Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-26
ECLI:NL:GHSHE:2026:1520
Parketnummer : 20-002282-23 Uitspraak : 26 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-196325-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder 7 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van: - ‘ ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’ (het onder 1, 4 en 6 tenlastegelegde); - ‘ ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’ (het onder 2 tenlastegelegde); ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ (het onder 3 en 5 tenlastegelegde) en ‘opzetwitwassen’ (het onder 7 subsidiair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn door de rechtbank geheel toegewezen, respectievelijk tot bedragen van € 1.245,75 en € 1.165,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de verdachte is door de rechtbank veroordeeld in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Namens de op [overlijdensdatum] overleden benadeelde partij [benadeelde 1] is door nabestaande [benadeelde 4] op 23 januari 2024 een wensenformulier ingevuld waarop kenbaar is gemaakt dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep wordt gehandhaafd. Het strafgeding voorziet echter niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook als de persoon die zich op grond van artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter op grond van artikel 361 lid 4 Sv moet beslissen op de betreffende vordering. Als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, op grond van artikel 421 lid 2 Sv van rechtswege voort in hoger beroep (HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:498). Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] door de rechtbank tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade, is toegewezen, is de vordering in hoger beroep slechts in zoverre opnieuw aan de orde. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft, met het oog op de hierna te bespreke Het hof heeft de overeengekomen procesafspraken betrokken bij de beantwoording van de vraagpunten op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, inclusief de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, behalve voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Op te leggen straffen Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich in een tijdsbestek van anderhalve maand samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen van geldbedragen door met een gestolen pinpas te pinnen, twee pogingen daartoe, tweemaal diefstal in vereniging waarbij gebruik gemaakt is van een zogenaamde babbeltruc en het opzettelijk witwassen van een bedrag van in totaal € 2.411,70. Naast de slachtoffers van het witwassen, zijn drie oudere hoogbejaarde dames door deze feiten ernstig benadeeld. Er zijn grote bedragen buitgemaakt en er is veelvuldig met de pinpassen gepind. De babbeltrucs waren erg doortrapt. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte en haar mededader(s) bewust deze slachtoffers van hoge leeftijd hebben uitgekozen. De verdachte heeft zich bij een van de babbeltrucs samen met een mededader bij een bejaarde vrouw van destijds 85 jaar oud voorgedaan als iemand van de zorg die de woning kwam controleren. Daarbij hebben zij sieraden, geld, een pinpas en pincode weggenomen. Met die pinpas is kort daarna een bedrag van € 2.161,90 weggenomen. Bij de andere babbeltruc heeft zij zich samen met een mededader bij een hoogbejaarde vrouw van destijds 86 jaar oud voorgedaan als leerling van een ROC en werd gevraagd of deze vrouw mee wilde doen aan een interview. Zo hebben zij zich toegang verschaft tot haar woning en haar portemonnee met geld en pinpas meegenomen. Bij een derde slachtoffer werd in totaal een bedrag van € 37.916,70 buitgemaakt door veelvuldig te pinnen. De verdachte kan voor een groot deel van dit geldbedrag verantwoordelijk worden gehouden. Met deze manier van handelen hebben de verdachte en haar mededaders ernstig misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van (hoog)bejaarde mensen. Zij hebben uitsluitend uit eigenbelang en winstbejag gehandeld en een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit getuigt van een verregaand gebrek aan respect en moreel besef. Het gevoel van veiligheid en het vertrouwen in anderen van de getroffen ouderen is hierdoor ernstig geschaad. Juist de kwetsbare en afhankelijke positie van deze doelgroep maakt het plegen van dit soort feiten extra kwalijk. Het hof rekent dat de verdachte dan ook zwaar aan. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de veelvoud aan feiten is het hof van oordeel dat in beginsel enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie is. Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtz