Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-05-20
ECLI:NL:GHSHE:2026:1261
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
15,320 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 text/xml public 2026-05-21T00:02:05 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20 25/170 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:325, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 3 Wet op de dividendbelasting 1965 10 Algemene wet inzake rijksbelastingen 20 Rechtspraak.nl NLF 2026/0997 Viditax (FutD) 2026052011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 text/html public 2026-05-20T11:37:49 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-05-2026 / 25/170 Belanghebbende is een naar Canadees recht ingestelde trust die volgens haar trustakte voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers. In 2015 is door (gemachtigde van) belanghebbende verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over 2014. Dit verzoek is gehonoreerd. De inspecteur heeft naar aanleiding van nader onderzoek een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (nageheven dividendbelasting: € 209.720, belastingrente: € 43.380). Het hof is van oordeel dat inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd omdat belanghebbende in onderhavige jaren een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming dreef, de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en hij ook niet voldeed aan de zogenoemde werkzaamhedentoets van artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Daarom zou belanghebbende niet zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd en bestaat er geen recht op teruggaaf op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB 1965. Het Unierecht staat niet aan naheffing in de weg. Ook is er een wettelijke grondslag voor naheffing, namelijk artikel 20, lid 2, AWR. Gelet op deze oordelen is het hof niet toegekomen aan de behandeling van de vragen of belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/170 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2025, nummer BRE 24/1720, in het geding tussen de inspecteur en [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] , hierna: belanghebbende. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1888 tot en met 24/1194 en 24/1220 tot en met 24/1236. 1.7. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende (voorheen genaamd [belangheb.] ) is een naar Canadees recht door [Ltd 8] (hierna: [Ltd 8] ) ingestelde trust. Volgens een bestuursbesluit van [Ltd 8] van 1 maart 2013 is belanghebbende ingesteld om een pensioenregeling te treffen voor haar werknemers. 2.2. Belanghebbende is door de Canadese fiscale autoriteiten met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Conform de bepalingen van het Canadese recht is belanghebbende vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen in de periode waarin hij is aan te merken als een geregistreerd pensioenfonds. 2.3. Aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht neemt één deelnemer, te weten [persoon] , deel. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan om bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen. 2.4. Belanghebbende heeft op 1 september 2014 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 6] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [belangheb.] is aangeduid): “ (…) (…) (…) (…) (…) ” 2.5. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 6] . ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 6] . was in 2014 een dochtervennootschap van [C BV] en maakte onderdeel uit van de zogenoemde [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] . 2.6. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 93.759 en op 31 december 2015 CAD $ 135.145. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 39.374 dat in de winst- en verliesrekening over 2015 als volgt is gespecificeerd (bedragen in CAD $): 2.7. De balans van belanghebbende per ultimo 2015 is als volgt (bedragen in CAD $): 2.8. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https://www.inview.nl/openCitation/id1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard. 2.9. Belanghebbende hield in 2014 een rekening aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende hield op deze rekening uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de rekening bij [Ltd 5] van 12 november 2014 waaruit een sinds 4 november 2014 opgebouwde long positie in Duitse aandelen volgt van € 175.792.081,92. 2.10. Belanghebbende heeft op 11 november 2014 1.000.000 aandelen [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gekocht. De settlement date van de transactie is 13 november 2014. Op 12 november 2014 heeft belanghebbende 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] gekocht. De settlement date van die transactie is 14 november 2014. 2.11. Vervolgens heeft belanghebbende op 11 november 2014 respectievelijk 12 november 2014 futures die zien op 1.000.000 respectievelijk 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht. 2.12. De record date, de datum die bepalend is voor de uitkering van dividenden, van de aandelen [bedrijf 4] was op 14 november 2014. Voor de 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] ontving belanghebbende op 22 december 2014 € 885.301,56 dividend waarop € 132.796,23 dividendbelasting is ingehouden. 2.13.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 text/xml public 2026-05-21T00:02:05 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-20 25/170 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:325, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 3 Wet op de dividendbelasting 1965 10 Algemene wet inzake rijksbelastingen 20 Rechtspraak.nl NLF 2026/0997 Viditax (FutD) 2026052011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 text/html public 2026-05-20T11:37:49 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-05-2026 / 25/170 Belanghebbende is een naar Canadees recht ingestelde trust die volgens haar trustakte voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers. In 2015 is door (gemachtigde van) belanghebbende verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting over 2014. Dit verzoek is gehonoreerd. De inspecteur heeft naar aanleiding van nader onderzoek een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (nageheven dividendbelasting: € 209.720, belastingrente: € 43.380). Het hof is van oordeel dat inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd omdat belanghebbende in onderhavige jaren een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming dreef, de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en hij ook niet voldeed aan de zogenoemde werkzaamhedentoets van artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971. Daarom zou belanghebbende niet zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd en bestaat er geen recht op teruggaaf op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB 1965. Het Unierecht staat niet aan naheffing in de weg. Ook is er een wettelijke grondslag voor naheffing, namelijk artikel 20, lid 2, AWR. Gelet op deze oordelen is het hof niet toegekomen aan de behandeling van de vragen of belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 25/170 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2025, nummer BRE 24/1720, in het geding tussen de inspecteur en [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] , hierna: belanghebbende. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1888 tot en met 24/1194 en 24/1220 tot en met 24/1236. 1.7. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende (voorheen genaamd [belangheb.] ) is een naar Canadees recht door [Ltd 8] (hierna: [Ltd 8] ) ingestelde trust. Volgens een bestuursbesluit van [Ltd 8] van 1 maart 2013 is belanghebbende ingesteld om een pensioenregeling te treffen voor haar werknemers. 2.2. Belanghebbende is door de Canadese fiscale autoriteiten met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Conform de bepalingen van het Canadese recht is belanghebbende vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen in de periode waarin hij is aan te merken als een geregistreerd pensioenfonds. 2.3. Aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht neemt één deelnemer, te weten [persoon] , deel. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan om bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen. 2.4. Belanghebbende heeft op 1 september 2014 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 6] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [belangheb.] is aangeduid): “ (…) (…) (…) (…) (…) ” 2.5. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 6] . ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 6] . was in 2014 een dochtervennootschap van [C BV] en maakte onderdeel uit van de zogenoemde [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] . 2.6. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 93.759 en op 31 december 2015 CAD $ 135.145. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 39.374 dat in de winst- en verliesrekening over 2015 als volgt is gespecificeerd (bedragen in CAD $): 2.7. De balans van belanghebbende per ultimo 2015 is als volgt (bedragen in CAD $): 2.8. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https://www.inview.nl/openCitation/id1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard. 2.9. Belanghebbende hield in 2014 een rekening aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende hield op deze rekening uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de rekening bij [Ltd 5] van 12 november 2014 waaruit een sinds 4 november 2014 opgebouwde long positie in Duitse aandelen volgt van € 175.792.081,92. 2.10. Belanghebbende heeft op 11 november 2014 1.000.000 aandelen [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gekocht. De settlement date van de transactie is 13 november 2014. Op 12 november 2014 heeft belanghebbende 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] gekocht. De settlement date van die transactie is 14 november 2014. 2.11. Vervolgens heeft belanghebbende op 11 november 2014 respectievelijk 12 november 2014 futures die zien op 1.000.000 respectievelijk 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht. 2.12. De record date, de datum die bepalend is voor de uitkering van dividenden, van de aandelen [bedrijf 4] was op 14 november 2014. Voor de 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] ontving belanghebbende op 22 december 2014 € 885.301,56 dividend waarop € 132.796,23 dividendbelasting is ingehouden. 2.13.
Volledig
Op 9 december 2014 heeft belanghebbende 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht. 2.14. Belanghebbende heeft verder op 6 november 2014 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] gekocht. Op diezelfde datum is belanghebbende een price return swap overeengekomen ten aanzien van hetzelfde aantal aandelen [bedrijf 5] . 2.15. De record date van de aandelen [bedrijf 5] was op 7 november 2014. Voor de 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] ontving belanghebbende op 10 december 2014 een dividend van € 512.829 waarop € 76.924,35 dividendbelasting is ingehouden. 2.16. Belanghebbende heeft 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] op 9 december 2014 verkocht. Op diezelfde datum is de price return swap afgewikkeld. 2.17. Belanghebbende heeft op 12 oktober 2015 verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op de dividenden die hij op 22 december 2014 van [bedrijf 4] , respectievelijk op 10 december 2014 van [bedrijf 5] had ontvangen. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op 13 januari 2016 een teruggaaf dividendbelasting van € 209.720,58 verleend. 2.18. Vervolgens heeft de inspecteur, naar aanleiding van aan belanghebbende gestelde vragen, aanleiding gezien een naheffingsaanslag dividendbelasting voor het jaar 2014 op te leggen (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is opgelegd op 20 december 2021 en bestaat uit € 209.720,58 nageheven dividendbelasting, vermeerderd met € 43.380 belastingrente (hierna: de rentebeschikking). 2.19. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking heeft de inspecteur ongegrond verklaard. 2.20. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: - Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB)? Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit ( vraag 1 ). - Bij ontkennende beantwoording van vraag 1: staat het Unierecht aan naheffing in de weg ( vraag 2 )? - Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd ( vraag 3 )? - Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd ( vraag 4 )? Bij deze vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB (tekst 2014). - Bij ontkennende beantwoording van vraag 3 of 4: is er een wettelijke grondslag voor naheffing ( vraag 5 )? 3.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Vraag 1: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd? 4.1. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. Volgens belanghebbende verricht hij tezamen met [Ltd 6] . dividendarbitrage-activiteiten door middel van zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. De inspecteur is van mening dat belanghebbende dividendbelastingarbitrage-activiteiten verricht. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan. 4.2. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen. 4.3. Het hof stelt vast dat: (i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer; (ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren (2.4, 2.6 en 2.7); (iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.6); (iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.6 en 2.7); (v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever is verplicht bij te dragen aan het pensioen (2.3); (vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, het jaar van het verzoek om teruggaaf, CAD $ 5.400 was; (vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten; (viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden; (ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.6 en 2.17); (x) De samenwerkingspartner / asset manager van belanghebbende, [Ltd 9] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.8); (xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8); (xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https://www.inview.nl/openCitation/id1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) Besluit (2.8). 4.4. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit. 4.5.
Volledig
Op 9 december 2014 heeft belanghebbende 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht. 2.14. Belanghebbende heeft verder op 6 november 2014 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] gekocht. Op diezelfde datum is belanghebbende een price return swap overeengekomen ten aanzien van hetzelfde aantal aandelen [bedrijf 5] . 2.15. De record date van de aandelen [bedrijf 5] was op 7 november 2014. Voor de 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] ontving belanghebbende op 10 december 2014 een dividend van € 512.829 waarop € 76.924,35 dividendbelasting is ingehouden. 2.16. Belanghebbende heeft 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] op 9 december 2014 verkocht. Op diezelfde datum is de price return swap afgewikkeld. 2.17. Belanghebbende heeft op 12 oktober 2015 verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op de dividenden die hij op 22 december 2014 van [bedrijf 4] , respectievelijk op 10 december 2014 van [bedrijf 5] had ontvangen. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op 13 januari 2016 een teruggaaf dividendbelasting van € 209.720,58 verleend. 2.18. Vervolgens heeft de inspecteur, naar aanleiding van aan belanghebbende gestelde vragen, aanleiding gezien een naheffingsaanslag dividendbelasting voor het jaar 2014 op te leggen (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is opgelegd op 20 december 2021 en bestaat uit € 209.720,58 nageheven dividendbelasting, vermeerderd met € 43.380 belastingrente (hierna: de rentebeschikking). 2.19. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking heeft de inspecteur ongegrond verklaard. 2.20. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: - Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB)? Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit ( vraag 1 ). - Bij ontkennende beantwoording van vraag 1: staat het Unierecht aan naheffing in de weg ( vraag 2 )? - Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd ( vraag 3 )? - Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd ( vraag 4 )? Bij deze vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB (tekst 2014). - Bij ontkennende beantwoording van vraag 3 of 4: is er een wettelijke grondslag voor naheffing ( vraag 5 )? 3.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Vraag 1: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd? 4.1. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. Volgens belanghebbende verricht hij tezamen met [Ltd 6] . dividendarbitrage-activiteiten door middel van zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. De inspecteur is van mening dat belanghebbende dividendbelastingarbitrage-activiteiten verricht. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan. 4.2. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen. 4.3. Het hof stelt vast dat: (i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer; (ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren (2.4, 2.6 en 2.7); (iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.6); (iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.6 en 2.7); (v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever is verplicht bij te dragen aan het pensioen (2.3); (vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, het jaar van het verzoek om teruggaaf, CAD $ 5.400 was; (vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten; (viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden; (ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.6 en 2.17); (x) De samenwerkingspartner / asset manager van belanghebbende, [Ltd 9] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.8); (xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8); (xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https://www.inview.nl/openCitation/id1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) Besluit (2.8). 4.4. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit. 4.5.
Volledig
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat haar betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting] . 4.6. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.2). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw. 4.7. Voor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden. De teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven. Tot andere lichamen strekt de bedoeling van deze bepaling niet. Een buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de aandelen waarop belanghebbende de opbrengst terugvraagt behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB. 4.8. Vraag 1 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Gelet hierop komt het hof toe aan behandeling van vraag 2. Vraag 2: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg? 4.9. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022 aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024 . Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve. 4.10. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar. 4.11. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders.
Volledig
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat haar betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting] . 4.6. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.2). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw. 4.7. Voor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden. De teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven. Tot andere lichamen strekt de bedoeling van deze bepaling niet. Een buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de aandelen waarop belanghebbende de opbrengst terugvraagt behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB. 4.8. Vraag 1 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Gelet hierop komt het hof toe aan behandeling van vraag 2. Vraag 2: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg? 4.9. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022 aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024 . Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve. 4.10. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar. 4.11. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders.
Volledig
Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat deze zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. 4.12. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. 4.13. Door de ontkennende beantwoording van vraag 1 en 2 behoeven de vragen 3 en 4 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en/of uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 5). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden. Vraag 5: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing? 4.14. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd. 4.15. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende. 4.16. Artikel 20 AWR luidt als volgt: “1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend. 2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte , of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend . In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd ( onderstreping hof ).” 4.17. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 1 en 2, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013 , waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook/zelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan. 4.18. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 3 en 4 geen beantwoording meer. Tussenconclusie 4.19. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten 4.20. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, S.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142. Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016). Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016. CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961. Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2097, r.o. 3.1.3. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471. HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932. Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020.
Volledig
Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat deze zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. 4.12. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. 4.13. Door de ontkennende beantwoording van vraag 1 en 2 behoeven de vragen 3 en 4 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en/of uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 5). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden. Vraag 5: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing? 4.14. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd. 4.15. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende. 4.16. Artikel 20 AWR luidt als volgt: “1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend. 2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte , of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend . In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd ( onderstreping hof ).” 4.17. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 1 en 2, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013 , waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook/zelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan. 4.18. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 3 en 4 geen beantwoording meer. Tussenconclusie 4.19. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten 4.20. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, S.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142. Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016). Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016. CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961. Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2097, r.o. 3.1.3. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471. HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932. Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020.