Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-06-10
ECLI:NL:GHSHE:2026:1535
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 24/1352 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 juli 2024, nummer BRE 22/5997, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 24 juli 2017 tot en met 30 september 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een boete opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boete. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft het hoger beroep nadien aangevuld. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] , bijgestaan door [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. . 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is in Nederland gevestigd en haar ondernemingsactiviteiten bestaan onder meer uit handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten en handel in brandstoffen. 2.2. [bedrijf 1] B.V. is enig aandeelhouder van belanghebbende. Alle aandelen van [bedrijf 1] B.V. worden gehouden door [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 3] is gevestigd in België en is enig aandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. [naam 2] ( [naam 2] ) is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] . 2.3. Bij brief van 29 maart 2019 is namens de inspecteur een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd voor een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. 2.4. Bij brief van 29 mei 2020 heeft de inspecteur zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete op te gaan leggen. Voor de motivering daarvan verwees de inspecteur naar het bij die brief gevoegde ‘Verslag bevindingen [belanghebbende] B.V.’. 2.5. Bij brief van 26 juni 2020 heeft de inspecteur het rapport van het boekenonderzoek (het rapport) naar belanghebbende gezonden. In die brief staat onder meer: “Hierbij zend ik u een afschrift van het openbaar deel van het rapport dat werd opgemaakt naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek. (...) Indien u van mening bent: - dat de aangekondigde aanslag en/of de boete afwijkt van de gemaakte afspraak; dan wel - dat de boete ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd, kunt u bezwaar aantekenen tegen zowel de naheffingsaanslag als de boete. (...).” 2.6. In het rapport staat, voor zover relevant, vermeld: “10 Slotopmerkingen Op 29 mei 2020 werd de kennisgeving boete met als bijlage het verslag van bevindingen naar belastingplichtige gestuurd. Het poststuk kon niet aan belastingplichtige worden overhandigd daarop werd een afhaalbericht achter gelaten. Het poststuk werd niet door belastingplichtige bij PostNL opgehaald. Daarom is niet bekend of de belastingplichtige en zijn adviseur akkoord gaan met de naheffingsaanslag omzetbelasting zoals in dit rapport is vermeld.” 2.7. Namens belanghebbende is bij brief v Zoals besproken in ons telefonisch gesprek op 21 juli 2020 merk ik uw brief aan als een zogenaamd pro forma bezwaarschrift tegen de boetebeschikking. Het bezwaarschrift kan nog niet in behandeling worden genomen omdat het niet, zoals wettelijk vereist, de gronden van het bezwaar bevat. Ik stel u in de gelegenheid om, uiterlijk 24 augustus 2020, de gronden van het bezwaar aan te vullen. Na ontvangst van de gronden van het bezwaar zal ik het bezwaarschrift verder in behandeling laten nemen.” 2.11. De inspecteur heeft in zijn brief van 25 augustus 2020 aan de gemachtigde geschreven: “Geachte [gemachtigde 1] , Op 19 augustus jl ontving ik uw e-mail met daarin een kopie van uw brief van 28 juli 2020 met kenmerk [kenmerk] , waarin u namens uw cliënte [belanghebbende] B.V. verzoekt om verlenging van de termijn voor het aanvullen van de gronden van uw bezwaar tegen de boetebeschikking met beschikking-nummer [aanslagnummer] en dagtekening 25 juli 2020. Ik verleng de termijn, in deze brief licht ik een en ander toe.” 2.12. Belanghebbende heeft bij brief van 21 september 2020 de gronden van haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking aangevoerd. Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking te herroepen. 2.13. De inspecteur heeft in zijn kennisgevingen uitspraken op bezwaar van 30 november 2022 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de inspecteur is eerst in de brief van 21 september 2020 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaar tegen de vergrijpboete is ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende volgens de inspecteur met de motivering van de boete in het rapport van 26 juni 2020 redelijkerwijs kon menen dat de boetebeschikking reeds tot stand was gekomen. De brief van 10 juli 2020, die op 14 juli 2020 door de inspecteur is ontvangen (zie 2.7), is als een bezwaarschrift tegen de boetebeschikking aangemerkt. De inspecteur heeft de boete verminderd en een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. 2.14. De rechtbank heeft de vergrijpboete vernietigd maar het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond verklaard. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Heeft de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking terecht niet-ontvankelijk verklaard? Heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel geschonden? 3.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar de inspecteur. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Het hof stelt voorop dat, anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, de bewijslast dat tijdig bezwaar is gemaakt, op haar rust. 4.2. De aard van de beroepstermijn, die meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het betrokken bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (zie HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1755). Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voordoet dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn (HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419). Dit betekent dat uitsluitend omstandigheden die zich hebben voorgedaan binnen de Dit geldt ook voor de brief van de inspecteur van 25 augustus 2020 (2.11). Uit deze twee brieven en het gespreksverslag leidt het hof af dat de inspecteur een tijd in het ongewisse was tegen welke besluiten belanghebbende bezwaar maakte. 4.8. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de gemachtigde contact heeft opgenomen met de inspecteur, maar heeft dit niet concreet gemaakt. Het hof acht dit ook niet aannemelijk, omdat in het dossier geen aanwijzingen van dergelijk contact zijn te vinden (zoals een telefoonnotitie of een bevestiging van een dergelijk contact) en de inspecteur dit heeft weersproken. Hierbij komt dat gemachtigde [gemachtigde 1] desgevraagd heeft verklaard dat hij in de desbetreffende periode niet aanwezig was. Hij kan dus niet uit eigen wetenschap verklaren over enig contact met de inspecteur. De collega die de inspecteur te woord heeft gestaan, is inmiddels niet meer aan zijn kantoor verbonden. 4.9. Belanghebbende heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op artikel 24a Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Artikel 24a Awr is gelet op artikel XVI, onderdeel f, Fiscale verzamelwet 2023 niet van toepassing in de onderhavige periode. Deze overgangsbepaling is als volgt toegelicht in de memorie van toelichting (het hof heeft de voetnoten weggelaten): “ 4.10. Inwerkingtreding De voorgestelde wijzigingen treden in werking met ingang van 1 januari 2023. Om te voorkomen dat de voorgestelde wijzigingen invloed hebben op lopende bezwaar- en beroepsprocedures, waaronder lopende bezwaar- en beroepsprocedures die hun oorsprong vinden in de afwijzing van een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) waarvan een bedrag op hetzelfde aanslagbiljet is vermeld, zijn de voorgestelde wijzigingen voor het eerst van toepassing met betrekking tot een aanslagbiljet met een dagtekening op of na 1 januari 2023. Onmiddellijke werking zou namelijk voor de Belastingdienst en de rechterlijke macht tot praktische problemen leiden die bovendien tot gevolg kunnen hebben dat procedures langer duren. Met voormeld overgangsrecht wordt gestreefd naar duidelijkheid van de procedurele mogelijkheden voor alle betrokken partijen. Mede vanwege dit streven zorgt voormeld overgangsrecht er ook voor dat de voorgestelde wijzigingen voor het eerst van toepassing zijn op verzoeken om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag IB en voor bezwaar vatbare beschikking(en) waarvan een bedrag op hetzelfde aanslagbiljet is vermeld met een dagtekening op of na 1 januari 2023. Nieuwe verschillen tussen procedures die hun oorsprong vinden in een bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) en een bezwaar tegen een afwijzing van een ambtshalve vermindering van die belastingaanslag IB of bepaalde voor bezwaar vatbare beschikking(en) worden daarmee voorkomen.” 4.10. Het hof leidt uit de overgangsbepaling en de memorie van toelichting voorts af dat er vanuit het perspectief van de wetgever geen plaats is voor de door belanghebbende bepleite soepele beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar in de periode vóór de inwerkingtreding van artikel 24a Awr. De versoepeling die de hoogste bestuursrechters recent hebben aangebracht in de jurisprudentie baat belanghebbende niet (ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406; CRvB 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:932; HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:625). Dat er bijzondere omstandigheden zijn die tot verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn aanleiding kunnen geven, is immers niet gebleken. Belanghebbende heeft in dit verband geen concrete omstandigheden – voorgevallen tijdens de bezwaartermijn – aangevoerd. 4.11. Ten overvloede overweegt het hof dat het betrekken van de omzetbelasting in het hoorgesprek geen aanwijzing is dat de inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ontvankelijk achtte, omdat de omzetbelasting de grondslag van de vergrijp