Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-01-21
ECLI:NL:GHSHE:2026:137
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2026:137 text/xml public 2026-03-06T09:31:11 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-21 23/1020 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:137 text/html public 2026-03-03T09:04:38 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-01-2026 / 23/1020 Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-tijdig overleggen machtiging. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummer: 23/1020 Uitspraak op het door [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) ingestelde hoger beroep [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 3 augustus 2023, nummer ROE 23/1513, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW), hierna: de heffingsambtenaar. Overwegingen Ten aanzien van de ontvankelijkheid 1. Op 17 oktober 2025 heeft [gemachtigde] raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen. 2. Nadien heeft [gemachtigde] nadere stukken ingediend welke aan de wederpartij zijn doorgezonden. 3. De zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] namens [kantoor] B.V. De heffingsambtenaar heeft laten weten dat hij niet al verschijnen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd. 4. Het hoger beroep is op 7 augustus 2023 namens [kantoor] B.V. ingediend door [gemachtigde] . Blijkens het dossier heeft [gemachtigde] niet namens zichzelf hoger beroep ingesteld. 5. In het dossier dat het hof van de rechtbank heeft ontvangen, bevindt zich geen schriftelijke machtiging van belanghebbende. 6. Het hof heeft [gemachtigde] met een brief van 17 augustus 2023 een brief gestuurd: “U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd: - de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank; - een op uw naam gestelde volmacht in te dienen; niet ouder dan 3 maanden Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 14 september 2023 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 7. Het hof heeft [gemachtigde] op 19 september 2023 een herinnering gestuurd: “Hierbij wijs ik u op mijn bericht van 17 augustus 2023. Voor zover ik kan nagaan, heb ik daarop nog geen reactie ontvangen. Het gerechtshof stelt u alsnog in de gelegenheid het hoger beroep aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens. De termijn daarvoor eindigt op 3 oktober 2023. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” 8. [gemachtigde] heeft met brieven gedagtekend op 13 september 2023 en 2 oktober 2023, door het hof beide ontvangen op 6 oktober 2023, op voornoemde verzoeken gereageerd waarbij hij verwijst naar het dossier en verzoekt om verlenging van de termijn voor het aanleveren van een machtiging. 9. [gemachtigde] heeft met een ongedateerde brief, door het hof ontvangen op 26 juni 2025 een machtiging overgelegd. Deze machtiging is gedateerd op 26 april 2024 en ondertekend door belanghebbende. 10. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 Awb een schriftelijke machtiging kan verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. 11. Het hof heeft [gemachtigde] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging van maximaal een half jaar oud over te leggen. Het hof is hiertoe overgegaan omdat in diverse andere zaken waarin [gemachtigde] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen. Aanleiding voor deze twijfels zijn de volgende ambtshalve bekende feiten en omstandigheden: (i) [gemachtigde] heeft in drie recente procedures bij dit hof , terwijl sprake was van verschillende belanghebbenden, een identieke schriftelijke machtiging overgelegd, die niet is voorzien van een naam van de volmachtgever en die een handtekening bevat welke niet te herleiden is naar een naam, (ii) de rechtbank Noord-Nederland heeft een dergelijke handelswijze van [gemachtigde] ook al geconstateerd , (iii) uit uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant volgt concreet dat [gemachtigde] beroep instelt zonder dat hij daartoe bevoegd is of belanghebbende daarvan op de hoogte is en (iv) het hof ambtshalve bekend is met twee hogerberoepszaken waarin de betreffende belanghebbende met een brief van 21 juni 2023 heeft laten weten dat [gemachtigde] namens hem in beide zaken onbevoegd zowel beroep als hoger beroep heeft ingesteld. 12. Het hof volgt [gemachtigde] niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat uit de betaling van het griffierecht ondubbelzinnig volgt dat hij van belanghebbende opdracht heeft gekregen om in hoger beroep als gemachtigde op te treden. [gemachtigde] heeft deze stelling niet nader uitgewerkt en ook niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht. Ook de stelling van [gemachtigde] dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu dit hof andere eisen aan de machtiging stelt dan andere hoven in Nederland, kan hem noch belanghebbende baten. Daargelaten dat [gemachtigde] deze stelling niet heeft onderbouwd kan het hof op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb, mede gelet op het vorenstaande, een recente machtiging verlangen van [gemachtigde] . 13. [gemachtigde] heeft in onderhavige procedure niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn een schriftelijke machtiging overgelegd die maximaal een half jaar oud is. Van een verschoonbare reden is evenmin gebleken. [gemachtigde] heeft binnen de door het hof gestelde termijn slechts verwezen naar het dossier. Ook de verzoeken van [gemachtigde] om uitstel voor het indienen van een machtiging zijn door het hof na afloop van de gestelde termijn ontvangen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat het beroep in eerste aanleg eveneens niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het [gemachtigde] duidelijk moet zijn geweest dat een dergelijke machtiging hoe dan ook een vereiste is die de rechtbank en hof stellen aan de ontvankelijkheid van een (hoger) beroep. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb moet worden aangemerkt en [gemachtigde] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Tussenconclusie 14. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wordt niet toegekomen. Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding 15. [gemachtigde] heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding.