Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-05-06
ECLI:NL:GHSHE:2026:1245
Strafrecht
Hoger beroep
8,114 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 text/xml public 2026-05-20T09:40:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-06 20-001236-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Roermond Strafrecht Opiumwet 11a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 text/html public 2026-05-20T09:34:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-05-2026 / 20-001236-25 Vrijspraak artikel 11a Opiumwet. Parketnummer : 20-001236-25 Uitspraak : 6 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2025, parketnummer 03-043237-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘ voorwerpen vervoeren waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten ’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De politierechter heeft de inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen en dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen en de gevangenisstraf om zal zetten naar een taakstraf voor de duur van 160 uren. De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, heeft de verdediging primair in lijn met de bepleite vrijspraak het hof verzocht om de vordering af te wijzen. In geval van een veroordeling heeft de verdediging primair bepleit dat het hof de proeftijd zal verlengen en subsidiair dat het hof de vordering zal toewijzen en de gevangenisstraf om zal zetten naar een taakstraf. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Horst, gemeente Horst aan de Maas, althans in Nederland, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten 8, althans een of meer zakken potgrond en/of 4, althans een of meer strijkzakken en/of 1, althans een of meer Can-Lite filters en/of 1, althans een of meer slakkenhuizen en/of 6, althans een of meer assimilatielampen en/of 2, althans een of meer groeimiddelen en/of 1, althans een of meer afvoerslangen en/of 2, althans een of meer ventilatoren en/of 1, althans een of meer wortelstimulatoren en/of 2, althans een of meer fan controllers en/of 6, althans een of meer transformatoren en/of 1, althans een of meer weegschalen en/of 6, althans een of meer armaturen en/of 2, althans een of meer hydrometers en/of 2, althans een of meer scharen en/of 1, althans een of meer droognetten en/of 1, althans een of meer tijdschakelaars en/of 3, althans een of meer koppelstukken en/of 1, althans een of meer groeitenten, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daaraan is door de advocaat-generaal ten grondslag gelegd dat de goederen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen, wijzen op bedrijfsmatige hennepteelt. In dat kader heeft de advocaat-generaal tevens verwezen naar de in de bijlage van de Aanwijzing Opiumwet opgenomen indicatorenlijst, nu er verscheidene indicatoren zijn die duiden op een zekere mate van professionaliteit. De advocaat-generaal heeft tevens verwezen naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:342). Voorts is ook de uiterlijke verschijningsvorm gericht geweest op het kweken van een grote hoeveelheid hennep, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe is – op gronden als nader in de pleitnota verwoord en onder verwijzing naar jurisprudentie – in de kern aangevoerd dat de in het voertuig van de verdachte aangetroffen goederen niet bestemd zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige teelt of grootschalige teelt van hennep. De intentie van de verdachte was om een beperkt aantal hennepplanten te kweken voor eigen gebruik, aldus de verdediging. Juridisch kader De verdachte wordt verweten zich schuldig gemaakt te hebben aan hetgeen in artikel 11a Opiumwet strafbaar is gesteld. Om tot een veroordeling te kunnen komen dient eerst de vraag te worden beantwoord of de bedoelde goederen bestemd waren tot het plegen van het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 11, derde lid Opiumwet) dan wel het telen van een grote hoeveelheid hennep (artikel 11, vijfde lid Opiumwet), en vervolgens de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die goederen daarvoor bestemd waren. Artikel 11a Opiumwet richt zich nadrukkelijk op de bestrijding van professionele of bedrijfsmatige teelt en/of grootschalige teelt van hennep. Met betrekking tot de vraag welke betekenis toekomt aan de termen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ en ‘grote hoeveelheid’ heeft het volgende te gelden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat met betrekking tot de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt niet zozeer de hoeveelheid planten van belang is, doch veeleer de mate van professionaliteit en de gerichtheid op het behalen van financiële winst. Met betrekking tot de term ‘grote hoeveelheid’ geldt dat in artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit wordt bepaald dat als een grote hoeveelheid moet worden beschouwd: 500 gram hennep, 200 hennepplanten en 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II. Oordeel van het hof Het hof stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat het voertuig van de verdachte op 9 februari 2025 op een carpoolplaats te Melderslo (gemeente Horst) door de politie is gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 text/xml public 2026-05-20T09:40:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-06 20-001236-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Roermond Strafrecht Opiumwet 11a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 text/html public 2026-05-20T09:34:17 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-05-2026 / 20-001236-25 Vrijspraak artikel 11a Opiumwet. Parketnummer : 20-001236-25 Uitspraak : 6 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2025, parketnummer 03-043237-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘ voorwerpen vervoeren waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten ’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De politierechter heeft de inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen en dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen en de gevangenisstraf om zal zetten naar een taakstraf voor de duur van 160 uren. De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05-153455-24, heeft de verdediging primair in lijn met de bepleite vrijspraak het hof verzocht om de vordering af te wijzen. In geval van een veroordeling heeft de verdediging primair bepleit dat het hof de proeftijd zal verlengen en subsidiair dat het hof de vordering zal toewijzen en de gevangenisstraf om zal zetten naar een taakstraf. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Horst, gemeente Horst aan de Maas, althans in Nederland, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten 8, althans een of meer zakken potgrond en/of 4, althans een of meer strijkzakken en/of 1, althans een of meer Can-Lite filters en/of 1, althans een of meer slakkenhuizen en/of 6, althans een of meer assimilatielampen en/of 2, althans een of meer groeimiddelen en/of 1, althans een of meer afvoerslangen en/of 2, althans een of meer ventilatoren en/of 1, althans een of meer wortelstimulatoren en/of 2, althans een of meer fan controllers en/of 6, althans een of meer transformatoren en/of 1, althans een of meer weegschalen en/of 6, althans een of meer armaturen en/of 2, althans een of meer hydrometers en/of 2, althans een of meer scharen en/of 1, althans een of meer droognetten en/of 1, althans een of meer tijdschakelaars en/of 3, althans een of meer koppelstukken en/of 1, althans een of meer groeitenten, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daaraan is door de advocaat-generaal ten grondslag gelegd dat de goederen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen, wijzen op bedrijfsmatige hennepteelt. In dat kader heeft de advocaat-generaal tevens verwezen naar de in de bijlage van de Aanwijzing Opiumwet opgenomen indicatorenlijst, nu er verscheidene indicatoren zijn die duiden op een zekere mate van professionaliteit. De advocaat-generaal heeft tevens verwezen naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:342). Voorts is ook de uiterlijke verschijningsvorm gericht geweest op het kweken van een grote hoeveelheid hennep, aldus de advocaat-generaal. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe is – op gronden als nader in de pleitnota verwoord en onder verwijzing naar jurisprudentie – in de kern aangevoerd dat de in het voertuig van de verdachte aangetroffen goederen niet bestemd zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige teelt of grootschalige teelt van hennep. De intentie van de verdachte was om een beperkt aantal hennepplanten te kweken voor eigen gebruik, aldus de verdediging. Juridisch kader De verdachte wordt verweten zich schuldig gemaakt te hebben aan hetgeen in artikel 11a Opiumwet strafbaar is gesteld. Om tot een veroordeling te kunnen komen dient eerst de vraag te worden beantwoord of de bedoelde goederen bestemd waren tot het plegen van het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 11, derde lid Opiumwet) dan wel het telen van een grote hoeveelheid hennep (artikel 11, vijfde lid Opiumwet), en vervolgens de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die goederen daarvoor bestemd waren. Artikel 11a Opiumwet richt zich nadrukkelijk op de bestrijding van professionele of bedrijfsmatige teelt en/of grootschalige teelt van hennep. Met betrekking tot de vraag welke betekenis toekomt aan de termen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ en ‘grote hoeveelheid’ heeft het volgende te gelden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat met betrekking tot de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt niet zozeer de hoeveelheid planten van belang is, doch veeleer de mate van professionaliteit en de gerichtheid op het behalen van financiële winst. Met betrekking tot de term ‘grote hoeveelheid’ geldt dat in artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit wordt bepaald dat als een grote hoeveelheid moet worden beschouwd: 500 gram hennep, 200 hennepplanten en 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II. Oordeel van het hof Het hof stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat het voertuig van de verdachte op 9 februari 2025 op een carpoolplaats te Melderslo (gemeente Horst) door de politie is gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet.
Volledig
De verbalisanten zagen bij aanvang van de controle dat zich verscheidene goederen op de achterbank en de bijrijdersstoel van het voertuig bevonden, welke zij ambtshalve herkenden als goederen die worden gebruikt voor hennepteelt. Nadien is het voertuig van de verdachte doorzocht en werden ook in de kofferbak goederen aangetroffen door de verbalisanten. Vervolgens werd de verdachte aangehouden op grond van verdenking van overtreding van artikel 11a Opiumwet. De verdachte heeft ten overstaan van de politierechter verklaard – naar eigen zeggen op advies van zijn voormalig raadsvrouw – dat hij de in zijn voertuig aangetroffen goederen heeft opgehaald in opdracht van een ander, bij wie hij de goederen zou afleveren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een andere proceshouding ingenomen en heeft hij zijn eerder afgelegde verklaring gewijzigd. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de in zijn voertuig aangetroffen goederen heeft aangeschaft, omdat hij voor zichzelf en zijn toenmalige vriend hennepplanten wilde kweken in een tent in zijn woning. Bij pleidooi heeft de verdediging aangevoerd dat de totale hoeveelheid 25 hennepplanten zou betreffen. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de goederen heeft besteld en nadien heeft opgehaald bij de bezorger. In dat kader heeft de verdachte een nadere toelichting gegeven op het op voorhand door de raadsman toegezonden overzicht van ‘ [website] ’. De verdachte heeft verduidelijkt dat een aantal in de tenlastelegging omschreven goederen niet in het voornoemde overzicht is opgenomen, omdat deze goederen onderdeel uitmaken van de set die op het overzicht is aangeduid als ‘ [zoekterm] ’. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte tevens Whatsappberichten getoond, waaruit blijkt dat hij voor het ophalen van de goederen contact heeft gehad met een persoon die hij in zijn telefoon heeft opgeslagen onder de naam ‘ [betrokkene] ’. Voorts blijkt uit de door de verdachte getoonde berichten dat hij de goederen initieel zou ophalen op 8 februari 2025, maar dat hij de goederen vanwege ziekte één dag later, op 9 januari 2025, heeft opgehaald. Het hof overweegt als volgt. Het hof constateert op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier dat de verdachte de in de tenlastelegging omschreven goederen voorhanden had. Echter is het hof van oordeel dat het enkele aantreffen van die goederen in het voertuig van de verdachte, die geschikt zijn voor de hennepteelt, op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte die goederen voorhanden had met het doel die ook daadwerkelijk te gebruiken of te laten gebruiken voor de bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. Het hof is van oordeel dat die bestemming in dit geval niet zonder meer kan worden afgeleid uit de aard, de hoeveelheid en de gezamenlijkheid van de aangetroffen goederen. Daarvoor is nadere steun in andere bewijsmiddelen vereist. Het hof is van oordeel dat die steun onderbreekt en acht in dat kader het navolgende van belang. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van een berekening bepleit dat de verdachte, gelet op de eigenschappen van de door de verdachte aangeschafte goederen, de intentie heeft gehad om maximaal 25 hennepplanten te kweken voor eigen gebruik. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op de grootte van de tent, het aantal en de grootte van de aangeschafte potten en het aantal liters potgrond. Het hof acht de door de verdediging geschetste omstandigheden, in combinatie met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring voor de aanwezigheid van de goederen in zijn voertuig, aannemelijk. Derhalve gaat het hof ervan uit dat de verdachte maximaal 25 hennepplanten wilde kweken in zijn woning. Dientengevolge is geen sprake van een ‘grote hoeveelheid’ als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen artikel 3.2.1 van de Aanwijzing Opiumwet en de in de bijlage van voornoemde aanwijzing opgenomen indicatorenlijst, aan de hand waarvan de professionaliteit van een hennepkwekerij kan worden beoordeeld. Hoewel sprake is van een hoeveelheid aan hennepplanten die een omvang van vijf planten te boven gaat, levert die enkele omstandigheid naar het oordeel van het hof nog niet zonder meer de vereiste bestemming tot het grootschalige of het beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de beoogde hennepteelt op, zoals bedoeld in voornoemd artikel. Het hof is van oordeel dat evenmin voldoende indicatoren aanwezig zijn als bedoeld in de voornoemde indicatorenlijst op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de hennepkwekerij als professioneel kan worden aangemerkt. Ook op grond van de overige inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof onvoldoende aanwijzingen waaraan het oordeel kan worden ontleend dat er sprake is geweest van een zekere mate van professionaliteit. Voorts is het hof evenmin gebleken van enig oogmerk van geldelijk gewin. De verdachte heeft immers onweersproken verklaard dat de hennepplanten voor eigen gebruik waren en ook overigens blijkt niet uit het procesdossier dat de intentie van de verdachte gericht was op het behalen van financiële winst. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de in de tenlastelegging omschreven goederen niet kunnen worden aangemerkt als goederen die bestemd waren voor de inrichting van professionele of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Dientengevolge heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Beslag Het hof zal van de hierna in het dictum te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelasten. Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie te Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2024 onder 05-153455-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 8 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778353); 4 STK Fust (PL2300-2025021796-G1778354); 1 STK Filter (PL2300-2025021796-G1778356); 1 STK Gereedschap (PL2300-2025021796-G1778357); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778358); 6 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778359); 2 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778360); 1 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778361); 2 STK Ventilator (PL2300-2025021796-G1778362); 2 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778364); 6 STK Gereedschap (PL2300-2025021796-G1778365); 1 STK Weegschaal (PL2300-2025021796-G1778366); 6 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778367); 2 STK Hygrometer (PL2300-2025021796-G1778368); 2 STK Schaar (PL2300-2025021796-G1778369); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778371); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778372); 3 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778373); 1 STK Tent (PL2300-2025021796-G1778379). wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Limburg van 17 maart 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 05-153455-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Aldus gewezen door: mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N. van der Meer, griffiers, en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. S.C.
Volledig
De verbalisanten zagen bij aanvang van de controle dat zich verscheidene goederen op de achterbank en de bijrijdersstoel van het voertuig bevonden, welke zij ambtshalve herkenden als goederen die worden gebruikt voor hennepteelt. Nadien is het voertuig van de verdachte doorzocht en werden ook in de kofferbak goederen aangetroffen door de verbalisanten. Vervolgens werd de verdachte aangehouden op grond van verdenking van overtreding van artikel 11a Opiumwet. De verdachte heeft ten overstaan van de politierechter verklaard – naar eigen zeggen op advies van zijn voormalig raadsvrouw – dat hij de in zijn voertuig aangetroffen goederen heeft opgehaald in opdracht van een ander, bij wie hij de goederen zou afleveren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een andere proceshouding ingenomen en heeft hij zijn eerder afgelegde verklaring gewijzigd. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de in zijn voertuig aangetroffen goederen heeft aangeschaft, omdat hij voor zichzelf en zijn toenmalige vriend hennepplanten wilde kweken in een tent in zijn woning. Bij pleidooi heeft de verdediging aangevoerd dat de totale hoeveelheid 25 hennepplanten zou betreffen. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de goederen heeft besteld en nadien heeft opgehaald bij de bezorger. In dat kader heeft de verdachte een nadere toelichting gegeven op het op voorhand door de raadsman toegezonden overzicht van ‘ [website] ’. De verdachte heeft verduidelijkt dat een aantal in de tenlastelegging omschreven goederen niet in het voornoemde overzicht is opgenomen, omdat deze goederen onderdeel uitmaken van de set die op het overzicht is aangeduid als ‘ [zoekterm] ’. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte tevens Whatsappberichten getoond, waaruit blijkt dat hij voor het ophalen van de goederen contact heeft gehad met een persoon die hij in zijn telefoon heeft opgeslagen onder de naam ‘ [betrokkene] ’. Voorts blijkt uit de door de verdachte getoonde berichten dat hij de goederen initieel zou ophalen op 8 februari 2025, maar dat hij de goederen vanwege ziekte één dag later, op 9 januari 2025, heeft opgehaald. Het hof overweegt als volgt. Het hof constateert op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier dat de verdachte de in de tenlastelegging omschreven goederen voorhanden had. Echter is het hof van oordeel dat het enkele aantreffen van die goederen in het voertuig van de verdachte, die geschikt zijn voor de hennepteelt, op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte die goederen voorhanden had met het doel die ook daadwerkelijk te gebruiken of te laten gebruiken voor de bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. Het hof is van oordeel dat die bestemming in dit geval niet zonder meer kan worden afgeleid uit de aard, de hoeveelheid en de gezamenlijkheid van de aangetroffen goederen. Daarvoor is nadere steun in andere bewijsmiddelen vereist. Het hof is van oordeel dat die steun onderbreekt en acht in dat kader het navolgende van belang. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van een berekening bepleit dat de verdachte, gelet op de eigenschappen van de door de verdachte aangeschafte goederen, de intentie heeft gehad om maximaal 25 hennepplanten te kweken voor eigen gebruik. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op de grootte van de tent, het aantal en de grootte van de aangeschafte potten en het aantal liters potgrond. Het hof acht de door de verdediging geschetste omstandigheden, in combinatie met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven verklaring voor de aanwezigheid van de goederen in zijn voertuig, aannemelijk. Derhalve gaat het hof ervan uit dat de verdachte maximaal 25 hennepplanten wilde kweken in zijn woning. Dientengevolge is geen sprake van een ‘grote hoeveelheid’ als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Opiumwetbesluit. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen artikel 3.2.1 van de Aanwijzing Opiumwet en de in de bijlage van voornoemde aanwijzing opgenomen indicatorenlijst, aan de hand waarvan de professionaliteit van een hennepkwekerij kan worden beoordeeld. Hoewel sprake is van een hoeveelheid aan hennepplanten die een omvang van vijf planten te boven gaat, levert die enkele omstandigheid naar het oordeel van het hof nog niet zonder meer de vereiste bestemming tot het grootschalige of het beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de beoogde hennepteelt op, zoals bedoeld in voornoemd artikel. Het hof is van oordeel dat evenmin voldoende indicatoren aanwezig zijn als bedoeld in de voornoemde indicatorenlijst op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de hennepkwekerij als professioneel kan worden aangemerkt. Ook op grond van de overige inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof onvoldoende aanwijzingen waaraan het oordeel kan worden ontleend dat er sprake is geweest van een zekere mate van professionaliteit. Voorts is het hof evenmin gebleken van enig oogmerk van geldelijk gewin. De verdachte heeft immers onweersproken verklaard dat de hennepplanten voor eigen gebruik waren en ook overigens blijkt niet uit het procesdossier dat de intentie van de verdachte gericht was op het behalen van financiële winst. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de in de tenlastelegging omschreven goederen niet kunnen worden aangemerkt als goederen die bestemd waren voor de inrichting van professionele of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Dientengevolge heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Beslag Het hof zal van de hierna in het dictum te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelasten. Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie te Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2024 onder 05-153455-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 8 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778353); 4 STK Fust (PL2300-2025021796-G1778354); 1 STK Filter (PL2300-2025021796-G1778356); 1 STK Gereedschap (PL2300-2025021796-G1778357); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778358); 6 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778359); 2 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778360); 1 STK Plant (PL2300-2025021796-G1778361); 2 STK Ventilator (PL2300-2025021796-G1778362); 2 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778364); 6 STK Gereedschap (PL2300-2025021796-G1778365); 1 STK Weegschaal (PL2300-2025021796-G1778366); 6 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778367); 2 STK Hygrometer (PL2300-2025021796-G1778368); 2 STK Schaar (PL2300-2025021796-G1778369); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778371); 1 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778372); 3 STK Bouwmateriaal (PL2300-2025021796-G1778373); 1 STK Tent (PL2300-2025021796-G1778379). wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Limburg van 17 maart 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 augustus 2024, gewezen onder parketnummer 05-153455-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Aldus gewezen door: mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter, mr. S.C. van Duijn en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. N. van der Meer, griffiers, en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. S.C.