de twee soorten aftrekposten voor uitgaven wegens vervoer in verband met ziekte en invaliditeit (met autoritten dan wel met openbaar vervoer) verschillen, waarbij geldt dat de uitgaven voor autoritten gemakkelijker te bewijzen zijn. Belanghebbende kan zich geen belastingadviseur permitteren, waardoor het onderbouwen van de aftrekposten wordt bemoeilijkt. Dit levert een ongelijke behandeling op. Nu de afhandeling van het jaar 2016 lange tijd op zich heeft laten wachten, kan niet worden verwacht dat alles bewaard is gebleven, aldus belanghebbende. De diverse aftrekposten zijn onvolledig behandeld en ook niet goed behandeld. Alle aftrekposten zijn door belanghebbende aannemelijk gemaakt en de bewijsstukken waren oorspronkelijk goed geordend tot deze door toedoen van de Belastingdienst opnieuw moesten worden aangeleverd. Alle stukken zijn, anders dan de inspecteur stelt en de rechtbank in haar uitspraak schrijft, aangeleverd. Ten aanzien van een aantal giften geldt dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI), welke kosten belanghebbende niet heeft gedeclareerd en daarom in aftrek mag brengen. Belanghebbende heeft immers vooraf met de ANBI’s de afspraak gemaakt dat zij zulke kosten niet zal declareren en als een gift beschouwt. Belanghebbende verzoekt het hof alsnog de (tweede herziene) aangifte te volgen en in aanvulling daarop rekening te houden met een aftrek van € 13.949 voor betaalde premies voor inkomensvoorzieningen. Volgens belanghebbende is belastingrente geheven terwijl de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van dubbele heffing ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen. 4.2. De inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist en stelt dat de uitspraak van de rechtbank op alle punten juist is en dat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een eerst in hoger beroep verzochte aftrek voor betaalde premies voor inkomensvoorzieningen van € 13.949, nu aan de hand van de door belanghebbende overgelegde stukken niet is vast te stellen dat aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek is voldaan. Verder is de aangifte gevolgd ten aanzien van het inkomen uit sparen en beleggen en volgt uit de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2016 die aan de partner is opgelegd, dat bij de partner geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen. Ook is de belastingrente over de juiste periode berekend. Vooraf 4.3. Belanghebbende stelt dat tijdens het onder 2.8 bedoelde gesprek met een medewerker van de Belastingdienst door belanghebbende en haar partner op verzoek van de medewerker stukken zijn achtergelaten teneinde daarvan kopieën te kunnen maken en dat, anders dan is afgesproken, belanghebbende deze stukken niet meer he Deze kosten komen voor aftrek in aanmerking indien onder meer aan de volgende voorwaarden is voldaan: belanghebbende moet de premies zelf betalen of stortingen doen, en belanghebbende moet een pensioentekort hebben (er moet jaarruimte zijn dan wel reserveringsruimte). Belanghebbende had aan de hand van een verifieerbare berekening en met onderbouwing van bewijsstukken aannemelijk moeten maken dat er sprake was van een pensioentekort, hetgeen zij niet heeft gedaan. De enkele overlegging van een financieel jaaroverzicht van de ABN AMRO met: ‘Inleg/Inbreng in 2016 € 13.806,65’ en ‘Totale inleg aftrekbaar, als dit past binnen uw jaar- en reserveringsruimte: EUR 5.564,00’ is onvoldoende. Er bestaat om die reden geen recht op aftrek. Specifieke zorgkosten; uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit 4.7. De rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van de persoonsgebonden aftrek in het algemeen en de uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit in het bijzonder het volgende overwogen: “3. Op belanghebbende, die persoonsgebonden aftrek claimt, rust de last om aannemelijk te maken dat de bedragen waarvoor zij aftrek claimt aftrekbaar zijn. Voor aftrek van zorgkosten moet zij daarom aannemelijk maken dat die bedragen (i) betrekking hebben op in de wet (artikel 6.17 Wet IB 2001) genoemde zorgkosten (ii) door haar of haar partner zijn betaald en op hen drukken, dat wil zeggen dat de kosten niet vergoed (kunnen) worden door de verzekering en (iii) niet onder het eigen risico vallen, omdat voor kosten die onder het eigen risico vallen aftrek is uitgesloten. Voor aftrek van giften moet zij aannemelijk maken dat die giften zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Voor zover sprake is van vrijwilligerswerk kan alleen aftrek worden verleend vanwege het afzien van een vrijwilligersvergoeding indien de anbi verklaart dat belanghebbende aanspraak kan maken op een vrijwilligersvergoeding en de anbi bereid en in staat is die vergoeding uit te keren.[1] (…) Vervoer 3.2. De inspecteur heeft geen kosten van vervoer geaccepteerd omdat belanghebbende geen auto heeft en de opgevoerde kosten van vervoer naar ziekenhuizen, artsen, audioloog en podoloog niet aannemelijk gemaakt acht. Belanghebbende heeft een overzicht overgelegd van reiskosten dat uitkomt op een totaalbedrag aan kosten van € 2.031 en aftrek van € 2.181 (kennelijk door afronding). 3.2.1. Tot de door belanghebbende opgevoerde reiskosten behoren onder meer de reiskosten voor training van dochter [naam 2] , hydrotherapie van de partner, een contactdag in [plaats 2] en een lotgenotenbijeenkomst in [plaats 3] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat dat behandelingen waren door een arts of onder toezicht van een arts. De kosten daarvan kunnen dan niet worden aangemerkt als kosten wegens ziekte of invaliditeit en de vervoerskosten evenmin. 3.2.2. Uit het overzicht blijkt overigens niet hoe belanghebbende de reiskosten heeft berekend en ter zitting is daar ook geen duidelijkheid over gekomen. Uit het overzicht blijkt wel dat gerekend wordt met € 1 à € 2 per kilometer. Artikel 6.17, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat voor vervoer aftrekbaar is (a) bij reizen per auto anders dan per taxi € 0,21 per kilometer en (b) bij reizen op andere wijze de werkelijke kosten. Belanghebbende heeft gesteld dat zij voor het vervoer soms de auto van de buren leent maar dat ze meestal met openbaar vervoer reist. Ter zitting is niet komen vast te staan welke reizen belanghebbende op welke data heeft gemaakt en ook niet hoe zij die reizen heeft gemaakt (met openbaar vervoer of een geleende auto). Wel is aannemelijk dat zij en haar partner zijn gereisd naar het ziekenhuis in [plaats 4] en [plaats 5] , de huisarts, de homeopatisch arts, de tandarts en de audicien, maar over de frequentie daarvan is geen duidelijkheid omdat belanghebbende geen afsprakenkaarten heeft overgelegd. Het zijn wel reizen in verband met ziekte en daarom behoren de daarvoor gemaakte reiskosten Naar het oordeel van de rechtbank hebben de diëten met de nummers 35 en 20 betrekking op eenzelfde dieettypering, en zijn de diëten met de nummers 36, 42 en 43 deels overeenkomend terwijl zij kennelijk betrekking hebben op hetzelfde ziektebeeld (lactose-intolerantie). De inspecteur heeft dus terecht de aftrek voor de diëten 35 en 20 beperkt tot € 700 en voor de diëten met de nummers 36, 42 en 43 tot € 400. Dat naast de in 2.2.2 vermelde diëten ook rekening gehouden moet worden met een dieet wegens darmproblemen is niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat de door de huisarts gegeven dieetverklaring daar niet over rept. Medicijnen 3.4. Tot de stukken behoren verder overzichten van de ziektekostenverzekering van de dochter ( [dochter 2] ) die in [plaats 1] woonde. Daaruit blijkt dat de dochter kosten heeft gemaakt die niet door de verzekering zijn vergoed en ook niet onder het eigen risico vielen. Tevens heeft belanghebbende aftrek geclaimd van medicijnen voor haar en haar partner. 3.4.1. Voor de medicijnen heeft de inspecteur aftrek niet toegestaan omdat niet duidelijk is of het ging om medicijnen/farmaceutische hulpmiddelen die zijn voorgeschreven door een arts. Belanghebbende heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft, onder meer doordat zij de omschrijving van de medicijnen op de facturen onleesbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende het recht op aftrek voor deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Zorgkosten dochter 3.5. Belanghebbende heeft de volgende kosten van de dochter opgevoerd: Soort zorg Datum Bedrag Tandarts 19-02-2016 € 25,94 Alternatieve genezer 21-04-2016 € 42,50 Tandarts 07-09-2016 € 5,02 Tandarts 21-09-2016 € 32,38 Tandarts 04-11-2016 € 9,25 € 115,09 3.5.1. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat dit geen kosten zijn wegens ziekte. Dat geldt ook voor de kosten van de alternatieve genezer omdat de verzekering daarvan een deel heeft betaald. 3.5.2. Uit het overzicht blijkt dat de verzekering deze bedragen heeft voorgeschoten en dat de dochter ze aan de verzekering moest terugbetalen. Volgens belanghebbende heeft zij die kosten betaald omdat de dochter studeerde en geen inkomsten had. Enig bewijs is daarvan echter niet overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de enkele mededeling door belanghebbende onvoldoende bewijs is van die betaling. Zij acht daarom niet aannemelijk gemaakt dat die bedragen door belanghebbende zijn betaald. Daarom behoort dit bedrag van € 115,09 niet tot de aftrekbare zorgkosten. Hulpmiddelen 3.6. De hulpmiddelen waarvoor aftrek niet is geaccepteerd hebben betrekking op rekeningen van de audicien ( [audiciën 1] en [audiciën 2] ) en schoenen ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ). Van de rekeningen van de audicien ontbreken betaalbewijzen en er is ook geen bewijs dat de verzekering die bedragen niet heeft vergoed. Datzelfde geldt voor de schoenen. Voor de schoenen geldt bovendien dat de kosten daarvan alleen aftrekbaar zijn als het gaat om schoenen die niet door gezonde mensen gedragen worden. Er is echter geen enkel bewijs dat het hier om aangepaste schoenen gaat. Al met al is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voor hulpmiddelen opgevoerde kosten aftrekbaar zijn. Extra gezinshulp 3.7. Van het bedrag ad € 16.265 dat belanghebbende heeft opgevoerd als kosten voor extra gezinshulp is ter zitting komen vast te staan dat het hier de kosten van begeleiding van de dochter betreft. Zoals in 3.2.1. is overwogen zijn de daarvoor gemaakt kosten niet aftrekbaar. Conclusie 3.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aftrekbare zorgkosten moeten worden verhoogd met € 300 (zie 2.2.4) en € 200 (zie 3.2.2).” 4.13. De door de rechtbank verleende extra aftrek wegens extra kosten voor kleding en beddengoed (zie 2.2.4 en 3.8 van de uitspraak) is reeds in de onder 2.19 vermelde verminderingsbeschikking verwerkt. 4.14. Het hof acht de onder 4.11 en 4.12 aangehaalde overwegingen van de rechtbank op juiste en goede gronden Het vorenstaande leidt dan tot de volgende opstelling: Inkomen uit werk en woning (box 1) € 17.839 Inkomen uit sparen en beleggen (box 3) € 9.091 Uitgaven voor specifieke zorgkosten: - Kosten medicijnen € 0 - Uitgaven voor hulpmiddelen € 142 - Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit € 1.575 - Dieetkosten € 1.100 - Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 600 - Genees- en heelkundige hulp € 0 - Uitgaven voor extra gezinshulp (na toepassing drempel van € 984) € 0 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 3.417 Drempel uitgaven specifieke zorgkosten - € 1.183 Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten - € 2.234 Giften (overige andere giften): Totaalbedrag andere giften € 186 Drempel andere giften € 519 Maximale aftrek andere giften - € 0 Verzamelinkomen € 24.696 Het inkomen uit werk en woning (box 1) dient, rekening houdend met de toe te kennen specifieke zorgkosten, derhalve te worden bepaald op € 15.605 (€ 17.839 minus € 2.234). Belastingrente 4.19. Belanghebbende stelt dat ten onrechte, althans teveel, belastingrente is geheven, omdat de Belastingdienst zelf traag heeft gehandeld. Het hof ziet, nog daargelaten wat het gevolg zou zijn als belanghebbende in die stelling zou worden gevolgd, in het dossier geen aanleiding voor de conclusie dat de lange duur van de procedure over de onderhavige aanslag louter is te wijten aan de inspecteur, nu juist ook de handelwijze van belanghebbende met regelmaat tot de nodige vertraging heeft geleid. Andere gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft belanghebbende niet aangevoerd. Dat overigens in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de beschikking belastingrente te worden verminderd gelet op het onder 4.10 en 4.18 overwogene (€ 1.375 hogere aftrek uitgaven vervoer in verband met ziekte en invaliditeit). Slotsom 4.20. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond in die zin dat belanghebbende alsnog voor een nadere aftrek wegens specifieke zorgkosten (uitgaven vervoer in verband met ziekte en invaliditeit) in aanmerking komt in verband waarmee het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt verminderd en de beschikking belastingrente evenredig wordt verminderd. Ten aanzien van het griffierecht 4.21. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (gedeeltelijk) wordt vernietigd. 4.22. De rechtbank heeft reeds vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht gelast. Het hof laat deze beslissing in stand. Ten aanzien van de proceskosten 4.23. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze kosten vast aan de hand van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 4.24. Het hof stelt de tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van € 57,46 (op basis van openbaar vervoer tweede klasse). De partner van belanghebbende ontvangt een tegemoetkoming in de zaak met nummer 25/27. 4.25. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb heeft gemaakt. 4.26. De rechtbank heeft reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep. Het hof laat deze beslissing in stand. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.605 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.091; vermindert de beschikking belastingrente evenredig; bepaalt dat de i