Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:1281
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/945 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , uit [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2024, nummer BRE 23/1302, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en [inspecteur 2] verschenen. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] laten weten dat zij niet zullen verschijnen. 1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van de inspecteur geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op grond van de Ziektewet uitkeringen ontvangen van het UWV gedurende de periode van 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021. 2.2. Op 13 januari 2020 heeft hij de eerste betaling op grond van de Ziektewet ontvangen voor een bedrag van € 22.339,88 (hierna: de eerste betaling). Volgens de betalingsspecificatie zag deze betaling op de (ziekte)periode van 18 januari 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf 2020 van het UWV heeft belanghebbende in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ziektewetuitkeringen ontvangen. 2.3. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 42.867, bestaande uit de ziektewetuitkeringen van € 44.691 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 1.824. 2.4. De aanslag is vastgesteld met dagtekening 24 december 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld conform de ingediende aangifte. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bedrag van de eerste betaling terecht in de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 2020 is betrokken. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een verzamelinkomen van € 20.527, tot vermindering van de beschikking belastingrente conform de verlaging van de aanslag, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen. Periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling kwalificeren als aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en behoren tot het belastbare inkomen. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. 4.2. Belanghebbende heeft de ziektewetuitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet. De ziektewetuitkeringen zijn daarom aangewezen periodieke uit