Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:1361
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/1615 en 24/1616 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Duitsland), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 september 2024, nummers BRE 23/9250 en 23/9251, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2020 en 2021 opgelegd. Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ten aanzien van het jaar 2021 gegrond verklaard op het punt van de vergoeding van de kosten van bezwaar en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Beide partijen hebben een nader stuk ingediend dat is verzonden naar de andere partij. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op 4 november 1954 en woonde in 2020 en 2021 in Duitsland. 2.2. Belanghebbende was werkzaam als priester en heeft in de onderhavige jaren inkomen uit Nederland ontvangen, bestaande uit inkomsten uit dienstbetrekking van Bisdom [plaats] , een arbeidsongeschiktheidspensioen van Instelling Pensioenfonds van de Nederlandse Bisdommen (PNB) en vanaf 2021 een ouderdomspensioen van het PNB en een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 2.3. Op 13 april 2021 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 (de aangifte 2020) gedaan. Hij was in 2020 het hele jaar premieplichtig in Nederland. De inspecteur heeft de primitieve aanslag IB/PVV 2020 op 25 juni 2021 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld: Bisdom [plaats] € 10.938 PNB (arbeidsongeschiktheidspensioen) € 28.347 Elders belast € 28.347 -/- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 10.938 2.4. Op 19 juni 2022 heeft belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 (de aangifte 2021) gedaan. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en hij heeft vanaf dat moment recht op een AOW-uitkering van de SVB en een ouderdomspensioen van het PNB. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld: Bisdom [plaats] € 2.078 PNB (ouderdomspensioen) € 24.240 PNB (arbeidsongeschiktheidspensioen) € 4.727 SVB € 12.990 Elders belast € 41.958 -/- Belastbaar inkomen uit werk en woning € 2.078 2.5. De inspecteur heeft de primitieve aanslag IB/PVV 2021 op 16 augustus 2022 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. De aanslag vermeldt verder: “Op 4 maart 2021 bereikt u de AOW-leeftijd. Vanaf de eerste van die maand bent u niet meer premieplichtig voor de AOW. Uw premie-inkomen bedraagt € 44.036. Het maximum premie-inkomen is € 35.129. Daarom geldt dit laatste bedrag. Het premiepercentage bedraagt daarom 12,730% in plaats van 27,650%.” 2.6. Op 25 oktober 2022 heeft er een gesprek plaatsgevo De rechtbank heeft de kosten van bezwaar vastgesteld op € 1.248 en het beroep in zoverre gegrond verklaard en voorts bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld in de kosten van het beroep van € 437,50. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Zijn de pensioenuitkeringen (arbeidsongeschiktheidspensioen respectievelijk ouderdomspensioen) terecht in Nederland belast? 2. Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? 3. Heeft de rechtbank een te lage wegingsfactor toegepast bij het bepalen van de vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de navorderingsaanslagen en een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. Belastingheffing over de pensioenuitkeringen 4.1. Partijen zijn allebei van mening dat Nederland bevoegd is tot heffing over de pensioenuitkeringen op grond van artikel 17 van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland (hierna: het Verdrag). Het hof volgt dit standpunt, aangezien dit niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Belanghebbende is echter van mening dat Nederland deze heffing niet mag effectueren, omdat het bekend is met het feit dat Duitsland een andere kwalificatie aan deze inkomsten geeft, met als gevolg dat Duitsland evenzeer belasting heft over deze uitkeringen zonder een verrekening toe te passen van de Nederlandse heffing. 4.2. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. Het Verdrag beoogt weliswaar dubbele belastingheffing te voorkomen, maar het verplicht de inspecteur niet – in het geval Nederland op grond van het Verdrag heffingsrecht heeft – van dat recht af te zien, omdat Duitsland een andere kwalificatie aan deze inkomsten geeft dan Nederland. In een dergelijk geval biedt artikel 25 van het Verdrag de mogelijkheid van een onderlinge overlegprocedure. Belanghebbende dient zich daarvoor te wenden tot de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat waar hij inwoner van is, in casu Duitsland. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende zich moet wenden tot het Ministerie van Financiën, heeft hij gelijk. Tot een andere uitkomst van het geschil leidt dit echter niet. 4.3. Anders dan belanghebbende meent, verplicht het Verdrag de inspecteur ook niet om actief het Duitse Finanzambt te informeren over de belastingheffing in Nederland. Ook artikel 22 van het Verdrag verplicht daartoe niet. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om de heffing in Duitsland ter discussie te stellen – eventueel onder overlegging van de navorderingsaanslagen die de inspecteur heeft opgelegd – en zo nodig bij de Duitse autoriteiten te verzoeken een onderlinge overlegprocedure te starten. 4.4. Voor zover belanghebbende – onder verwijzing naar het arrest Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:860 – beoogt te stellen dat de inspecteur rekening moet houden met de in Duitsland geheven belasting, door aftrek toe te staan op de in aanmerking genomen inkomsten, faalt deze stelling eveneens. Noch het verdrag, noch enige nationale regeling verplicht de inspecteur dit te doen. De verwijzing van belanghebbende naar artikel 22, lid 1, van het Verdrag miskent dat deze bepaling betrekking heeft op de voorkoming van dubbele belasting die Duitsland verleent. 2. Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur 4.5. Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en verwijst daarvoor naar publicaties van de Rijksoverheid en van de Belastingdienst. Deze klacht faalt eveneens. In de publicatie van de Rijksoverheid wordt juist expliciet aangegeven dat er internationale bela