Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:1278
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/834 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 maart 2025, nummer BRE 24/2629, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. 2.2. Van 18 oktober 2005 tot 2 juni 2022 heeft belanghebbende in loondienst gewerkt voor [bedrijf groep] , waarbij achtereenvolgens als werkgever optraden [bedrijf 1] (van 18 oktober 2005 tot 2 augustus 2013), [bedrijf 2] Luxembourg branch (van 2 augustus 2013 tot 30 september 2018) en [bedrijf 3] (van 1 oktober 2018 tot 2 juni 2022). 2.3. Gedurende de twee laatstgenoemde dienstverbanden waren [bedrijf 2] , Luxembourg branch, respectievelijk [bedrijf 3] inhoudingsplichtige voor de Nederlandse loonbelasting. 2.4. Tot 1 september 2017 was belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader nam hij verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling bij Caisse nationale d'assurance pension (hierna: CNAP). De werkgever betaalde de ene helft van de premies, de andere helft van de premies kwam voor rekening van belanghebbende als werknemer. 2.5. Vanaf 1 september 2017 is belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Nederland en daarom vanaf die datum premieplichtig in Nederland. Op 31 augustus 2017 eindigde derhalve de verplichte sociale verzekering in Luxemburg en daarmee ook de onder 2.4 genoemde inhouding van de werkgever- en werknemersbijdragen op het loon van belanghebbende. [bedrijf 2] , Luxembourg branch heeft belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om in Luxemburg pensioenpremies te blijven voldoen en schrijft daarover het volgende: “It came to our knowledge that there is a possibility for you to continue paying pension funds in Luxembourg, even though you have been disaffiliated as per August the 31st, 2017. The system is based on a voluntary application which all of you can make, if you are interested in continuing to contribute for pension funds in Luxembourg and it can be done retrospectively to September the 1st, 2017. (…) the company has decided to participate in contributing pension funds in Luxembourg, for those who wish to apply for it. The maximum proportion of the cost which the company can offer is 8% of your total gross salary, such as we've contributed for you during your affiliation in Luxembourg the years before. (…) Please note that this application is an exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution; the invoice has to be entirely paid by the employee and only if the employee provides a copy of the invoice, the company will be able to reimburse the corresponding part of the cost (which can only be maximum half of the amount - 8% of your total gross salary). As mentioned here above, De vergoeding die belanghebbende van zijn werkgever ontving, betreft een geldelijke vergoeding voortkomend uit dienstverband die belanghebbende heeft aangewend voor een vrijwillige voortzetting van de voormalige CNAP-regeling bij het CCSS in Luxemburg. Omdat die vergoeding door de werkgever aan belanghebbende in geld is uitgekeerd en door belanghebbende zelf en vrijwillig is aangewend om betalingen aan een door hem in privé overeengekomen verzekering te voldoen, is geen sprake van ‘inhouding’ van pensioenpremies door de werkgever, of van een ‘aanspraak’ ingevolge een pensioenregeling.1 Dat betekent dat belanghebbende in dat kader van zijn werkgever geen van de loonbelasting vrijgesteld loon heeft ontvangen. De inspecteur heeft het belastbaar loon van belanghebbende daarom niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB/PVV 2020 betrokken. Onder vermelding van voetnoot 1: Zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c en j, van de Wet op de Loonbelasting 1964. In afwijking van de hoofdregel van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in combinatie met artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet op de Loonbelasting 1964.” Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne. 4.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het voor zijn rekening gebleven deel van de aan CCSS betaalde premies als negatief loon in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning. 4.4. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van negatief loon. Het is belanghebbende die in privé de verzekering heeft afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een “exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution” (zie 2.5). Anders dan voorheen bij CNAP, is belanghebbendes werkgever geen partij bij de door belanghebbende met CCSS afgesloten verzekeringsovereenkomst. Belanghebbende heeft zichzelf op vrijwillige basis verbonden aan de deelname aan de pensioenverzekering bij CCSS. De aanspraak op uitkeringen die hij daarmee verkrijgt is geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), in verband waarmee de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Derhalve houdt de premie die belanghebbende aan de pensioenverzekering heeft betaald onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. 4.5. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een willekeurig gekozen verzekering, maar dat een en ander in het verlengde ligt van de voor 1 september 2017 verplichte sociale verzekering via CNAP in Luxemburg (zie onder 4.1 hiervoor), maakt het voorgaande, wat er ook van deze stelling zij, niet anders. 4.6. Belanghebbende stelt verder nog dat de werkgever en werknemer pensioen zijn overeengekomen. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld te stellen dat de werkgever een pensioentoezegging heeft gedaan aan belanghebbende, is die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken valt niet op te maken dat de werkgever aan belanghebbende een pensioentoezegging heeft gedaan (namelijk dat sprake is van pensioenopbouw via de werkgever), maar juist dat de werkgever een vergoeding betaalt voor de door belanghebbende zelf in privé afgesloten pensioenverzekering bij CCSS. Een vergoeding betalen is iets anders dan een pensioentoezegging doen. 4.7. De verwijzing van belanghebbende naar het vraag-en-antwoordbesluit, gepubliceerd op 11 december 2019 met de titel “V&A 19-010 Behandeling van door werknemers betaalde pensioenpremie aan een beroepspensioenfonds in de aangifte inkomstenbelasting”, wordt door het hof verworpen. Dit besluit ziet namelijk op werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling van een beroepspensioenfonds en zelf de pensioenpremie aan dat fonds betalen. De situatie van belanghebbende valt niet onder de reikwijdte van dit besluit, alleen al omdat de pensioenregeling van belanghebbende