Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:1277
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/320 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en het incidentele hoger beroep van [belanghebbende] B.V. (voorheen: [SA 1] ), gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 23/1332, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en haar gemachtigde [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld door [naam 4] en [naam 3] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 4] en [inspecteur 3] . 1.7. Beide partijen hebben tijdens de zitting pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van vier bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten Structuur 2.1. Belanghebbende is op 20 oktober 1998 is in het kader van een herstructurering van de [A-groep] naar Luxemburgs recht opgericht onder de naam [SA 1] en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 gevestigd in Luxemburg. In 2014 werden de aandelen in belanghebbende gehouden door [SPF 1] , gevestigd in Luxemburg en werden de aandelen in [SPF 1] gehouden door [naam aandeelhouder] (hierna: ook de UBO ), woonachtig in België. In 2014 was het Luxemburgse SPF-regime van toepassing op [SPF 1] , waardoor zij niet onderworpen was aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Het Luxemburgse SPF-regime vereist dat door het betrokken lichaam geen enkele economische activiteit wordt uitgeoefend. Voordat het SPF-regime op [SPF 1] van toepassing werd was het Luxemburgse 1929-regime van toepassing. Hierdoor was [SPF 1] vrijgesteld van vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting. 2.2. Belanghebbende hield in 2014 alle aandelen in (onder meer) [B.V. 1] en [B.V. 2] , beide gevestigd in Nederland. [B.V. 1] is op 28 april 1998 opgericht en [B.V. 2] is op 20 december 2013 opgericht. [naam aandeelhouder] is bestuurder van deze vennootschappen. De [A-groep] houdt zich met name bezig met leegstands- en vastgoedbeheer en is actief (geweest) in 7 landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg. 2.3. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven: 2.4. Op 31 december 2013 heeft [B.V. 2] drie vennootschappen van belanghebbende gekocht. De totale koopsom bedroeg € 22.246.000 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven. 2.5. Op 2 januari 2014 heeft [B.V. 1] een aantal deelnemingen verkocht aan [B.V. 2] De totale koopsom b De dividenduitkering van € 19.000.000 is in deze vermogensvergelijking opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’ waar een bedrag staat vermeld van € 18.943.192. 2.22. Op 27 juli 2017 heeft de inspecteur van gemachtigde een verzoek om vooroverleg inzake de remigratie van de UBO ontvangen. 2.23. Bij brief van 25 januari 2018 heeft de inspecteur [B.V. 2] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afhandeling van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 van [B.V. 2] Daarop is op 28 maart 2018 gereageerd. Daaropvolgend zijn nog een aantal informatieverzoeken aan [B.V. 2] gestuurd. 2.24. Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft de inspecteur met betrekking tot de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [B.V. 1] informatie verzocht over de dividenduitkering van € 19.000.000. [B.V. 1] heeft vervolgens informatie aan de inspecteur verstrekt. 2.25. De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2019 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd en daarin zijn voornemen kenbaar gemaakt om de belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting te gaan onderzoeken. E-mailcorrespondentie augustus 2016 2.26. Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mailcorrespondentie uit augustus 2016 tussen [naam 5] (finance controller van [B.V. 1] ), [naam 6] en [naam 7] (twee trustbestuurders van belanghebbende) en [naam 8] (CFO van zowel [B.V. 1] en [B.V. 2] ). Een e-mail van 2 augustus 2016 van [naam 5] gericht aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] : “[…] Today [SA 1] will receice a payment from [B] of € 1.373.715 euro (ref Bridge loan) tot [SA 1] Could you please make a payment from [SA 1] to [B.V. 1] reference Bridge loan ( [bank] account […] of € 1.370.000. Please arrange an urgent payment. @ [naam 8] , Please approve the payment above. (…)” Waarop [naam 8] aan allen reageert: “(..) I advice you to carry out payments as set out below by [naam 5] .” Transacties en activiteiten na dividenduitkering 2.27. [naam aandeelhouder] heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland. 2.28. [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap. 2.29. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer. Aanslagregeling 2.30. Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende is daartoe ook niet uitgenodigd. Er is geen definitieve aanslag opgelegd aan belanghebbende. 2.31. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de dividenduitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). De navorderingsaanslag is gedagtekend 30 november 2019. 2.32. De navorderingsaanslag is vastgesteld naar een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) van € 19.000.000 en een verschuldigde belasting van € 475.000. Tevens is bij beschikking € 171.277 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 2.33. De rechtbank heeft geoordeeld dat inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslag kan worden opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Verder heeft de rechtbank de navorderingaanslag en de rentebeschikking vernietigd omdat zij van oordeel is dat de dividenduitkering niet bij belanghebbende belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft he In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10 4.4.3 Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11 Aanwijzingen voor misbruik van Unierecht 4.4.4 De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12 Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld. 4.4.5 Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen). Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13 4.4.6 Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14 Bestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet 4.5.1 Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als 4.6.4 Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20 4.6.5 Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd. 4.6.6 Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21 Onder vermelding van de volgende voetnoten: 9. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak. 10. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak. 11. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punt 100. 12. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punt 114. 13. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punten 101,103 en 104. 14. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punten 104 en 105. 15. Vgl. Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU (https://www.inview.nl/openCitation/id29cea53a04404bd28dfb282cebef5422) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, PbEU 2015, L 21/1, preambule onder 5. 16. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6) , punten 117 en 118. 17. Vgl. HvJ 20 december 2017, Deiste Indien de inspecteur in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn. De subjectieve voorwaarde 4.7. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat als belanghebbende en [SPF 1] uit de structuur worden weggedacht, Nederland 15% dividend- en/of inkomstenbelasting had kunnen heffen over de dividenduitkering. 4.8. Belanghebbende erkent dat op basis van alleen de wegdenkgedachte in principe wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Belanghebbende stelt echter dat zij ook de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren en stelt zich op het standpunt dat op basis van het door haar geleverde tegenbewijs niet aan de subjectieve voorwaarde wordt voldaan. 4.9. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien [B.V. 1] de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan [naam aandeelhouder] zou de dividenduitkering zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% inkomstenbelasting , terwijl met belanghebbende in de structuur er geen Nederlandse belastingheffing is over de dividenduitkering. De stelling van belanghebbende dat zij de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat niet aan de subjectieve voorwaarde is voldaan, is gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader juist. Het hof zal hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd behandelen onder het kopje ‘tegenbewijs’. De ondernemingstoets 4.10. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de ondernemingstoets voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als dat het geval is, is niet aan de ondernemingstoets voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft. Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. Indien zich geen van deze situaties voordoet, vormt dit een aanwijzing voor misbruik van recht. 4.11. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de ondernemingstoets wordt voldaan omdat (i) belanghebbende geen onderneming drijft, (ii) belanghebbende niet beschikt(e) over (relevante) substance), (iii) belanghebbende zich niet heeft bemoeid met het beleid en activiteiten van haar dochtervennootschappen, (iv) de ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] niet in het verlengde liggen van belanghebbende, (v) belanghebbende geen wezenlijke functie vervult (c.q. vervulde) ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep; en (vi) belanghebbende geen ro De inspecteur wijst er in dit verband op dat de leningen die belanghebbende op 1 januari 2013 heeft verstrekt aan haar dochtervennootschappen hetzelfde rentepercentage hebben (3%), terwijl aan zes verschillende binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen een lening is verstrekt waarbij de hoofdsom varieert van € 500.000 tot 7,5 miljoen euro. 4.16. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen tophoudster is of een tussenhoudster met een wezenlijke functie binnen de groep. De enkele omstandigheid dat belanghebbende al sinds 1998 geldleningen aan gelieerde maatschappijen verstrekt en zij daarmee economisch risico loopt is in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep en zij daarom als tussenhoudster een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep. Tussenconclusie misbruik van Unierecht 4.17. Gelet op de oordelen in 4.9 en 4.16. heeft de inspecteur aan zijn initiële bewijslast voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste. Tegenbewijs 4.18. Aangezien de inspecteur in zijn initiële bewijslast is geslaagd, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn. 4.19. Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hierbij overweegt het hof het volgende. 4.19.1 Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan de transacties die in 2014 hebben plaatsgevonden zakelijk overwegingen ten grondslag lagen, namelijk verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] . Belanghebbende wijst daarbij op de agiostorting in [B.V. 2] . In de gestelde verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] ziet het hof echter geen reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. De agiostorting heeft geen direct verband met de dividenduitkering door [B.V. 1] , maar met de eerdere verkoop van drie deelnemingen door belanghebbende aan [B.V. 2] , getuige de exact corresponderende bedragen. De agiostorting biedt dus ook geen verklaring voor de tussenschakeling van belanghebbende ten opzichte van [B.V. 1] , waarvan het dividend is verkregen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de rechtshandelingen zoals beschreven in 2.5 tot en met 2.8 (waarbij de schuld van [B.V. 1] van € 19.000.000 als gevolg van de dividenduitkering aan belanghebbende uiteindelijk tenietgaat) evenmin aannemelijk maken dat een zakelijke reden bestond voor de tussenschakeling van belanghebbende. De vermogens- of liquiditeitspositie is immers voor geen van de betrokken partijen verbeterd als gevolg van deze rechtshandelingen en overige zakelijke redenen voor deze rechtshandelingen zijn gesteld noch gebleken. 4.19.2 Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het remigratietraject van de UBO en zijn minderjarige kinderen en de onbelaste terugbetalingen volledig los staan van de herstructurering die in 2014 heeft plaatsgevonden. Verder he Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in strijd is (i) met de moeder-dochterrichtlijn, (ii) de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU en (iii) de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-Luxemburg. 4.21. Het hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De nationale antimisbruikmaatregel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb is richtlijnconform toegepast. Verder is de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing in geval van misbruik; van strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn is dan ook geen sprake. Ook kunnen indien sprake is van misbruik van Unierecht de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen. Belanghebbende verwijst naar de non-discriminatiebepaling van artikel 24 in het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens belanghebbende zou zij door toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb, anders of zwaarder belast worden dan indien zij onderdaan van Nederland zou zijn. Ook deze stelling faalt. De non-discriminatiebepaling in het verdrag is gebaseerd op primair EU-recht (verbod op discriminatie naar nationaliteit). Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van misbruik van EU-recht kan naar het oordeel van het hof geen geslaagd beroep meer worden gedaan op een non-discriminatiebepaling in een belastingverdrag. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren. 4.22. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de inspecteur voorgestane vennootschapsbelastingheffing ten aanzien van de dividenduitkering van 2,5% op grond van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb leidt tot economische dubbele belasting die niet van toepassing was geweest in de situatie dat het een puur binnenlandse situatie had betroffen omdat belanghebbende en [SPF 1] alsdan de deelnemingsvrijstelling hadden kunnen toepassen. Volgens belanghebbende is deze economisch dubbele belasting in casu disproportioneel bezien vanuit de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking . 4.23. Het hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De vergelijking die belanghebbende maakt gaat naar het oordeel van het hof niet op. [SPF 1] is omdat zij een SPF is in Luxemburg vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vergelijking die dan gemaakt dient te worden is die van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam dat een dividend uitkeert aan in Nederland gevestigd van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam. Ter zake van dergelijke dividenduitkeringen is in de regel 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Het dividend wordt in casu daarom niet zwaarder belast dan het geval was geweest in een puur binnenlandse situatie. 4.24. Gelet op het voorgaande is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Dat betekent dat het hof toekomt aan de behandeling van het incidentele hoger beroep van belanghebbende. 2. Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt? 4.25. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de feiten waar de inspecteur zich op beroept reeds bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn als gevolg van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] In het controlerapport zijn immers correcties voorgesteld met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van (de fiscale eenheid) [B.V. 1] , het jaar waarin de dividenduitkering van [B.V. 1] aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. De dividenduitkering van € 19.000.000 blijkt volgens belanghebbende duidelijk uit de in het controlerapport opgenomen vermogensvergelijking van [B.V. 1] waar het is opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’. Over deze dividenduitkering zijn in het kader van het boekenonderzoek geen verdere vragen gesteld. Een verdere aanwijzing dat geen sprake is van een nieuw feit is volgens belanghebbende dat de inspecteur bekend was met de s Het nieuwe feit volgt uit de informatie die de inspecteur van belanghebbende heeft verkregen nadat de inspecteur op 16 januari 2019 belanghebbende heeft medegedeeld dat hij haar belastingplicht wil onderzoeken en belanghebbende om informatie heeft verzocht. 4.30. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld met het opleggen van de navorderingsaanslag en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013 . Het voortvarendheidsvereiste geldt echter alleen voor navorderingsaanslagen die met toepassing van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd. Dat is in deze zaak niet het geval. 4.30. Gelet op het voorgaande beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en is de inspecteur niet te laat geweest met navorderen. 3. Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel? 4.31. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De inspecteur kon de dividenduitkering afleiden uit de vermogensvergelijking bij het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [B.V. 1] . Doordat de inspecteur de dividenduitkering al tijdens het boekenonderzoek heeft kunnen detecteren, en daar verder geen vragen over heeft gesteld, moet dit als een impliciete standpuntbepaling worden gezien. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist. 4.32. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie. Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat in de post ‘niet aftrekbare bedragen’ in de vermogensvergelijking van de dochtermaatschappij het dividend van € 19.000.000 is begrepen en de inspecteur van de dochtermaatschappij daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, volgt niet dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb niet van toepassing is en de dividenduitkering niet belastbaar is. Tussenconclusie 4.33. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond. Ten aanzien van de proceskosten 4.34. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen. De griffier, De voorzitter, E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederland