Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-05-13
ECLI:NL:GHSHE:2026:1239
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
12,023 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 text/xml public 2026-05-28T18:00:29 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-13 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2210, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl NLF 2026/1049 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 text/html public 2026-05-28T09:46:40 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-05-2026 / 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Belanghebbende was tot 1 maart 2006 werkzaam voor de NATO en ontvangt daarna een invaliditeitspensioen. Vanaf 16 september 2016 ontvangt hij een ouderdomspensioen. Daarnaast ontvangt hij een household allowance en een tax-adjustment. Het hof oordeelt dat het invaliditeitspensioen verschilt van een ouderdomspensioen. Het voordeel vloeit voort uit het dienstverband met de NATO en is belast op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat het invaliditeitspensioen op dezelfde wijze moet worden belast als het ouderdomspensioen. Ook het beroep op het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties wordt verworpen, aangezien in dat besluit uitdrukkelijk is bepaald dat dit besluit niet van toepassing op invaliditeitspensioenen. Het ouderdomspensioen moet in de heffing worden betrokken overeenkomstig de uitspraak van het hof van 24 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2511, waarbij uitgegaan wordt van een opbouw in drie delen. De opgebouwde rechten tot 1 januari 1995 zijn onbelast, omdat sprake is van een onzuivere pensioenregeling. De rechten die zijn opgebouwd van 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 worden via de saldomethode in de heffing betrokken. De tegenprestatie wordt verminderd met de werkgeversbijdrage, aangezien het loon in de jaren 1995 tot en met 2000 was vrijgesteld. De werknemersbijdrage wordt wel in aanmerking genomen als tegenprestatie. De na 1 januari 2001 opgebouwde rechten worden integraal in box 1 belast. Het hof oordeelt voorts dat de household allowance en tax-adjustment een integraal onderdeel vormen van de pensioenrechten en op dezelfde wijze in de belastingheffing worden betrokken. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummers BRE 23/1677 tot en met 23/1682, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2012 tot en met 2015, 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht voor de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018. 1.2. Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren voor de jaren 2012 tot en met 2015 ongegrond verklaard en de bezwaren voor de jaren 2017 en 2018 gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor de jaren 2017 en 2018 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak (jaren 2017 en 2018) hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummers 24/600 en 24/601. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof (alle jaren: 2012 tot en met 2015, 2017 en 2018), bij het hof bekend onder nummers 24/616 tot en met 24/621. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft op 29 en 30 december 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De inspecteur heeft op verzoek van het hof schriftelijk gereageerd op de nadere stukken van 29 en 30 december 2025 door middel van een nader stuk dat voorafgaand aan de zitting is ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende. 1.8. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.9. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951 en woont in de onderhavige jaren in Nederland. 2.2. Belanghebbende is tot 1 maart 2006 werkzaam geweest bij de [organisatie] (hierna: [organisatie] ). Belanghebbende ontving sindsdien en tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd een invaliditeitspensioen van de [organisatie] , een household allowance en een tax-adjustment. Belanghebbende heeft op [geboortedatum] 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt sindsdien een ouderdomspensioen van de [organisatie] , een household allowance en een tax-adjustment. 2.3. Bij de definitieve aanslagoplegging over de jaren 2012 en 2013 is de aanslag conform de aangifte opgelegd waarbij kort gezegd het invaliditeitspensioen is aangegeven en belast als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Voor 2012 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.437 en voor 2013 € 46.089. Wat betreft de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangiften IB/PVV. De inspecteur heeft over alle jaren de door de [organisatie] betaalde gelden inclusief de household allowance en het taxadjustment aangemerkt als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) en heeft ter zake van de pensioenaanspraak geen inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in aanmerking genomen. De belastbare inkomens uit werk en woning zijn als volgt vastgesteld: - 2014: € 48.165; - 2015: € 50.175; - 2017: € 55.988; - 2018: € 61.475. 2.4. In de bestreden uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen over de jaren 2012 tot en met 2015 gehandhaafd. Voor de jaren 2017 en 2018 heeft de inspecteur het [organisatie] ouderdomspensioen belast conform de uitgangspunten van het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties (hierna: het Besluit) . Het [organisatie] pensioen (exclusief household allowance en tax-adjustment) is voor twee derde (2/3) deel belast als inkomen uit werk en woning (box 1) en voor een derde (1/3) deel belast als inkomen uit sparen en beleggen (box 3). In box 3 is voor de bepaling van de waarde van de pensioenaanspraak uitgegaan van de uitgangspunten zoals vermeld in artikel 19 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001). De household allowance en tax-adjustment zijn volledig belast in box 1. Voor 2017 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 39.245 en de grondslag sparen en beleggen op € 126.983. Belanghebbendes aandeel hierin is vastgesteld op € 55.226. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 1.585. Voor 2018 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 44.330 en de grondslag sparen en beleggen op € 99.609. Belanghebbendes aandeel hierin is vastgesteld op € 99.609. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 2.671. 2.5. Het Besluit is met ingang van 24 augustus 2022 in werking getreden en bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van Gecoördineerde Internationale Organisaties.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 text/xml public 2026-05-28T18:00:29 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-13 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2210, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl NLF 2026/1049 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 text/html public 2026-05-28T09:46:40 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1239 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-05-2026 / 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Belanghebbende was tot 1 maart 2006 werkzaam voor de NATO en ontvangt daarna een invaliditeitspensioen. Vanaf 16 september 2016 ontvangt hij een ouderdomspensioen. Daarnaast ontvangt hij een household allowance en een tax-adjustment. Het hof oordeelt dat het invaliditeitspensioen verschilt van een ouderdomspensioen. Het voordeel vloeit voort uit het dienstverband met de NATO en is belast op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat het invaliditeitspensioen op dezelfde wijze moet worden belast als het ouderdomspensioen. Ook het beroep op het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties wordt verworpen, aangezien in dat besluit uitdrukkelijk is bepaald dat dit besluit niet van toepassing op invaliditeitspensioenen. Het ouderdomspensioen moet in de heffing worden betrokken overeenkomstig de uitspraak van het hof van 24 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2511, waarbij uitgegaan wordt van een opbouw in drie delen. De opgebouwde rechten tot 1 januari 1995 zijn onbelast, omdat sprake is van een onzuivere pensioenregeling. De rechten die zijn opgebouwd van 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 worden via de saldomethode in de heffing betrokken. De tegenprestatie wordt verminderd met de werkgeversbijdrage, aangezien het loon in de jaren 1995 tot en met 2000 was vrijgesteld. De werknemersbijdrage wordt wel in aanmerking genomen als tegenprestatie. De na 1 januari 2001 opgebouwde rechten worden integraal in box 1 belast. Het hof oordeelt voorts dat de household allowance en tax-adjustment een integraal onderdeel vormen van de pensioenrechten en op dezelfde wijze in de belastingheffing worden betrokken. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/600, 24/601 en 24/616 tot en met 24/621 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, en op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummers BRE 23/1677 tot en met 23/1682, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2012 tot en met 2015, 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht voor de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018. 1.2. Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren voor de jaren 2012 tot en met 2015 ongegrond verklaard en de bezwaren voor de jaren 2017 en 2018 gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor de jaren 2017 en 2018 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft tegen deze uitspraak (jaren 2017 en 2018) hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummers 24/600 en 24/601. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof (alle jaren: 2012 tot en met 2015, 2017 en 2018), bij het hof bekend onder nummers 24/616 tot en met 24/621. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft op 29 en 30 december 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De inspecteur heeft op verzoek van het hof schriftelijk gereageerd op de nadere stukken van 29 en 30 december 2025 door middel van een nader stuk dat voorafgaand aan de zitting is ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende. 1.8. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.9. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951 en woont in de onderhavige jaren in Nederland. 2.2. Belanghebbende is tot 1 maart 2006 werkzaam geweest bij de [organisatie] (hierna: [organisatie] ). Belanghebbende ontving sindsdien en tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd een invaliditeitspensioen van de [organisatie] , een household allowance en een tax-adjustment. Belanghebbende heeft op [geboortedatum] 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt sindsdien een ouderdomspensioen van de [organisatie] , een household allowance en een tax-adjustment. 2.3. Bij de definitieve aanslagoplegging over de jaren 2012 en 2013 is de aanslag conform de aangifte opgelegd waarbij kort gezegd het invaliditeitspensioen is aangegeven en belast als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Voor 2012 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.437 en voor 2013 € 46.089. Wat betreft de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangiften IB/PVV. De inspecteur heeft over alle jaren de door de [organisatie] betaalde gelden inclusief de household allowance en het taxadjustment aangemerkt als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) en heeft ter zake van de pensioenaanspraak geen inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in aanmerking genomen. De belastbare inkomens uit werk en woning zijn als volgt vastgesteld: - 2014: € 48.165; - 2015: € 50.175; - 2017: € 55.988; - 2018: € 61.475. 2.4. In de bestreden uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen over de jaren 2012 tot en met 2015 gehandhaafd. Voor de jaren 2017 en 2018 heeft de inspecteur het [organisatie] ouderdomspensioen belast conform de uitgangspunten van het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties (hierna: het Besluit) . Het [organisatie] pensioen (exclusief household allowance en tax-adjustment) is voor twee derde (2/3) deel belast als inkomen uit werk en woning (box 1) en voor een derde (1/3) deel belast als inkomen uit sparen en beleggen (box 3). In box 3 is voor de bepaling van de waarde van de pensioenaanspraak uitgegaan van de uitgangspunten zoals vermeld in artikel 19 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001). De household allowance en tax-adjustment zijn volledig belast in box 1. Voor 2017 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 39.245 en de grondslag sparen en beleggen op € 126.983. Belanghebbendes aandeel hierin is vastgesteld op € 55.226. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 1.585. Voor 2018 heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 44.330 en de grondslag sparen en beleggen op € 99.609. Belanghebbendes aandeel hierin is vastgesteld op € 99.609. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 2.671. 2.5. Het Besluit is met ingang van 24 augustus 2022 in werking getreden en bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van Gecoördineerde Internationale Organisaties.
Volledig
Wat betreft invaliditeitspensioenen bepaalt het Besluit in paragraaf 4.3.5.: “Omdat bij invaliditeitspensioenen veel minder een verband bestaat tussen de betaalde premies en de ontvangen uitkeringen, waarbij mede van belang kan zijn of het invaliditeitspensioen op risicobasis is gefinancierd, gelden de hiervoor beschreven uitgangspunten niet voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het derhalve onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren.”. 2.6. Belanghebbende is tegen de aanslagen opgekomen omdat hij het, kort gezegd, niet eens is met de wijze waarop het [organisatie] invaliditeits- en ouderdomspensioen in de inkomstenbelastingheffing zijn betrokken. 2.7. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van de Association of pensioned staff of the co-ordinated organisations and of their dependants (AAPOCAD) van 29 mei 2023. Daarin is voor zover hier van belang het volgende geschreven: “The types of pension payable under the Rules are the following: retirement pension, invalidity pension, survivor's and reversion pension, and orphan and dependant pension, including family allowances. All aspects of these costs are calculated together and together lead to determination of the percentage of the salary to be paid as contribution to the Scheme. Therefore, no distinction in character can be made between a retirement pension and an invalidity pension as is done in the Netherlands. (Under the Coordinated Pension Scheme, the distinction exists in any case only in name until the age of 65, when an entitlement to an invalidity pension de facto reverts to the same pension that is then a retirement pension). Furthermore, the household allowance is calculated as integral to the pension and cannot be separated from it, nor is it separated in the yearly declaration of retirement benefits to national tax authorities.”. 2.8. Voorts heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van [persoon] , Head of the International Service for Remunerations & Pensions, van 29 april 2024, waarin het volgende is opgenomen: “In this context, we can certify that the ISRP has been consistently instructed by the Dutch Ministry of Finance not to make any difference in the calculation of the tax adjustment for different pensions paid in accordance with the pension rules: whatever the pension (retirement, invalidity, survivor, reversion, orphan, other dependent), the tax adjustment is to be calculated according to the strictly same formula.”. 2.9. De rechtbank heeft de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 verminderd in die zin dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op nihil is vastgesteld. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Hoger beroep belanghebbende: 1) Is het invaliditeitspensioen belastbaar in Nederland? 2) Indien het invaliditeitspensioen in Nederland is belast, dient de belastingheffing dan op dezelfde wijze plaats te vinden als het ouderdomspensioen in de latere jaren? 3) Dient het ouderdomspensioen te worden belast overeenkomstig de systematiek in de uitspraak van het hof van 24 september 2025 ? 4) Dienen de tax-adjustment en de houshold allowance op dezelfde wijze in de heffing te worden betrokken als het invaliditeits- respectievelijk ouderdomspensioen? Hoger beroep inspecteur: Ter zitting heeft de inspecteur het hoger beroep ingetrokken. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststelling van de aanslagen overeenkomstig zijn standpunt. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. en 2. Invaliditeitspensioen 4.1. Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat – nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het invaliditeitspensioen geen pensioen is – er ook geen heffing kan plaatsvinden op grond van artikel 3.82, letter c, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). 4.2. Het hof is van oordeel dat er een relevant verschil is tussen een invaliditeitspensioen en een ouderdomspensioen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is bij een invaliditeitspensioen sprake van een risicoverzekering waarbij geen opbouw van aanspraken plaatsvindt. Het voordeel vloeit wel voort uit het dienstverband met de [organisatie] en is in beginsel belast op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001 (inkomsten uit vroegere dienstbetrekking). Zo daarover al getwijfeld zou kunnen worden, dan is het voordeel evenzeer belast op grond van artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001. Daaraan doet niet af dat het karakter van een invaliditeitspensioen anders is dan van een ouderdomspensioen. In artikel 1.7, lid 2, letter d, Wet IB 2001 wordt voor de toepassing van de Wet IB 2001 onder pensioenregeling ook verstaan een pensioenregeling van een internationale organisatie. Het invaliditeitspensioen maakt onderdeel uit van de [organisatie] -pensioenregeling. Het voordeel is dan ook terecht belast. 4.3. Belanghebbende stelt voorts dat het invaliditeitspensioen op dezelfde wijze moet worden belast als het ouderdomspensioen en doet daarbij een beroep op de uitspraak van het hof van 24 september 2025. Belanghebbende stelt dat als gevolg hiervan het invaliditeitspensioen net als het ouderdomspensioen moet worden opgesplitst in opbouwperioden, zoals voortvloeit uit het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009. 4.4. Het hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Zoals hiervoor is aangegeven is er een wezenlijk verschil tussen het invaliditeitspensioen en het ouderdomspensioen. Het invaliditeitspensioen vormt geen pensioen dat via jaarlijkse premiebetaling wordt opgebouwd. Van een splitsing in opbouwperioden als bedoeld in de uitspraak van het hof van 24 september 2025 kan dan ook geen sprake zijn. Het invaliditeitspensioen is dan ook volledig belast in de jaren waarin het wordt uitgekeerd. Dit geldt evenzeer voor de household allowance en de tax-adjustment die belanghebbende samen met het invaliditeitspensioen ontvangt (zie ook r.o. 4.13 hierna). 4.5. Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op het Besluit. Ook deze stelling faalt, aangezien in paragraaf 4.3.5 van het Besluit uitdrukkelijk is bepaald dat de uitgangspunten uit het Besluit niet van toepassing zijn op invaliditeitspensioenen. Een splitsing van het invaliditeitspensioen waarbij een deel in box 1 en een deel in box 3 wordt belast, is dan ook niet aan de orde. Het geheel is belast in box 1. De visie van AAPOCAD leidt niet tot een ander oordeel. Dit is een belangenorganisatie en zij zijn niet bevoegd om bindende uitspraken te doen over de uitleg van het Nederlandse belastingrecht. Ook de onder 2.8 vermelde verklaring leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring kan geenszins worden afgeleid dat het Ministerie van Financiën heeft verklaard dat het invaliditeitspensioen en het ouderdomspensioen op dezelfde wijze in de belastingheffing zullen worden betrokken. Er is alleen verklaard dat voor de berekening van de tax-adjustment geen verschil moet worden gemaakt tussen de verschillende pensioenen. Die verklaring is logisch in de gedachte dat het ouderdomspensioen in beginsel ook in box 1 zal worden belast op grond van artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001. Een eventuele afwijking op grond van de tegenbewijsregeling in die bepaling of op grond van een verzoek om toepassing van het Besluit, betreffen individuele aangelegenheden waarmee in algemene zin geen rekening kan worden gehouden. Van een handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. 3. Ouderdomspensioen 4.6. Belanghebbende heeft in het nadere stuk van 29 december 2025 alsnog een beroep gedaan op de uitspraak van het hof van 24 september 2025. In afwijking van eerder ingenomen standpunten, doet belanghebbende dus geen beroep op het Besluit. Op grond van de uitspraak van het hof van 24 september 2025, dient een splitsing te worden aangebracht al naar gelang in welke jaren opbouw van het ouderdomspensioen heeft plaatsgevonden. 4.7.
Volledig
Wat betreft invaliditeitspensioenen bepaalt het Besluit in paragraaf 4.3.5.: “Omdat bij invaliditeitspensioenen veel minder een verband bestaat tussen de betaalde premies en de ontvangen uitkeringen, waarbij mede van belang kan zijn of het invaliditeitspensioen op risicobasis is gefinancierd, gelden de hiervoor beschreven uitgangspunten niet voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het derhalve onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren.”. 2.6. Belanghebbende is tegen de aanslagen opgekomen omdat hij het, kort gezegd, niet eens is met de wijze waarop het [organisatie] invaliditeits- en ouderdomspensioen in de inkomstenbelastingheffing zijn betrokken. 2.7. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van de Association of pensioned staff of the co-ordinated organisations and of their dependants (AAPOCAD) van 29 mei 2023. Daarin is voor zover hier van belang het volgende geschreven: “The types of pension payable under the Rules are the following: retirement pension, invalidity pension, survivor's and reversion pension, and orphan and dependant pension, including family allowances. All aspects of these costs are calculated together and together lead to determination of the percentage of the salary to be paid as contribution to the Scheme. Therefore, no distinction in character can be made between a retirement pension and an invalidity pension as is done in the Netherlands. (Under the Coordinated Pension Scheme, the distinction exists in any case only in name until the age of 65, when an entitlement to an invalidity pension de facto reverts to the same pension that is then a retirement pension). Furthermore, the household allowance is calculated as integral to the pension and cannot be separated from it, nor is it separated in the yearly declaration of retirement benefits to national tax authorities.”. 2.8. Voorts heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van [persoon] , Head of the International Service for Remunerations & Pensions, van 29 april 2024, waarin het volgende is opgenomen: “In this context, we can certify that the ISRP has been consistently instructed by the Dutch Ministry of Finance not to make any difference in the calculation of the tax adjustment for different pensions paid in accordance with the pension rules: whatever the pension (retirement, invalidity, survivor, reversion, orphan, other dependent), the tax adjustment is to be calculated according to the strictly same formula.”. 2.9. De rechtbank heeft de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 verminderd in die zin dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op nihil is vastgesteld. 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Hoger beroep belanghebbende: 1) Is het invaliditeitspensioen belastbaar in Nederland? 2) Indien het invaliditeitspensioen in Nederland is belast, dient de belastingheffing dan op dezelfde wijze plaats te vinden als het ouderdomspensioen in de latere jaren? 3) Dient het ouderdomspensioen te worden belast overeenkomstig de systematiek in de uitspraak van het hof van 24 september 2025 ? 4) Dienen de tax-adjustment en de houshold allowance op dezelfde wijze in de heffing te worden betrokken als het invaliditeits- respectievelijk ouderdomspensioen? Hoger beroep inspecteur: Ter zitting heeft de inspecteur het hoger beroep ingetrokken. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststelling van de aanslagen overeenkomstig zijn standpunt. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 1. en 2. Invaliditeitspensioen 4.1. Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat – nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het invaliditeitspensioen geen pensioen is – er ook geen heffing kan plaatsvinden op grond van artikel 3.82, letter c, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). 4.2. Het hof is van oordeel dat er een relevant verschil is tussen een invaliditeitspensioen en een ouderdomspensioen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is bij een invaliditeitspensioen sprake van een risicoverzekering waarbij geen opbouw van aanspraken plaatsvindt. Het voordeel vloeit wel voort uit het dienstverband met de [organisatie] en is in beginsel belast op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001 (inkomsten uit vroegere dienstbetrekking). Zo daarover al getwijfeld zou kunnen worden, dan is het voordeel evenzeer belast op grond van artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001. Daaraan doet niet af dat het karakter van een invaliditeitspensioen anders is dan van een ouderdomspensioen. In artikel 1.7, lid 2, letter d, Wet IB 2001 wordt voor de toepassing van de Wet IB 2001 onder pensioenregeling ook verstaan een pensioenregeling van een internationale organisatie. Het invaliditeitspensioen maakt onderdeel uit van de [organisatie] -pensioenregeling. Het voordeel is dan ook terecht belast. 4.3. Belanghebbende stelt voorts dat het invaliditeitspensioen op dezelfde wijze moet worden belast als het ouderdomspensioen en doet daarbij een beroep op de uitspraak van het hof van 24 september 2025. Belanghebbende stelt dat als gevolg hiervan het invaliditeitspensioen net als het ouderdomspensioen moet worden opgesplitst in opbouwperioden, zoals voortvloeit uit het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009. 4.4. Het hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Zoals hiervoor is aangegeven is er een wezenlijk verschil tussen het invaliditeitspensioen en het ouderdomspensioen. Het invaliditeitspensioen vormt geen pensioen dat via jaarlijkse premiebetaling wordt opgebouwd. Van een splitsing in opbouwperioden als bedoeld in de uitspraak van het hof van 24 september 2025 kan dan ook geen sprake zijn. Het invaliditeitspensioen is dan ook volledig belast in de jaren waarin het wordt uitgekeerd. Dit geldt evenzeer voor de household allowance en de tax-adjustment die belanghebbende samen met het invaliditeitspensioen ontvangt (zie ook r.o. 4.13 hierna). 4.5. Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op het Besluit. Ook deze stelling faalt, aangezien in paragraaf 4.3.5 van het Besluit uitdrukkelijk is bepaald dat de uitgangspunten uit het Besluit niet van toepassing zijn op invaliditeitspensioenen. Een splitsing van het invaliditeitspensioen waarbij een deel in box 1 en een deel in box 3 wordt belast, is dan ook niet aan de orde. Het geheel is belast in box 1. De visie van AAPOCAD leidt niet tot een ander oordeel. Dit is een belangenorganisatie en zij zijn niet bevoegd om bindende uitspraken te doen over de uitleg van het Nederlandse belastingrecht. Ook de onder 2.8 vermelde verklaring leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring kan geenszins worden afgeleid dat het Ministerie van Financiën heeft verklaard dat het invaliditeitspensioen en het ouderdomspensioen op dezelfde wijze in de belastingheffing zullen worden betrokken. Er is alleen verklaard dat voor de berekening van de tax-adjustment geen verschil moet worden gemaakt tussen de verschillende pensioenen. Die verklaring is logisch in de gedachte dat het ouderdomspensioen in beginsel ook in box 1 zal worden belast op grond van artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001. Een eventuele afwijking op grond van de tegenbewijsregeling in die bepaling of op grond van een verzoek om toepassing van het Besluit, betreffen individuele aangelegenheden waarmee in algemene zin geen rekening kan worden gehouden. Van een handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. 3. Ouderdomspensioen 4.6. Belanghebbende heeft in het nadere stuk van 29 december 2025 alsnog een beroep gedaan op de uitspraak van het hof van 24 september 2025. In afwijking van eerder ingenomen standpunten, doet belanghebbende dus geen beroep op het Besluit. Op grond van de uitspraak van het hof van 24 september 2025, dient een splitsing te worden aangebracht al naar gelang in welke jaren opbouw van het ouderdomspensioen heeft plaatsgevonden. 4.7.
Volledig
Partijen zijn het erover eens dat in dat geval de opbouw als volgt verdeeld kan worden: - deel 1: 1 mei 1985 tot 1 januari 1995 116/250ste deel; - deel 2: 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 72/250ste deel; - deel 3: 1 januari 2001 tot 1 maart 2006 62/250ste deel. 4.8. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van 24 september 2025 ten aanzien van de vraag of de pensioenregeling in de periode tot 1 januari 1995 onzuiver was, onjuist is en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2026 , waarvan hij afschriften heeft overgelegd. 4.9. Het hof onderschrijft het oordeel van het hof in de uitspraak van 24 september 2025 over de onzuiverheid van de pensioenregeling en neemt de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen over. 4.10. Uitgaande van dit oordeel is deel 1 van de uitkering niet belast. Op deel 2 is de saldomethode van toepassing en deel 3 is geheel belast in box 1. 4.11. Voor de toepassing van de saldomethode wordt de waarde van de tegenprestatie verminderd met hetgeen waarvoor in verband met de verkrijging van dat recht een vrijstelling van inkomstenbelasting gold ingevolge bepalingen van internationaal recht. Aangezien het loon van belanghebbende in de jaren 1995 tot en met 2000 was vrijgesteld van inkomstenbelasting, dient de waarde van de tegenprestatie te worden verminderd met de bijdrage van de werkgever, de [organisatie] . Het andersluidende standpunt van belanghebbende verwerpt het hof. De eigen bijdrage die belanghebbende zelf heeft voldaan, leidt niet tot een vermindering van de tegenprestatie. Het andersluidende standpunt van de inspecteur, dat de tegenprestatie met de eigen bijdrage moet worden verminderd, verwerpt het hof. Het hof wijst daarbij naar de parlementaire stukken, waarin artikel 25, lid, letter g, Wet IB 1964 wordt toegelicht: “Dit systeem zou over zijn doel heenschieten ingeval sprake is van een oneigenlijk pensioen waarvan de aanspraak derhalve tot het loon behoort, maar waarbij over dat loon feitelijk niet is geheven omdat hetzij de belastingheffing daarover bij een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is toegewezen aan een andere staat, hetzij het loon is vrijgesteld van loon– en inkomstenbelasting ingevolge bepalingen van internationaal recht. In dat geval zou, zonder nadere regelgeving, bij de desbetreffende in Nederland wonende gepensioneerde het pensioen belastingvrij zijn zolang de waarde van de prestatie niet is overtroffen, hoewel die prestatie destijds niet met Nederlandse loon– of inkomstenbelasting is belast. De bepaling onder 2° voorkomt dit door voor de saldomethode een dergelijke aanspraak in mindering te brengen op de waarde van de prestatie. Omdat deze bepaling op haar beurt over het doel zou heenschieten ingeval in het buitenland of door een internationale organisatie wel over de aanspraak is geheven, is in het nieuwe negende lid bepaald dat de in het eerste lid, onderdeel g, onder 2°, bedoelde vermindering niet geldt voor zover over de waarde van de verkrijging, in loonbelastingtermen: de aanspraak, daadwerkelijk belasting is geheven die naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse loon– of inkomstenbelasting, dan wel dat de verkrijging niet heeft geleid tot verlaging van zodanige daadwerkelijk geheven belasting. De aard van laatstbedoelde bepaling brengt mee dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zodanige heffing heeft plaatsgevonden, dan wel dat die verkrijging niet heeft geleid tot verlaging van zodanige belasting. Het bepaalde in het negende lid vindt geen toepassing als bij vrijstelling van loon– en inkomstenbelasting ingevolge bepalingen van internationaal recht de internationale organisatie geen heffing toepast die vergelijkbaar is met de loon– of inkomstenbelasting.”. Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat het gaat om de vraag of over de verkregen aanspraak al dan niet belasting is geheven. Dat kan slechts zien op de aanspraak voor zover deze wordt bekostigd door premies die zijn voldaan door de werkgever. Het zou ook in strijd met doel en strekking van de saldomethode zijn als geheven wordt over de door de werknemer zelf voldane premies die niet tot enige verlaging van in het verleden verschuldigde belasting heeft geleid. 4.12. De in de jaren 1995 tot en met 2000 door belanghebbende betaalde pensioenpremie was als volgt: Jaar Pensioenpremie (guldens) Pensioenpremie (euro’s) 1995 f 7.128 € 3.235 1996 f 7.361 € 3.341 1997 f 7.728 € 3.507 1998 f 8.086 € 3.670 1999 f 8.374 € 3.800 2000 f 8.983 € 4.077 Totaal € 21.630 4. Household allowance en tax-adjustment 4.13. Het hof is van oordeel dat de household allowance en de tax-adjustment een integraal onderdeel vormen van het pensioen(recht). Het hof verwijst naar zijn uitspraak van 24 september 2025. Dit betekent dat ten tijde van het ontvangen van het invaliditeitspensioen deze uitkeringen evenals het invaliditeitspensioen zijn belast in box 1. Vanaf de ontvangst van het ouderdomspensioen, worden deze uitkeringen op dezelfde wijze belast als het ouderdomspensioen. Uitkomst voor de heffing 4.14. Het jaar 2016 vormt geen onderwerp van geschil in deze zaken, maar uit het nadere stuk van belanghebbende van 29 december 2025 volgt dat het totale [organisatie] -pensioen in dat jaar € 61.447 bedroeg. Het ouderdomspensioen is ingegaan per [geboortedatum] 2016. Dit betekent dat 3,5/12-deel van het totale pensioen van € 61.447 is aan te merken als ouderdomspensioen, dat wil zeggen € 17.922. Hiervan moet 72/250-deel via de saldomethode worden belast: € 5.161. Aangezien de totaal door belanghebbende betaalde pensioenpremie € 21.630 bedraagt (zie 4.12), resteert voor de jaren 2017 en verder nog een in aanmerking te nemen tegenprestatie van € 16.469 (€ 21.630 -/- € 5.161). 4.15. Al het voorgaande heeft de volgende gevolgen voor de heffing over de verschillende jaren: Jaar 2012 2013 2014 2015 2017 2018 [organisatie] -pensioen € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 63.637 € 65.396 deel 1 – 116/250 - - - - € 29.528 € 30.344 deel 2 – 72/250 - - - - € 18.327 € 18.834 deel 3 – 62/250 - - - - € 15.782 € 16.218 Totaal € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 63.637 € 65.396 Inkomen Box 1- deel 2 - - - - € 1.858* € 18.834 Inkomen Box 1- deel 3 - - - - € 15.782 € 16.218 AOW-pensioen Box 1 - - - - € 1.873 € 3.695 Totaal inkomen Box 1 € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 19.513 € 38.747 Aftrekbaar eigen woning € 12.642 € 12.555 € 11.396 € 11.184 € 9.522 € 7.616 Verrekenbaar verlies € 36.682 - - - - - Belastbaar inkomen Box 1 € 7.437 € 46.089 € 48.165 € 50.175 € 9.991 € 31.131 * = deel 2 van € 18.327 -/- de nog in aanmerking te nemen tegenprestatie van € 16.469 4.16. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep inzake de aanslagen 2012, 2013, 2014 en 2015 ongegrond is. Het hoger beroep inzake de aanslagen 2017 en 2018 is gegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.17. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. 4.18. De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559 ten aanzien van het door hem ingestelde en vervolgens ingetrokken hoger beroep. Ten aanzien van de proceskosten 4.19. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van de hoger beroepen bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het door de inspecteur ingestelde hoger beroep is ingetrokken.. 4.20. Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld dan wel het hoger beroep van de inspecteur is ingetrokken. 4.21. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 4.203. 4.22. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Volledig
Partijen zijn het erover eens dat in dat geval de opbouw als volgt verdeeld kan worden: - deel 1: 1 mei 1985 tot 1 januari 1995 116/250ste deel; - deel 2: 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 72/250ste deel; - deel 3: 1 januari 2001 tot 1 maart 2006 62/250ste deel. 4.8. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van 24 september 2025 ten aanzien van de vraag of de pensioenregeling in de periode tot 1 januari 1995 onzuiver was, onjuist is en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 27 februari 2026 , waarvan hij afschriften heeft overgelegd. 4.9. Het hof onderschrijft het oordeel van het hof in de uitspraak van 24 september 2025 over de onzuiverheid van de pensioenregeling en neemt de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen over. 4.10. Uitgaande van dit oordeel is deel 1 van de uitkering niet belast. Op deel 2 is de saldomethode van toepassing en deel 3 is geheel belast in box 1. 4.11. Voor de toepassing van de saldomethode wordt de waarde van de tegenprestatie verminderd met hetgeen waarvoor in verband met de verkrijging van dat recht een vrijstelling van inkomstenbelasting gold ingevolge bepalingen van internationaal recht. Aangezien het loon van belanghebbende in de jaren 1995 tot en met 2000 was vrijgesteld van inkomstenbelasting, dient de waarde van de tegenprestatie te worden verminderd met de bijdrage van de werkgever, de [organisatie] . Het andersluidende standpunt van belanghebbende verwerpt het hof. De eigen bijdrage die belanghebbende zelf heeft voldaan, leidt niet tot een vermindering van de tegenprestatie. Het andersluidende standpunt van de inspecteur, dat de tegenprestatie met de eigen bijdrage moet worden verminderd, verwerpt het hof. Het hof wijst daarbij naar de parlementaire stukken, waarin artikel 25, lid, letter g, Wet IB 1964 wordt toegelicht: “Dit systeem zou over zijn doel heenschieten ingeval sprake is van een oneigenlijk pensioen waarvan de aanspraak derhalve tot het loon behoort, maar waarbij over dat loon feitelijk niet is geheven omdat hetzij de belastingheffing daarover bij een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is toegewezen aan een andere staat, hetzij het loon is vrijgesteld van loon– en inkomstenbelasting ingevolge bepalingen van internationaal recht. In dat geval zou, zonder nadere regelgeving, bij de desbetreffende in Nederland wonende gepensioneerde het pensioen belastingvrij zijn zolang de waarde van de prestatie niet is overtroffen, hoewel die prestatie destijds niet met Nederlandse loon– of inkomstenbelasting is belast. De bepaling onder 2° voorkomt dit door voor de saldomethode een dergelijke aanspraak in mindering te brengen op de waarde van de prestatie. Omdat deze bepaling op haar beurt over het doel zou heenschieten ingeval in het buitenland of door een internationale organisatie wel over de aanspraak is geheven, is in het nieuwe negende lid bepaald dat de in het eerste lid, onderdeel g, onder 2°, bedoelde vermindering niet geldt voor zover over de waarde van de verkrijging, in loonbelastingtermen: de aanspraak, daadwerkelijk belasting is geheven die naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse loon– of inkomstenbelasting, dan wel dat de verkrijging niet heeft geleid tot verlaging van zodanige daadwerkelijk geheven belasting. De aard van laatstbedoelde bepaling brengt mee dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zodanige heffing heeft plaatsgevonden, dan wel dat die verkrijging niet heeft geleid tot verlaging van zodanige belasting. Het bepaalde in het negende lid vindt geen toepassing als bij vrijstelling van loon– en inkomstenbelasting ingevolge bepalingen van internationaal recht de internationale organisatie geen heffing toepast die vergelijkbaar is met de loon– of inkomstenbelasting.”. Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat het gaat om de vraag of over de verkregen aanspraak al dan niet belasting is geheven. Dat kan slechts zien op de aanspraak voor zover deze wordt bekostigd door premies die zijn voldaan door de werkgever. Het zou ook in strijd met doel en strekking van de saldomethode zijn als geheven wordt over de door de werknemer zelf voldane premies die niet tot enige verlaging van in het verleden verschuldigde belasting heeft geleid. 4.12. De in de jaren 1995 tot en met 2000 door belanghebbende betaalde pensioenpremie was als volgt: Jaar Pensioenpremie (guldens) Pensioenpremie (euro’s) 1995 f 7.128 € 3.235 1996 f 7.361 € 3.341 1997 f 7.728 € 3.507 1998 f 8.086 € 3.670 1999 f 8.374 € 3.800 2000 f 8.983 € 4.077 Totaal € 21.630 4. Household allowance en tax-adjustment 4.13. Het hof is van oordeel dat de household allowance en de tax-adjustment een integraal onderdeel vormen van het pensioen(recht). Het hof verwijst naar zijn uitspraak van 24 september 2025. Dit betekent dat ten tijde van het ontvangen van het invaliditeitspensioen deze uitkeringen evenals het invaliditeitspensioen zijn belast in box 1. Vanaf de ontvangst van het ouderdomspensioen, worden deze uitkeringen op dezelfde wijze belast als het ouderdomspensioen. Uitkomst voor de heffing 4.14. Het jaar 2016 vormt geen onderwerp van geschil in deze zaken, maar uit het nadere stuk van belanghebbende van 29 december 2025 volgt dat het totale [organisatie] -pensioen in dat jaar € 61.447 bedroeg. Het ouderdomspensioen is ingegaan per [geboortedatum] 2016. Dit betekent dat 3,5/12-deel van het totale pensioen van € 61.447 is aan te merken als ouderdomspensioen, dat wil zeggen € 17.922. Hiervan moet 72/250-deel via de saldomethode worden belast: € 5.161. Aangezien de totaal door belanghebbende betaalde pensioenpremie € 21.630 bedraagt (zie 4.12), resteert voor de jaren 2017 en verder nog een in aanmerking te nemen tegenprestatie van € 16.469 (€ 21.630 -/- € 5.161). 4.15. Al het voorgaande heeft de volgende gevolgen voor de heffing over de verschillende jaren: Jaar 2012 2013 2014 2015 2017 2018 [organisatie] -pensioen € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 63.637 € 65.396 deel 1 – 116/250 - - - - € 29.528 € 30.344 deel 2 – 72/250 - - - - € 18.327 € 18.834 deel 3 – 62/250 - - - - € 15.782 € 16.218 Totaal € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 63.637 € 65.396 Inkomen Box 1- deel 2 - - - - € 1.858* € 18.834 Inkomen Box 1- deel 3 - - - - € 15.782 € 16.218 AOW-pensioen Box 1 - - - - € 1.873 € 3.695 Totaal inkomen Box 1 € 56.761 € 58.644 € 59.561 € 61.359 € 19.513 € 38.747 Aftrekbaar eigen woning € 12.642 € 12.555 € 11.396 € 11.184 € 9.522 € 7.616 Verrekenbaar verlies € 36.682 - - - - - Belastbaar inkomen Box 1 € 7.437 € 46.089 € 48.165 € 50.175 € 9.991 € 31.131 * = deel 2 van € 18.327 -/- de nog in aanmerking te nemen tegenprestatie van € 16.469 4.16. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep inzake de aanslagen 2012, 2013, 2014 en 2015 ongegrond is. Het hoger beroep inzake de aanslagen 2017 en 2018 is gegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.17. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. 4.18. De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 559 ten aanzien van het door hem ingestelde en vervolgens ingetrokken hoger beroep. Ten aanzien van de proceskosten 4.19. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van de hoger beroepen bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het door de inspecteur ingestelde hoger beroep is ingetrokken.. 4.20. Daarbij wordt uitgegaan van vier samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld dan wel het hoger beroep van de inspecteur is ingetrokken. 4.21. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is in totaal € 4.203. 4.22. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.