Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-06
ECLI:NL:GHSHE:2026:13
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.334.164/01 arrest van 6 januari 2026 in de zaak van Dexia Nederland B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als: Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als: de afnemer, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 september 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 9627169 EL 22-2 gewezen vonnis van 27 juli 2023. 6 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 30 september 2025; de memorie van antwoord in incidenteel appel. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 7 De verdere beoordeling 7.1. In genoemd tussenarrest heeft het hof de grieven in het principaal appel van Dexia tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter behandeld. Het hof heeft in dat tussenarrest ook overwogen dat de afnemer een incidentele grief heeft opgeworpen, waarop Dexia nog niet heeft gereageerd. Omwille van de leesbaarheid citeert het hof hier de relevante overwegingen van het tussenarrest. 4.36. De afnemer heeft onder randnummer 7 van de memorie van antwoord een incidentele grief opgeworpen ten aanzien de (vaststelling van de) hoogte van het fiscale voordeel. De afnemer heeft daarbij verwezen naar hetgeen hij in de conclusie van repliek in conventie onder randnummers 74-77 heeft aangevoerd. Dat betreft het volgende. “Aangezien het er dan om gaat in welke schaal het inkomen viel, wil [geïntimeerde] er op wijzen dat hij in tariefgroep 3 viel (en er dus sprake is van een grotere belastingvrije som (ad, NLG 17.179,-) dan waarvan Dexia uitgaat gezien het door haar als productie 4 bij haar CvA overgelegde document), en dat zijn bruto inkomen NLG 38.322,- bedroeg zodat het ging om een aftrekbare rente die in de eerste en/of tweede schijf zou vallen, die van 37,05% (Ter onderbouwing van het vorenstaande legt [geïntimeerde] productie K.1 over). De inschatting van Dexia t.a.v. het fiscale voordeel is derhalve onjuist. [geïntimeerde] betwist derhalve dat hij € 5.074,79 aan fiscaal voordeel genoten heeft. Bij de berekening van het fiscaal voordeel komt [geïntimeerde] uit op een fiscaal voordeel van (€ 3.236,60 x 37,05% =) € 1.199,16 in het jaar 1999 en van (€ 4.721 x 37,95% =) € 1.791,62 in het jaar 2000. Het totaal genoten fiscale voordeel bedraagt derhalve een bedrag van € 2.990,78 aan aftrekbare rente. Vermeerderd met het bedrag aan ingehouden dividend belasting (te weten € 1.095,99) bedraagt het totale bedrag aan fiscaal voordeel € 4.086,77.” 4.37. Dexia heeft hier nog niet op gereageerd. Het hof overweegt het door de afnemer mede aan de hand van biljetten van een proces gemotiveerde fiscale voordeel voorshands juist te achten. De berekening van de afnemer is overeenkomstig vaste jurisprudentie van het hof op dit punt. 4.38. Nu Dexia nog niet op de incidentele grief van de afnemer heeft geantwoord zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Dexia, zodat Dexia desgewenst nog kan reageren op de grief van de afnemer over het fiscale voordeel. 7.2. Dexia heeft in de na voormeld tussenarrest genomen memorie van antwoord in incidenteel appel aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geconstateerd dat de afnemer door middel van een incidentele grief incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Voor zover het hof de grief van de afnemer wel inhoudelijk behandelt, voert Dexia aan dat zij het door haar gestelde en gemotiveerd aangetoonde op dit punt, zoals uiteengezet bij conclusie van dupliek (in conventie) handhaaft. Het fiscale voordeel dat de afnemer heeft genoten en dat bij de vasts Voor het bepalen van de hoogte van de aftrekposten, in dit geval de aftrekbare rente, is dat belastingpercentage van belang. Dit percentage blijkt uit het reeds door Dexia overgelegde overzicht van de belastingtarieven 1997-2000 (productie 4 bij CvA). Pas wanneer de aftrekposten in mindering zijn gebracht op het bruto jaarinkomen van [geïntimeerde] , zal rekening worden gehouden met vrijstellingen en dergelijke. Zo ook met tariefgroep 2, waar [geïntimeerde] naar refereert. Zoals uit bovenstaande blijkt, wordt bij het vaststellen van de hoogte van de aftrekbare rente niet toegekomen aan door [geïntimeerde] genoten vrijstellingen. Het belastbaar inkomen is in tegenstelling tot hetgeen [geïntimeerde] stelt dan ook niet van belang. Dit kan immers ook lager uitvallen door andersoortige aftrekposten, zoals hypotheekrenteaftrek. Aan de stellingen van [geïntimeerde] dient dan ook voorbij te worden gegaan.” 7.6. Het hof onderschrijft het standpunt van Dexia, samengevat inhoudende dat voor het bepalen van de hoogte van het fiscaal voordeel het bruto jaarinkomen als uitgangspunt moet worden genomen niet. Het hof heeft over de wijze waarop de hoogte van het fiscaal voordeel dient te worden bepaald in zijn arrest van 16 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1327) het volgende overwogen. "Om te bepalen wat het genoten fiscaal voordeel als gevolg van de renteaftrek in verband met de effectenleaseovereenkomst is, dient dan in gevallen waarin de Wet IB 1964 van toepassing is (tot 1 januari 2001) de volgende rekensom te worden gemaakt. Het bruto inkomen dient te worden verminderd met de zonder de effectenleaseovereenkomst reeds bestaande aftrekposten. Dat resulteert in het belastbaar inkomen. Het ‘stipinkomen’ is het belastbaar inkomen minus het inkomen voor toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve en voor verrekening van verliezen (gerechtshof Amsterdam 01-03-1991, ECLI:NL:GHAMS:1991:BH0037). Het ‘stipinkomen’ is dan ook uitsluitend gelijk aan het belastbaar inkomen indien geen sprake is van fiscale oudedagsreserve en verrekening van verliezen. Het belastbaar inkomen dient vervolgens te worden verminderd met de toepasselijke belastingvrije som die wordt bepaald door de toepasselijke tariefgroep. Tot slot dient de post ‘aftrekbare rente in verband met de effectenleaseovereenkomst’ bij de uitkomst daarvan te worden opgeteld. Zo is vast te stellen welk belastingtarief (of tarieven indien een tariefgrens gedeeltelijk wordt overschreden) op de uitkomst van deze rekensom van toepassing is en wat het fiscaal voordeel is." 7.7. Hieruit volgt dat op basis van het belastbaar inkomen de hoogte van het fiscaal voordeel kan worden bepaald. De afnemer heeft de hoogte van zijn belastbaar inkomen met de door Dexia genoemde producties onderbouwd. De afnemer heeft vervolgens, zo overwoog het hof in het tussenarrest, de hoogte van het fiscaal voordeel overeenkomstig de in het arrest van 16 april 2024 beschreven methodiek bepaald. Dexia heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel geen feiten of omstandigheden aangevoerd die grond bieden de berekeningen van de afnemer onjuist te achten. De slotsom is dat de incidentele grief van de afnemer slaagt. 7.8. Uit voorgaande overwegingen en de overwegingen uit het tussenarrest volgt dat de grieven van Dexia in principaal hoger beroep falen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden en dat de grief van de afnemer in incidenteel hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover daarbij in overweging 5.2. de hoogte van het fiscaal voordeel niet concreet is bepaald. In zoverre zal het hof deze beslissing aanvullen en opnieuw recht doen. Het bestreden vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen. 7.9. Dexia is aan te merken als de in het principaal en incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg (in conventie) terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen g