Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-06-03
ECLI:NL:GHSHE:2026:1444
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/117 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 21/644, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) , hierna: de minister. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte op 24 december 2018. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen als gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (hierna: de gemachtigde), bijgestaan door [naam 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/118 tot en met 24/120. 1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 1.9. De gemachtigde heeft na de zitting nadere stukken ingediend. Het hof zal deze stukken niet tot de gedingstukken rekenen (zie verder onder overweging 4.1). 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is één van de vier commanditair vennoten van de commanditaire vennootschap [naam 2] C.V. (hierna: de C.V.). 2.2. Bij akte van levering van 30 november 2018 hebben de commanditaire vennoten van de C.V., waaronder belanghebbende, van projectontwikkelaar [projectontwikkelaar] B.V. (hierna: verkoper), een hotelgebouw met buitenterrein gelegen aan [adres] in [plaats] verkregen (hierna: het gebouw). Het gebouw was ten tijde van de verkrijging in verhuurde staat. De netto-koopprijs van het gebouw bedroeg € 33.900.000 (vrij op naam), inclusief eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting. Blijkens de in de akte van levering opgenomen voetverklaring bedraagt de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting afgerond € 31.889.500, zodat de verschuldigde overdrachtsbelasting € 1.913.370 bedraagt. 2.3. Het gebouw, gebouwd in 1974/1975, was voorheen een kantoorgebouw dat op 22 mei 2015 in onverhuurde staat voor € 4.700.000 door verkoper werd gekocht. Het doel van verkoper bij aankoop was om het gebouw te transformeren tot een hotelaccommodatie met circa 150 hotelkamers, een minimarkt, sportschool, restaurant en vergaderruimten. 2.4. In opdracht van verkoper zijn aan het gebouw de volgende werkzaamheden verricht: In het gebouw hebben sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Verwijderd zijn onder meer de (niet dragende) wanden, deuren, stoffering, meubilair, plafonds, dekvloeren, elektrische en werkbouwkundige installaties, isolatie, binnen spouwwanden, kozijnen en ramen. Ook is alle asbest gesaneerd. Iedere verdieping van het gebouw is opnieuw ingedeeld en ingericht. Op iedere verdieping zijn nieuwe (niet dragende) muren en plafonds gezet. Alle infrastructuur (elektriciteit, water en IT) is vervangen. Alle werkbouwkundige installaties zijn vervangen, waaronder luchtbehandelingskasten, airco-systemen, warmwaterketels, drinkwatertracé, riolering en sanitaire voorzieningen. Alle elektrische Hoofddraagconstructie Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen de directe constructieve ingrepen volgens de opgave van de constructeur en de ingrepen in de uitwendige scheidingsconstructie. Onderstaande ingrepen zien toe op de constructieve veiligheid en zijn door de constructeur [Constructeur] opgetekend. De constructietekeningen en berekeningen maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning, zie bijlage 3. De ingrepen gerekend tot de hoofddraagconstructie zijn: Souterrain • aanbrengen sparingen tbv nieuwe goederenlift • aanbrengen schuimbeton tbv realisatie nieuwe vloer • fundering middels buispalen en betonnen vloer tbv entrees Begane grond, verdiepingsvloeren • verwijderen gevel tbv dakterras 8e verdieping (…) • realiseren nieuwe dakconstructie (…) • realiseren uitbreiding verdiepingsvloer (…) • verwijderen schachten en dichtzetten vloersparingen • aanbrengen diverse sparingen in de vloer- en wandconstructie (…) Dak • aanbrengen diverse sparingen in de dakconstructie • realiseren dakopbouw (…) • uitbreiding dakconstructie. (…) 3.3.2. Uitwendige scheidingsconstructie Bij de uitwendige scheidingsconstructie gaat het om de gevel en dakopbouw van het gebouw. Bouwbesluit, artikel 1.1, eerste lid, geeft de definitie van uitwendige scheidingsconstructie; een uitwendige scheidingsconstructie vormt de scheiding tussen een ruimte en de buitenlucht. Het samenstel van onderdelen vormt de gevelconstructie en dakconstructie en zijn onlosmakelijk verbonden. De ingrepen aan de uitwendige scheidingsconstructie zien toe op dak- en gevelconstructie. De gesloten uitwendige gevelconstructie (…) bestaat uit een betonnen buitenblad, isolatie en een binnenblad. De uitwendige dakconstructie bestaat uit een prefab betonvloer met onderliggend plafond, aan de bovenzijde voorzien van isolatie en dakbedekking. De gehele dakopbouw vanaf casco constructie is volledig vervangen waarbij tevens de isolatiewaarde is verbeterd. De gevelkozijnen zijn volledig vervangen door hoogwaardig geïsoleerde kozijnen en beglazing. De vormtaal van de oorspronkelijke kozijnen zijn gevolgd. De gewassen grondbeton gevel is geheel gereinigd waardoor de gevel als nieuw oogt. De ingrepen gerekend tot de uitwendige scheidingsconstructie zijn: Souterrain • aanbrengen schuimbetonvloer • vochtscherm • realiseren entree Begane grond, verdiepingsvloeren • verwijderen gevelpuien / verwijderen open gevelconstructie • verwijderen binnenspouwblad van de gevelconstructie Dak. • verwijderen dakafwerking en isolatie van de dakconstructie”. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of sprake is van een verkrijging waarop de vrijstelling van artikel 15, zesde lid, in samenhang met artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2018) (hierna: de samenloopvrijstelling) van toepassing is. Dit geschil spitst zich toe op de beantwoording van de volgende vragen: I. Is sprake van een verbouwing die een vervaardigd goed heeft voortgebracht in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud)? II. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Is artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met artikel 12 Richtlijn 2006/112/EG (hierna: de Btw-richtlijn)? III. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan worden getoetst aan een ruimere Unierechtelijke uitleg? Voor het geval het hof beslist dat de levering aan onder meer belanghebbende van het tot hotel getransformeerde kantoorgebouw is belast met omzetbelasting, is tussen partijen niet in geschil dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot een teruggaaf van overdrachtsbelasting van € 1.913.367 voor de vier commanditaire vennoten gezamenlijk en een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase. De inspecteur concludeert tot De inspecteur stelt daarentegen dat met de verbouwing van het gebouw geen vervaardigd goed is voortgebracht, omdat de constructieve aanpassingen daarvoor te beperkt zijn. 4.7. Bij de beantwoording van de vraag of in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet – volgens de huidige stand van de jurisprudentie – worden vastgesteld wat in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Factoren zoals de eventuele functiewijziging, de (bouwkundige) identiteit, de uiterlijke herkenbaarheid of de naamsbekendheid van een gebouw voor en na de verbouwing kunnen aanwijzingen zijn voor de constatering dat een verbouwing in bouwkundig opzicht zo ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Zij zijn voor die beoordeling echter niet doorslaggevend, noch op zichzelf, noch tezamen genomen, en evenmin noodzakelijk. 4.8. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de onder 2.4 opgenomen verbouwingswerkzaamheden dusdanig ingrijpend zijn geweest dat deze de conclusie rechtvaardigen dat er in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Daarvoor zijn, zoals hiervoor opgenomen, wijzigingen in de bouwkundige constructie van doorslaggevend belang. Het hof is van oordeel dat de verbouwing van het gebouw niet dusdanig ingrijpend is geweest dat dit heeft geleid tot een situatie waarin in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omvang van de wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw acht het hof, gelet op de in 2.4 vermelde werkzaamheden, daarvoor te beperkt. Een belangrijk deel van de werkzaamheden betreft namelijk het strippen van het oude gebouw tot het casco en de daaropvolgende modernisering en de verduurzaming ervan. Dit kan niet zonder meer kwalificeren als een ingrijpende wijziging in de bouwkundige constructie van het gebouw. 4.8.1. In het door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport (zie 2.10) wordt gesteld dat op de hoofddraagconstructie en de uitwendige scheidingsconstructie is ingegrepen. Indien en voor zover de ingrepen in de hoofddraagconstructie geduid moeten worden als wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw, zijn de met die wijzigingen gemoeide kosten, ten opzichte van de totale verbouwingsopgave, te beperkt om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ingrijpende wijziging in voornoemde zin. Hierbij merkt het hof op dat hij, anders dan belanghebbende, de in het deskundigenrapport genoemde indirecte projectkosten en de kosten voor de uitwendige scheidingsconstructie niet beschouwt als kosten voor constructieve ingrepen. Van deze kosten is naar het oordeel van het hof ofwel onvoldoende duidelijk geworden waarop deze zien (indirecte projectkosten) dan wel is sprake van kosten die naar hun aard niet behoren tot de kosten voor constructieve ingrepen (kosten uitwendige scheidingsconstructie); belanghebbende heeft in dat verband namelijk gesteld dat de noodzakelijke draagconstructie van het gebouw (i.e. stabiliteitsconstructie) in stand is gebleven. Gelet op het voorgaande stelt het hof, mede in het licht van wat ter zitting is gesteld, vast dat de totale verbouwingsopgave € 14.279.100 (exclusief omzetbelasting) bedraagt, waarvan een bedrag van € 848.285 (exclusief omzetbelasting) betrekking heeft op constructieve ingrepen. Dat komt neer op ongeveer 6% van het bouwbudget. Ook in relatieve zin is dat naar het oordeel van het hof te beperkt om te spreken van een ingrijpende verbouwing in voornoemde zin. Zelfs als de indirecte projectkosten, die niet gespecificeerd zijn, zouden worden meegenomen als kosten voor constructieve ingrepen, rechtvaardigt dat geen andere conclusie. 4.8.2. Ook de omstandigheden dat het gebouw Daaruit volgt, zo stelt belanghebbende, dat de levering van een gebouw van rechtswege is belast met omzetbelasting als het zoals in dit geval veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen. 4.15. Dit betoog van belanghebbende slaagt niet, nu het eerste lid en het derde lid van artikel 11 Wet OB (oud) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In het derde lid wordt eerst expliciet verwezen naar het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en vervolgens gepreciseerd wanneer in het geval van verbouwing van een oud gebouw van een eerste ingebruikneming sprake is. Uit die verbinding tussen de betreffende artikelleden volgt naar het oordeel van het hof dat de eerste ingebruikneming niet kan worden geïnterpreteerd zonder de precisering van het derde lid en het daarin opgenomen begrip ‘vervaardiging’ bij die lezing te betrekken. 4.16. Gelet op het voorgaande, moet de derde vraag ontkennend worden beantwoord. Tussenconclusie 4.17. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding 4.18. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld en binnen vier jaar nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. 4.19. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In dit geval zijn de zaken van de commanditaire vennoten gezamenlijk behandeld (zaaknummers 24/117 tot en met 24/120). Voorop staat dat iedere belanghebbende bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. De gezamenlijke behandeling kan echter een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van een dergelijke matigende invloed sprake omdat de feiten en de geschilpunten in de procedures van de commanditaire vennoten gelijk zijn, en de hoger beroepen van de commanditaire vennoten op dezelfde zitting zijn behandeld. Het hof zal daarom voor de commanditaire vennoten tezamen éénmaal het tarief van € 500 per half jaar hanteren. Dit komt voor belanghebbende neer op een vergoeding van € 125 per half jaar. 4.20. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (naar boven afgerond) vijf maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (naar boven afgerond) één half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125, waartoe de minister wordt veroordeeld. Ten aanzien van het griffierecht 4.21. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.22. Omdat het hof ambtshalve overgaat tot vergoeding van immateriële schade en het hoger beroep ongegrond is, ziet het hof geen aanleiding voor een (werkelijke) proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank; veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 125. De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Montei