Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:1353
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/988, 24/989 en 24/990 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2024, nummers BRE 22/4042, 22/4043 en 22/4450, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van een: Ford Mustang met kenteken [kenteken 1] (zaak 24/988, hierna: auto 1); Chevrolet Camaro met kenteken [kenteken 2] (zaak 24/989, hierna: auto 2); en Ford Mustang met kenteken [kenteken 3] (zaak 24/990, hierna: auto 3). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten Auto 1 2.1. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Ford Mustang V6 Coupé met VIN-nummer [nummer 1] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 4.269. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] B.V. van 9 oktober 2021. De taxateur heeft een koerslijst van X-Ray als uitgangspunt genomen, waarin een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van een Ford Mustang Fastback 5.0 GT van € 17.278 staat vermeld. Op deze koerslijstwaarde heeft de taxateur een bedrag van € 8.389 wegens schade in mindering gebracht. De daaruit volgende handelsinkoopwaarde van auto 1 is € 8.889. De zogeheten datum eerste toelating is 1 december 2016. In het taxatierapport is een kilometerstand opgenomen van 80.358. 2.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De hertaxateur heeft geen koerslijst als uitgangspunt genomen, maar heeft verkoopadvertenties van auto’s van het type Ford Mustang 2.3 als uitgangspunt genomen, waarbij de taxateur de gemiddeld geadverteerde vraagprijzen heeft verminderd met een gestelde verkoopmarge van 25%. De hertaxateur heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Aldus is de handelsinkoopwaarde van auto 1 door DRZ getaxeerd op € 24.238. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 14.523. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 10.259. De inspecteur heeft hierbij de forfaitaire afschrijvingstabel gehanteerd. Auto 2 2.3. Belanghebbende heeft op 16 december 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Chevrolet Camaro SS met VIN-nummer [nummer 2] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 4.762. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] B.V. van 16 december 2021. De taxateur he Daarnaast heeft de inspecteur het hof verzocht om, met toepassing van artikel 8:45 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), belanghebbende te verplichten om bepaalde documenten te overleggen. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Koerslijst X-Ray (auto’s 1 en 2) 4.1. Belanghebbende stelt dat, omdat auto 1 en 2 niet voorkomen in de koerslijsten, gebruik mag worden gemaakt van de taxatiemethode en dat de inkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijstwaarde van een vergelijkbaar voertuig. Voor beide auto’s heeft belanghebbendes taxateur de inkoopwaarde vastgesteld aan de hand van de koerslijst van X-Ray, waarin voor auto 1 is gekozen voor een Ford Mustang Fastback 5.0 GT en voor auto 2 een Cadillac CTS. Dit zijn volgens de taxateur respectievelijk de meest vergelijkbare auto’s. Als gevolg hiervan dient de inkoopwaarde in onbeschadigde staat voor auto 1 te worden vastgesteld op € 17.278 en voor auto 2 op € 26.213, aldus belanghebbende. 4.2. De inspecteur stelt dat in dit geval ten behoeve van de waardebepaling gebruik gemaakt kan worden van referentievoertuigen, zoals is gedaan bij de hertaxatie door DRZ. Voor zover er al gebruik gemaakt kan worden van koerslijsten, stelt de inspecteur dat de koerslijst van X-Ray in dit geval onbruikbaar is, omdat er geen (Nederlandse) handelstransacties hebben plaatsgevonden die zijn meegenomen in deze koerslijst en omdat de uit de koerslijst gekozen auto’s op relevante punten niet vergelijkbaar zijn met onderhavige auto’s. 4.3. Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. 4.4. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. 4.5. Het hof is van oordeel dat de voertuigen uit de door belanghebbende aangeleverde koerslijst - gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur - onvoldoende vergelijkbaar zijn met auto 1 respectievelijk auto 2. Voor auto 1 neemt het hof daarbij in aanmerking dat de cilinderinhoud van de motor van deze auto aanzienlijk verschilt van de cilinderinhoud van de referentieauto. Voor auto 2 neemt het hof in aanmerking dat deze auto voor wat betr Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot van auto 2 bepaald dient te worden aan de hand van de zogeheten Scandinavische rekenmethode, de inspecteur bestrijdt dit. De inspecteur heeft, met toepassing van de CO2-uitstoot die in het kentekenregister geregistreerd staat, de uitstoot bepaald op 313 gr/km. Belanghebbende stelt dat de uitstoot, met toepassing van de Scandinavische rekenmethode, vastgesteld moet worden op 294 gr/km, omdat de auto geen typegoedkeuring heeft. 4.13. De Hoge Raad heeft in een arrest van 3 april 2020 geoordeeld dat wanneer een in het buitenland bevoegde instantie (in dat geval de in Duitsland bevoegde TÜV) de auto heeft gekeurd en op basis daarvan de CO2-uitstoot van de auto heeft bepaald, aangenomen moet worden dat het gaat om een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, lid 2, letter d, Uitvoeringsregeling BPM. Het hof sluit niet uit dat er omstandigheden kunnen zijn als gevolg waarvan moet worden geconcludeerd dat ondanks die vermelding, de vaststelling van de CO2-uitstoot op onjuiste wijze door de in het buitenland bevoegde instantie heeft plaatsgevonden. De bewijslast daarvan rust op degene die dit stelt. 4.14. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de CO2-uitstoot van auto’s die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie per definitie volgens de Scandinavische methode moet worden vastgesteld. In Verordening 2018/858 , en dan specifiek artikel 44 van deze verordening zijn de regels omtrent de individuele EU-goedkeuring van voertuigen neergelegd. In onderdeel 4 (geheten: “Technische voorschriften”) van Aanhangsel 2, behorende bij deze verordening, worden regels gesteld omtrent testen die gaan over CO2-emissies en brandstofverbruik. Hierin is bepaald dat de CO2-emissie wordt bepaald met behulp van een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008. Die test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan een van de in bijlage I, punt 2, bij die Verordening genoemde California Code Regulations. In dat geval berekenen de lidstaten de CO2-emissie met behulp van de formules in de punten (b) en (c) van de toelichting, die bekend staan als de Scandinavische methode. 4.15. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto voldoet aan de California Code Regulations. Belanghebbende heeft in dit kader nog verwezen naar een sticker van de fabrikant General Motors aan de binnenkant van de linker-voordeur van de auto. Op deze sticker lijkt echter, voor zover de sticker al leesbaar is op de foto, een Arabische tekst te staan, wat eerder een contra-indicatie oplevert dat de auto voldoet aan de California Code Regulations dan dat het dit standpunt onderbouwt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de CO2-uitstoot door de in Duitsland bevoegde instantie is vastgesteld aan de hand van een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008. Het beroep van belanghebbende op artikel 110 VWEU wordt door het hof verworpen, aangezien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat Verordening 2018/858 in strijd is met primair EU-recht. Ook van een andere schending van het EU-recht is het hof niet gebleken. 4.16. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voor auto 2 uitgegaan moet worden van een CO2-uitstoot van 313 gr/km en dat de bruto-BPM op het juiste bedrag is vastgesteld. Immateriëleschadevergoeding – samenhangende zaken 4.17. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. In dit verband verdient opmerking dat voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden, de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen als één fase hebben te gelden. Ook indien zaken die zien op voorwerpen