Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-05-06
ECLI:NL:GHSHE:2026:1246
Strafrecht
Hoger beroep
11,426 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 text/xml public 2026-05-20T10:25:05 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-06 20-001606-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Wetboek van Strafrecht 266 Wetboek van Strafrecht 267 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 text/html public 2026-05-20T10:19:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-05-2026 / 20-001606-25 Het hof spreekt de verdachte vrij ter zake van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’ tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Parketnummer : 20-001606-25 Uitspraak : 6 mei 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-153747-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling ( feit 1 subsidiair ), en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd ( feit 2 ), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren zal opleggen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit dan wel bepleit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of een ontsierend litteken in het aangezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer] te slaan op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] te slaan op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of een ontsierend litteken in het aangezicht ten gevolge heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Brabant en/of [verbalisant 2] , agent bij de eenheid Oost-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: - "Jullie zijn kankernazi's" en/of - "Kankerhomo's" en/of - "Neuk je kankeroma's met diabetes" en/of - "Jullie zijn vuile ratten" en/of - "Jullie zijn vier sukkels" en/of - "Fucking imbeciel" en/of - "Je kankermoeder" en/of - "Vieze mongool", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Het hof heeft de beelden bekeken en op grond daarvan het volgende waargenomen. Op enig moment vindt een woordenwisseling plaats tussen één van de vier onbekend gebleven mannen, verdachte en aangever [slachtoffer] . Verdachte lijkt bij het weglopen twee keer te worden tegengehouden/vastgepakt door aangever. Vervolgens vindt een geweldsincident plaats tussen de verdachte en de vier onbekend gebleven mannen waarbij de verdachte op de grond terecht komt en tegen zijn lichaam en richting zijn hoofd wordt geschopt en geslagen. Aangever [slachtoffer] lijkt tussenbeide te komen, maar wordt weggetrokken door een van de vier mannen. Even later stopt het geweld tegen de verdachte door de groep mannen en lopen zij weg. De verdachte komt hierna overeind en pakt een (glazen) fles uit zijn rugzak. Met de fles en zijn rugzak in zijn handen loopt de verdachte nog enkele meters achter de mannen. Daaropvolgend is te zien dat de verdachte zich omdraait en terugloopt richting aangever met nog steeds de glazen fles in de ene en zijn rugzak in de andere hand. Terwijl hij op enige afstand van aangever blijft, maakt hij twee keer een beweging richting aangever en beweegt beide keren direct daarna weer naar achteren. Ondertussen vindt er tussen beiden ogenschijnlijk weer een woordenwisseling plaats. Aangever zet hierna de aanval in richting de verdachte. Hij spurt op de verdachte af, grijpt hem vast en schopt hem waarna zij met elkaar in een worsteling raken. De verdachte heeft op dat moment nog steeds in de ene hand de fles en in de andere zijn rugzak. Te zien is dat de verdachte gedurende het gevecht achteruit beweegt door de voorwaartse aanvallende beweging van [slachtoffer] . Tevens is te zien dat de verdachte zich [slachtoffer] van het lijf probeert te houden en af te weren door in zijn richting te slaan met de fles en de rugzak. Uiteindelijk belanden beiden vechtend op de grond. Op het moment dat een man aangever [slachtoffer] van verdachte afhaalt en aangever opstaat, is te zien dat laatstgenoemde bloed op zijn gezicht heeft. Vrijspraak zware mishandeling (onder 1 primair tenlastegelegde) Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de conclusie dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat een letselfoto van aangever, waarop het hof waarneemt dat er een snee in het voorhoofd van aangever zit. Dit toegebrachte letsel is naar het oordeel van het hof niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 text/xml public 2026-05-20T10:25:05 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-06 20-001606-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Wetboek van Strafrecht 266 Wetboek van Strafrecht 267 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 text/html public 2026-05-20T10:19:46 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-05-2026 / 20-001606-25 Het hof spreekt de verdachte vrij ter zake van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’ tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Parketnummer : 20-001606-25 Uitspraak : 6 mei 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-153747-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling ( feit 1 subsidiair ), en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd ( feit 2 ), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren zal opleggen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit dan wel bepleit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of een ontsierend litteken in het aangezicht, heeft toegebracht door die [slachtoffer] te slaan op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] te slaan op/tegen het hoofd en/of het gezicht met een (glazen) fles, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond en/of een ontsierend litteken in het aangezicht ten gevolge heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 7 april 2025 te Eindhoven opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Brabant en/of [verbalisant 2] , agent bij de eenheid Oost-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: - "Jullie zijn kankernazi's" en/of - "Kankerhomo's" en/of - "Neuk je kankeroma's met diabetes" en/of - "Jullie zijn vuile ratten" en/of - "Jullie zijn vier sukkels" en/of - "Fucking imbeciel" en/of - "Je kankermoeder" en/of - "Vieze mongool", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Integrale vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Het hof heeft de beelden bekeken en op grond daarvan het volgende waargenomen. Op enig moment vindt een woordenwisseling plaats tussen één van de vier onbekend gebleven mannen, verdachte en aangever [slachtoffer] . Verdachte lijkt bij het weglopen twee keer te worden tegengehouden/vastgepakt door aangever. Vervolgens vindt een geweldsincident plaats tussen de verdachte en de vier onbekend gebleven mannen waarbij de verdachte op de grond terecht komt en tegen zijn lichaam en richting zijn hoofd wordt geschopt en geslagen. Aangever [slachtoffer] lijkt tussenbeide te komen, maar wordt weggetrokken door een van de vier mannen. Even later stopt het geweld tegen de verdachte door de groep mannen en lopen zij weg. De verdachte komt hierna overeind en pakt een (glazen) fles uit zijn rugzak. Met de fles en zijn rugzak in zijn handen loopt de verdachte nog enkele meters achter de mannen. Daaropvolgend is te zien dat de verdachte zich omdraait en terugloopt richting aangever met nog steeds de glazen fles in de ene en zijn rugzak in de andere hand. Terwijl hij op enige afstand van aangever blijft, maakt hij twee keer een beweging richting aangever en beweegt beide keren direct daarna weer naar achteren. Ondertussen vindt er tussen beiden ogenschijnlijk weer een woordenwisseling plaats. Aangever zet hierna de aanval in richting de verdachte. Hij spurt op de verdachte af, grijpt hem vast en schopt hem waarna zij met elkaar in een worsteling raken. De verdachte heeft op dat moment nog steeds in de ene hand de fles en in de andere zijn rugzak. Te zien is dat de verdachte gedurende het gevecht achteruit beweegt door de voorwaartse aanvallende beweging van [slachtoffer] . Tevens is te zien dat de verdachte zich [slachtoffer] van het lijf probeert te houden en af te weren door in zijn richting te slaan met de fles en de rugzak. Uiteindelijk belanden beiden vechtend op de grond. Op het moment dat een man aangever [slachtoffer] van verdachte afhaalt en aangever opstaat, is te zien dat laatstgenoemde bloed op zijn gezicht heeft. Vrijspraak zware mishandeling (onder 1 primair tenlastegelegde) Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de conclusie dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat een letselfoto van aangever, waarop het hof waarneemt dat er een snee in het voorhoofd van aangever zit. Dit toegebrachte letsel is naar het oordeel van het hof niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Volledig
Vrijspraak poging zware mishandeling (onder 1 subsidiair tenlastegelegde) Het hof is van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de verdachte de intentie (het volle opzet) had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – sprake is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het dossier onvoldoende de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de verdachte blijkt. Daartoe is aangevoerd dat de wond op het hoofd van aangever veroorzaakt lijkt te zijn door de tas en niet door de glazen fles, zoals is tenlastegelegd. Het causaal verband tussen het slaan met de fles en het ontstaan van de hoofdwond lijkt daardoor te ontbreken. Daarnaast is de beperkte kracht waarmee de verdachte met de glazen fles heeft geslagen niet geschikt om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. De aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontbreekt en is zeker niet aanvaard door de verdachte, aldus de raadsvrouw. De advocaat-generaal is van oordeel dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat de verdachte met een glazen fles tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen. Uit deze handeling blijkt volgens de advocaat-generaal dat de verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht, met de raadsvrouw en anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is immers niet vast komen te staan dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijk zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is met de raadvrouw van oordeel dat op basis van de beelden de handelingen van de verdachte meer de uiterlijke verschijningsvorm hebben van een afwerende, verdedigende beweging dan een gerichte, krachtige slag met het oog op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Als er met deze handelingen al een aanmerkelijke kans was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Het hof merkt hierbij nog op dat uit de beelden niet zonder meer kan worden afgeleid dat het bij aangever ontstane letsel is ontstaan door de afwerende slagen met de fles. Het hof zal gelet op het vorenstaande de verdachte vrijspreken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Vrijspraak mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft (onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde) Omdat het hof, zoals hierboven al is overwogen, van oordeel is dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte om die reden al te worden vrijgesproken van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (enkelvoudige) mishandeling. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, en derhalve dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De verdachte werd immers aangevallen door aangever [slachtoffer] . Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het meer subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en overweegt dienaangaande het volgende. Voor het slagen van een beroep op noodweer vereist de wet dat de verdedigingshandeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daartoe. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zoals het hof hiervoor op grond van de beelden reeds heeft vastgesteld is het aangever [slachtoffer] geweest die de aanval op de verdachte opende. Daarmee was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door die [slachtoffer] waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Onder de gegeven omstandigheden kon naar het oordeel van het hof van de verdachte daarnaast niet worden gevergd dat hij zich aan die wederrechtelijke aanranding door de aangever zou onttrekken. Immers bleef aangever de verdachte naar achteren duwen en hield aangever de verdachte vast en sloeg hij hem. Het hof is van oordeel dat de verdedigingshandelingen van de verdachte noodzakelijkerwijs geboden waren tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat de gekozen wijze van ingrijpen noodzakelijk is geweest om de aanranding af te wenden en niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding gepleegd door de aangever. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte de fles en tas al in zijn handen had op het moment dat aangever hem aanviel en daardoor genoodzaakt was om zich met die voorwerpen af te weren, nu hij zijn handen niet vrij had. Naar het oordeel van het hof zijn de handelingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm in zijn totaliteit gericht geweest op het afweren van de aanval door de aangever. De verdachte heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit dan ook niet overschreden. Concluderend stelt het hof derhalve vast dat sprake is van een geslaagd beroep op noodweer. Aan de gedragingen van de verdachte ontbreekt derhalve de wederrechtelijkheid. Hieruit volgt dat de verdachte tevens wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2. hij op 7 april 2025 te Eindhoven opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Brabant en [verbalisant 2] , agent bij de eenheid Oost-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: - "Jullie zijn kankernazi's" en - "Kankerhomo's" en - "Neuk je kankeroma's met diabetes" en - "Jullie zijn vuile ratten" en - "Jullie zijn vier sukkels" en - "Fucking imbeciel" en - "Je kankermoeder" en - "Vieze mongool". Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest.
Volledig
Vrijspraak poging zware mishandeling (onder 1 subsidiair tenlastegelegde) Het hof is van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de verdachte de intentie (het volle opzet) had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – sprake is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het dossier onvoldoende de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de verdachte blijkt. Daartoe is aangevoerd dat de wond op het hoofd van aangever veroorzaakt lijkt te zijn door de tas en niet door de glazen fles, zoals is tenlastegelegd. Het causaal verband tussen het slaan met de fles en het ontstaan van de hoofdwond lijkt daardoor te ontbreken. Daarnaast is de beperkte kracht waarmee de verdachte met de glazen fles heeft geslagen niet geschikt om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. De aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontbreekt en is zeker niet aanvaard door de verdachte, aldus de raadsvrouw. De advocaat-generaal is van oordeel dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat de verdachte met een glazen fles tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen. Uit deze handeling blijkt volgens de advocaat-generaal dat de verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht, met de raadsvrouw en anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is immers niet vast komen te staan dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijk zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is met de raadvrouw van oordeel dat op basis van de beelden de handelingen van de verdachte meer de uiterlijke verschijningsvorm hebben van een afwerende, verdedigende beweging dan een gerichte, krachtige slag met het oog op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Als er met deze handelingen al een aanmerkelijke kans was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Het hof merkt hierbij nog op dat uit de beelden niet zonder meer kan worden afgeleid dat het bij aangever ontstane letsel is ontstaan door de afwerende slagen met de fles. Het hof zal gelet op het vorenstaande de verdachte vrijspreken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Vrijspraak mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft (onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde) Omdat het hof, zoals hierboven al is overwogen, van oordeel is dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte om die reden al te worden vrijgesproken van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (enkelvoudige) mishandeling. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, en derhalve dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De verdachte werd immers aangevallen door aangever [slachtoffer] . Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 Sr ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het meer subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt en overweegt dienaangaande het volgende. Voor het slagen van een beroep op noodweer vereist de wet dat de verdedigingshandeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daartoe. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Zoals het hof hiervoor op grond van de beelden reeds heeft vastgesteld is het aangever [slachtoffer] geweest die de aanval op de verdachte opende. Daarmee was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door die [slachtoffer] waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Onder de gegeven omstandigheden kon naar het oordeel van het hof van de verdachte daarnaast niet worden gevergd dat hij zich aan die wederrechtelijke aanranding door de aangever zou onttrekken. Immers bleef aangever de verdachte naar achteren duwen en hield aangever de verdachte vast en sloeg hij hem. Het hof is van oordeel dat de verdedigingshandelingen van de verdachte noodzakelijkerwijs geboden waren tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat de gekozen wijze van ingrijpen noodzakelijk is geweest om de aanranding af te wenden en niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding gepleegd door de aangever. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte de fles en tas al in zijn handen had op het moment dat aangever hem aanviel en daardoor genoodzaakt was om zich met die voorwerpen af te weren, nu hij zijn handen niet vrij had. Naar het oordeel van het hof zijn de handelingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm in zijn totaliteit gericht geweest op het afweren van de aanval door de aangever. De verdachte heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit dan ook niet overschreden. Concluderend stelt het hof derhalve vast dat sprake is van een geslaagd beroep op noodweer. Aan de gedragingen van de verdachte ontbreekt derhalve de wederrechtelijkheid. Hieruit volgt dat de verdachte tevens wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 2. hij op 7 april 2025 te Eindhoven opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Brabant en [verbalisant 2] , agent bij de eenheid Oost-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: - "Jullie zijn kankernazi's" en - "Kankerhomo's" en - "Neuk je kankeroma's met diabetes" en - "Jullie zijn vuile ratten" en - "Jullie zijn vier sukkels" en - "Fucking imbeciel" en - "Je kankermoeder" en - "Vieze mongool". Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest.
Volledig
Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bij cassatie uit te werken bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen omdat die het thans lopende traject van de verdachte bij [stichting 1] zou kunnen doorkruisen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 7 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan belediging van een tweetal verbalisanten. Politieagenten moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar gedrag, waaruit bovendien minachtig spreekt. Het handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof rekent dit dan ook de verdachte aan. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belediging van ambtenaren in functie alsmede voor wederspannigheid. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte moeite lijkt te hebben met autoriteiten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt verder dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de brief van de trajectbegeleidster van de verdachte van [stichting 1] d.d. 14 april 2026. Daarin is door de trajectbegeleidster benoemd dat de verdachte zich sinds anderhalf jaar vrijwel dagelijks bij [stichting 1] meldt en dat zij de verdachte bijstaat in de zoektocht naar een woning. Zij vermeldt tevens dat de verdachte goedkeuring heeft gekregen voor een zogenoemde doorwoning via [stichting 2] en dat hij in afwachting daarvan momenteel in een noodwoning verblijft. Als het hof aan de verdachte een gevangenisstraf zou opleggen, zou dit kunnen betekenen dat de verdachte wederom dakloos wordt. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsvrouw heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven de afgelopen periode een positieve wending heeft gegeven met behulp van [stichting 1] . Het hof heeft bij de beslissing over de strafoplegging ook de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in ogenschouw genomen, waarin voor een belediging in beginsel een geldboete van € 210,00 passend wordt geacht. De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter om in strafverzwarende zin af te wijken van deze oriëntatiepunten en een taakstraf op te leggen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de belediging gericht is tegen politieambtenaren die in de rechtmatige uitoefening van hun functie waren en dat de verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het hof ziet echter in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte positieve ontwikkelingen lijkt door te maken op verschillende levensgebieden en het hof wil die ontwikkelingen niet doorkruisen. Alle omstandigheden afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis ; bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aldus gewezen door: mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N. van der Meer, griffiers, en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bij cassatie uit te werken bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen omdat die het thans lopende traject van de verdachte bij [stichting 1] zou kunnen doorkruisen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 7 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan belediging van een tweetal verbalisanten. Politieagenten moeten – in het belang van de openbare orde en de veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar gedrag, waaruit bovendien minachtig spreekt. Het handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof rekent dit dan ook de verdachte aan. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belediging van ambtenaren in functie alsmede voor wederspannigheid. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte moeite lijkt te hebben met autoriteiten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt verder dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de brief van de trajectbegeleidster van de verdachte van [stichting 1] d.d. 14 april 2026. Daarin is door de trajectbegeleidster benoemd dat de verdachte zich sinds anderhalf jaar vrijwel dagelijks bij [stichting 1] meldt en dat zij de verdachte bijstaat in de zoektocht naar een woning. Zij vermeldt tevens dat de verdachte goedkeuring heeft gekregen voor een zogenoemde doorwoning via [stichting 2] en dat hij in afwachting daarvan momenteel in een noodwoning verblijft. Als het hof aan de verdachte een gevangenisstraf zou opleggen, zou dit kunnen betekenen dat de verdachte wederom dakloos wordt. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De raadsvrouw heeft in dit verband naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven de afgelopen periode een positieve wending heeft gegeven met behulp van [stichting 1] . Het hof heeft bij de beslissing over de strafoplegging ook de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in ogenschouw genomen, waarin voor een belediging in beginsel een geldboete van € 210,00 passend wordt geacht. De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter om in strafverzwarende zin af te wijken van deze oriëntatiepunten en een taakstraf op te leggen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de belediging gericht is tegen politieambtenaren die in de rechtmatige uitoefening van hun functie waren en dat de verdachte in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het hof ziet echter in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte positieve ontwikkelingen lijkt door te maken op verschillende levensgebieden en het hof wil die ontwikkelingen niet doorkruisen. Alle omstandigheden afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis ; bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aldus gewezen door: mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N. van der Meer, griffiers, en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.