Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-01-16
ECLI:NL:GHSHE:2026:119
Parketnummer : 20-003308-23 Uitspraak : 16 januari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-140797-23 tegen: [verdachte] , statutair gevestigd te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (hof: ziende op overschrijding van het fosfaatrecht in het kalenderjaar 2019, zoals tenlastegelegd onder 1); overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (hof: ziende op overschrijding van het fosfaatrecht in het kalenderjaar 2020, zoals tenlastegelegd onder 2), veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 7.500,00. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2 en de verdachte zal veroordelen tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 7.500,00, waarvan € 3.750,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdediging heeft primair integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit, subsidiair is verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en meer subsidiair, in geval van een veroordeling, is verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijk geldboete. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen en met uitzondering van de strafoplegging. Gelet daarop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen. Aanvulling van de bewijsmiddelen Naast de door de economische politierechter gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgesomd opgenomen op pagina 6 van het beroepen vonnis, komt de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 mede te berusten op de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025. Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen alle redengevende bewijsmiddelen uitgewerkt worden opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling aan dit arrest zal worden gehecht. De economische politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Aanvulling van de bewijsoverwegingen De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is primair aangevoerd dat de verdachte van mening is dat zij telkens minder fosfaat heeft geproduceerd dan het in het desbetreffende kalenderjaar geregistreerde fosfaatrecht. Het melkveebedrijf realiseert feitelijk een veel lagere mestproductie dan forfaitair is vastgesteld en dan het geregistreerde fosfaatrecht. De verdediging is van oordeel dat de fosfaatproductie dient te worden berekend aan de hand van de KringloopWijzer, die uitgaat van een feitelijke bedrijfsspecifieke excretie, en niet op grond van de berekenings-systematiek die de NVWA heeft gehanteerd. Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat, zelfs als van Betrouwbaarheid productiecijfers Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de gegevens uit de melkrobots van [bedrijf] onbetrouwbaar zijn omdat deze niet zijn geijkt, overweegt het hof in de eerste plaats dat de verdachte zelf verantwoordelijk is voor een juiste registratie van de melkproductie. Hoewel uit het door de verdediging overgelegde e-mailbericht d.d. 15 november 2023 van [medewerker] van [bedrijf] volgt dat de verdachte sinds eind 2017 geen serviceovereenkomst bij [bedrijf] meer heeft, is naar het oordeel van het hof op geen enkele manier in het onderhavige onderzoek gebleken dat de melkproductie-gegevens van de kalenderjaren 2019 en 2020 onbetrouwbaar zijn. Sterker nog: de bestuurder [vertegenwoordiger] als vertegenwoordiger van de verdachte, heeft in zijn verhoor op 12 augustus 2021 ten overstaan van de buitengewoon opsporingsambtenaren [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] verklaard dat de (hem in het verhoor gepresenteerde) gegevens betreffende de door de [bedrijf] melkrobots geregistreerde melkproductie over de jaren 2019 en 2020 wel zullen kloppen. Het hof is dan ook van oordeel dat van die gegevens kan en dient te worden uitgegaan. Daderschap rechtspersoon, opzet en materiële wederrechtelijkheid Volgens de wetsgeschiedenis en bestendige jurisprudentie kan een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan (onder andere) sprake zijn indien de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte een landbouwer is, op het bedrijf melkvee houdt en derhalve dierlijke meststoffen produceert. Het produceren van dierlijke meststoffen met melkvee past derhalve in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Gelet hierop, kunnen de handelingen, in dit geval het meer produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, aan de verdachte worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hierop ook voorwaardelijk opzet gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025 heeft de vertegenwoordiger van de verdachte verklaard dat hij ten aanzien van de fosfaatproductie “op gevoel” heeft gehandeld, terwijl hij in verhoor bij de NVWA heeft verklaard dat hij wel wist dat “we goed molken, maar niet dat het zó hoog was”. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wel wist dat de melkproductie aan de hoge kant lag maar niettemin heeft nagelaten het verloop van de hoeveelheid geproduceerde melk in verhouding tot het fosfaatrecht waarover de verdachte beschikte, in de gaten te houden. Bovendien verklaarde de vertegenwoordiger ter terechtzitting in hoger beroep dat hij niet heeft geïnformeerd naar de wettelijke verplichtingen die het bedrijf diende na te leven. Door daarvan af te wijken en uit te gaan van de (niet door de Minister als toegelaten rekenmethode aangewezen) KringloopWijzer, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het bedrijf meer fosfaat zou produceren dan het rechten had. Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de wetgever bepaald dat op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording moet worden afgelegd. Ten aanzien van het verweer dat de verdachte mogelijk het op het bedrijf rustende fosfaatrecht feitelijk niet daadwerkelijk zou hebben overschreden indien zou worden uitgegaan van de fosfaatproductie berekend aan de hand van de KringloopWijzer en derhalve geen sprake zou zijn van materiële wederrechtelijkheid, overweegt het hof dat die berekeningsmethode – zo de daaraan ten grondslag liggende gegevens al juist zouden zijn – expliciet door de wetgever is uitgesloten. Derhalve is het hof van oordeel dat er geen grond is voor ontslag van alle rechtsvervolging. He