Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-29
ECLI:NL:GHSHE:2026:1187
Strafrecht
Hoger beroep
12,122 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 text/xml public 2026-05-19T10:51:40 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-29 20-002643-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Wetboek van Strafrecht 300 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 text/html public 2026-05-13T10:01:26 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-04-2026 / 20-002643-24 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling naar aanleiding van een verkeersruzie, waarbij de verdachte het slachtoffer in een nekklem heeft gehouden. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 904,01. Parketnummer : 20-002643-24 Uitspraak : 29 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-134710-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’ , de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 904,01, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zullen worden aangevuld. Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Waalwijk, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te duwen en/of in een nekklem te pakken/houden en/of/althans bij de nek vast te pakken/houden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: op 6 maart 2024 te Waalwijk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en in een nekklem te pakken/houden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024058239, gesloten d.d. 22 april 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 50). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2024, met bijlagen, (pg. 6-20), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] : (p.6) Ik doe aangifte van mishandeling. Op 6 maart 2024 reed ik met mijn BMW richting de Kleiweg te Waalwijk. Op de Havenweg reed ik rechtsaf over een punaisedrempel naar rechts. Ineens kwam er links langs mij heen een zwarte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] voor mijn auto op de rem. De auto ging midden op de weg stil staan. De portier van rijderskant ging open en een man stapte de Volkswagen auto uit. De man liep met handgebaren en een flinke pas naar mij toe en ik stapte zelf de auto uit. Ik hoorde de man op een agressieve manier iets zeggen. De man kwam op mij af en ging neus aan neus voor mij staan en begon mij te duwen met twee vuisten tegen mijn borstkas. Na twee keer duwen zag ik van links en rechts een vuistslag op mij afkomen op de bovenkant van mijn lichaam. Mijn hoofd kwam in een nekklem in zijn rechterarm. (p.7) Op de terugweg naar huis merkte ik dat mijn rechter pink pijn deed en mijn rechteroog. Ik heb een dashcam en kon de beelden terugzien met betreffende de auto en de man. Bij de huisarts had de dokter het vermoeden dat mijn pink gebroken was en moest ik foto's laten maken. Diezelfde avond kreeg ik hoofdpijn en heb de dokter na gebeld. Ik had een lichte hersenschudding. Ik lever u het dashcam filmpje. Ik lever u de foto's van letsel aan en de medische verklaring van de dokter. 2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2024 (pg. 26-28), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : (p. 26) Op 6 maart 2024 tussen 15:50 en 16:38 uur heeft er een mishandeling plaatsgevonden waarbij door de aangever dashcam beelden zijn verstrekt waarop het voertuig van de verdachte en de verdachte te zien zijn. De beelden zijn helder en duidelijk en genomen vanuit binnenzijde van de voorzijde van het voertuig van de aangever. Ik zie dat de aangever rijdt over de openbare weg en een kruising nadert. Ik zie dat de aangever rechtsaf slaat en zijn weg vervolgt. Hierbij wordt hij links ingehaald door een zwarte Volkswagen Golf voorzien van het kenteken: [kenteken] . De zwarte Volkswagen gaat nadat hij het voertuig van de aangever heeft ingehaald voor het voertuig van de aangever rijden. Vervolgens zie ik dat de remlichten van de zwarte Golf knipperen en dat het voertuig tot stilstand wordt gebracht. Als het voertuig stilstaat stapt de bestuurder van de Golf uit zijn voertuig en loopt in de richting van het voertuig van de aangever welke eveneens stilstaat. De verdachte is continu bewegingen aan het maken met zijn rechterhand. En hij is iets aan het zeggen/roepen. Dan staat de verdachte naast het voertuig van de aangever en is er verder geen beeld meer. 3. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 7 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] : Raadsheer-commissaris: De heer [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij op 6 maart 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld. Raadsman: U fietste weg bij het werk. Was dat alleen? Getuige: Nee samen met mijn collega [getuige 2] . Raadsman: En toen? Getuige: Toen zei [getuige 2] ineens: “Zo dat ging maar net goed”. Ik vroeg wat er net goed ging. Toen zei hij: [slachtoffer] reed bijna tegen een andere auto aan die hem geen voorrang gaf. Toen zijn we de bocht om gegaan, waar [slachtoffer] ook rechtsaf is gegaan. Toen wij de hoek om kwamen zag ik dat [slachtoffer] zijn auto stilstond op de weg met een andere auto ervoor, en toen we de hoek omkwamen zag ik dat uit die voorste auto iemand uitstapte die meteen naar [slachtoffer] zijn auto ging. Toen zag ik [slachtoffer] ook meteen uitstappen.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 text/xml public 2026-05-19T10:51:40 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-29 20-002643-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Wetboek van Strafrecht 300 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 text/html public 2026-05-13T10:01:26 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1187 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-04-2026 / 20-002643-24 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling naar aanleiding van een verkeersruzie, waarbij de verdachte het slachtoffer in een nekklem heeft gehouden. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 904,01. Parketnummer : 20-002643-24 Uitspraak : 29 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-134710-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’ , de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 904,01, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zullen worden aangevuld. Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Waalwijk, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te duwen en/of in een nekklem te pakken/houden en/of/althans bij de nek vast te pakken/houden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: op 6 maart 2024 te Waalwijk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en in een nekklem te pakken/houden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024058239, gesloten d.d. 22 april 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 50). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2024, met bijlagen, (pg. 6-20), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] : (p.6) Ik doe aangifte van mishandeling. Op 6 maart 2024 reed ik met mijn BMW richting de Kleiweg te Waalwijk. Op de Havenweg reed ik rechtsaf over een punaisedrempel naar rechts. Ineens kwam er links langs mij heen een zwarte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] voor mijn auto op de rem. De auto ging midden op de weg stil staan. De portier van rijderskant ging open en een man stapte de Volkswagen auto uit. De man liep met handgebaren en een flinke pas naar mij toe en ik stapte zelf de auto uit. Ik hoorde de man op een agressieve manier iets zeggen. De man kwam op mij af en ging neus aan neus voor mij staan en begon mij te duwen met twee vuisten tegen mijn borstkas. Na twee keer duwen zag ik van links en rechts een vuistslag op mij afkomen op de bovenkant van mijn lichaam. Mijn hoofd kwam in een nekklem in zijn rechterarm. (p.7) Op de terugweg naar huis merkte ik dat mijn rechter pink pijn deed en mijn rechteroog. Ik heb een dashcam en kon de beelden terugzien met betreffende de auto en de man. Bij de huisarts had de dokter het vermoeden dat mijn pink gebroken was en moest ik foto's laten maken. Diezelfde avond kreeg ik hoofdpijn en heb de dokter na gebeld. Ik had een lichte hersenschudding. Ik lever u het dashcam filmpje. Ik lever u de foto's van letsel aan en de medische verklaring van de dokter. 2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2024 (pg. 26-28), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : (p. 26) Op 6 maart 2024 tussen 15:50 en 16:38 uur heeft er een mishandeling plaatsgevonden waarbij door de aangever dashcam beelden zijn verstrekt waarop het voertuig van de verdachte en de verdachte te zien zijn. De beelden zijn helder en duidelijk en genomen vanuit binnenzijde van de voorzijde van het voertuig van de aangever. Ik zie dat de aangever rijdt over de openbare weg en een kruising nadert. Ik zie dat de aangever rechtsaf slaat en zijn weg vervolgt. Hierbij wordt hij links ingehaald door een zwarte Volkswagen Golf voorzien van het kenteken: [kenteken] . De zwarte Volkswagen gaat nadat hij het voertuig van de aangever heeft ingehaald voor het voertuig van de aangever rijden. Vervolgens zie ik dat de remlichten van de zwarte Golf knipperen en dat het voertuig tot stilstand wordt gebracht. Als het voertuig stilstaat stapt de bestuurder van de Golf uit zijn voertuig en loopt in de richting van het voertuig van de aangever welke eveneens stilstaat. De verdachte is continu bewegingen aan het maken met zijn rechterhand. En hij is iets aan het zeggen/roepen. Dan staat de verdachte naast het voertuig van de aangever en is er verder geen beeld meer. 3. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 7 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] : Raadsheer-commissaris: De heer [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij op 6 maart 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld. Raadsman: U fietste weg bij het werk. Was dat alleen? Getuige: Nee samen met mijn collega [getuige 2] . Raadsman: En toen? Getuige: Toen zei [getuige 2] ineens: “Zo dat ging maar net goed”. Ik vroeg wat er net goed ging. Toen zei hij: [slachtoffer] reed bijna tegen een andere auto aan die hem geen voorrang gaf. Toen zijn we de bocht om gegaan, waar [slachtoffer] ook rechtsaf is gegaan. Toen wij de hoek om kwamen zag ik dat [slachtoffer] zijn auto stilstond op de weg met een andere auto ervoor, en toen we de hoek omkwamen zag ik dat uit die voorste auto iemand uitstapte die meteen naar [slachtoffer] zijn auto ging. Toen zag ik [slachtoffer] ook meteen uitstappen.
Volledig
Die man die uit de voorste auto kwam, kwam druk gebarend op [slachtoffer] af. Voor ik liet wist had die man [slachtoffer] al vrij snel vast, ze begonnen te stoeien. [slachtoffer] zat ineens met zijn nek onder de arm van die andere man. Het hoofd van [slachtoffer] kwam boven de arm van die man uit. Het was zo’n soort nekklem. De getuige maakt een gebaar waarbij hij de ellenboog van zijn linkerarm gebogen heeft. En ik zag dat die man met zijn hand slaande bewegingen maakte richting [slachtoffer] . De getuige maakt een gebaar waarbij hij nog steeds de ellenboog van zijn linkerarm gebogen heeft en waarbij hij met zijn rechterarm en mei een gebalde rechtervuist slaande bewegingen richting zijn linkerarm maakt. Raadsheer-commissaris: Heeft u gezien dat die man op een gegeven moment [slachtoffer] heeft geraakt toen hij een slaande beweging maakte? Getuige: [slachtoffer] is wel op zijn lijf geraakt, maar hij zat met zijn hoofd in de arm van die man en [slachtoffer] probeerde met zijn handen zijn lichaam te beschermen. Dat die man [slachtoffer] geraakt heeft was wel duidelijk. 4. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 april 2026, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik op 6 maart 2024 te Waalwijk [slachtoffer] in een nekklem heb gehad. 5. De eigen waarneming van het hof van foto 5 en foto 6 op pagina 12 van het dossier, die als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] is gevoegd, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 15 april 2026, voor zover inhoudende: Het hof neemt op de foto waar een rode verkleuring boven en om het oog van aangever [slachtoffer] . Bewijsoverwegingen De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op de mishandeling. Volgens de verdachte is aangever [slachtoffer] als aanvallende partij op hem afgelopen. Aangever heeft de verdachte uitgescholden, hem een duw gegeven en heeft op enig moment geprobeerd om de verdachte te slaan, aldus de verdachte. De verdachte heeft de aangever in een nekklem gehouden, zodat de aangever hem niet meer kon slaan en de verdachte de situatie rustig zou krijgen. Voorts is bepleit dat onvoldoende vastgesteld kan worden dat het letsel van de pink van de aangever door de handelingen van de verdachte is veroorzaakt. In dat kader heeft de verdediging erop gewezen dat de verdachte aangever niet heeft geslagen, maar enkel afwerende bewegingen heeft gemaakt. Het hof overweegt als volgt. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Anders dan de verdediging ziet het hof geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen, nu de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] in de kern helder en consistent zijn en de verklaringen elkaar over en weer ondersteunen. Bovendien worden de in deze verklaringen omschreven gedragingen van de verdachte, met name dat hij als eerste agressief aangever benaderde, ondersteund door de beschrijvingen van de dashcam-beelden. Op basis van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen en dat de verdachte aangever in een nekklem heeft gehad, waardoor de verdachte letsel heeft opgelopen. Het hof is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van pijn en/of enig lichamelijk letsel, dat de conclusie geen andere kan zijn dat de verdachte de tenlastegelegde mishandeling opzettelijk heeft begaan. Naar het oordeel van het hof wordt daarentegen de alternatieve lezing van de verdachte, namelijk dat aangever de agressor was en de verdachte hem slechts in een nekklem had gezet om de situatie te de-escaleren, juist weersproken door de beschrijving van de dashcam-beelden van het incident. Uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin verbalisant [verbalisant 2] de dashcam-beelden heeft beschreven, blijkt namelijk dat de verdachte, nadat hij aangever op een kruising had gepasseerd, als eerste zijn auto tot stilstand bracht voor de auto van aangever. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte vervolgens uit zijn auto is gestapt en roepend en druk gebarend richting de auto van aangever is gelopen. Tegen die achtergrond overweegt het hof dat op deze dashcam-beelden dus niet te zien is, zoals betoogd door de verdachte, dat aangever agressief richting de verdachte is gelopen, noch dat aangever zich in de buurt van verdachtes auto heeft begeven. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte de agressor is geweest en de confrontatie bewust heeft opgezocht met aangever. Bovendien merkt het hof op dat de verdachte wisselend en inconsistent heeft verklaard over de aanloop van de confrontatie. Bij het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij uit de auto was gestapt nadat hij had gezien dat aangever op zijn auto kwam aflopen, terwijl hij ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hierop is teruggekomen. Om die redenen acht het hof de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en schuift die verklaring dan ook ter zijde. Overigens overweegt het hof dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele concrete aanwijzing bevatten dat aangever het letsel aan zijn pink anders dan als gevolg van de mishandeling heeft opgelopen. Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om de door de politierechter opgelegde taakstraf te matigen, omdat de verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is gekomen en hij verder goed meedraait in de maatschappij. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 6 maart 2024 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] . De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft het voorval plaatsgevonden in het verkeer en op een openbare plaats, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de openbare/publieke ruimte. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Volledig
Die man die uit de voorste auto kwam, kwam druk gebarend op [slachtoffer] af. Voor ik liet wist had die man [slachtoffer] al vrij snel vast, ze begonnen te stoeien. [slachtoffer] zat ineens met zijn nek onder de arm van die andere man. Het hoofd van [slachtoffer] kwam boven de arm van die man uit. Het was zo’n soort nekklem. De getuige maakt een gebaar waarbij hij de ellenboog van zijn linkerarm gebogen heeft. En ik zag dat die man met zijn hand slaande bewegingen maakte richting [slachtoffer] . De getuige maakt een gebaar waarbij hij nog steeds de ellenboog van zijn linkerarm gebogen heeft en waarbij hij met zijn rechterarm en mei een gebalde rechtervuist slaande bewegingen richting zijn linkerarm maakt. Raadsheer-commissaris: Heeft u gezien dat die man op een gegeven moment [slachtoffer] heeft geraakt toen hij een slaande beweging maakte? Getuige: [slachtoffer] is wel op zijn lijf geraakt, maar hij zat met zijn hoofd in de arm van die man en [slachtoffer] probeerde met zijn handen zijn lichaam te beschermen. Dat die man [slachtoffer] geraakt heeft was wel duidelijk. 4. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 april 2026, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik op 6 maart 2024 te Waalwijk [slachtoffer] in een nekklem heb gehad. 5. De eigen waarneming van het hof van foto 5 en foto 6 op pagina 12 van het dossier, die als bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] is gevoegd, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 15 april 2026, voor zover inhoudende: Het hof neemt op de foto waar een rode verkleuring boven en om het oog van aangever [slachtoffer] . Bewijsoverwegingen De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet had op de mishandeling. Volgens de verdachte is aangever [slachtoffer] als aanvallende partij op hem afgelopen. Aangever heeft de verdachte uitgescholden, hem een duw gegeven en heeft op enig moment geprobeerd om de verdachte te slaan, aldus de verdachte. De verdachte heeft de aangever in een nekklem gehouden, zodat de aangever hem niet meer kon slaan en de verdachte de situatie rustig zou krijgen. Voorts is bepleit dat onvoldoende vastgesteld kan worden dat het letsel van de pink van de aangever door de handelingen van de verdachte is veroorzaakt. In dat kader heeft de verdediging erop gewezen dat de verdachte aangever niet heeft geslagen, maar enkel afwerende bewegingen heeft gemaakt. Het hof overweegt als volgt. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Anders dan de verdediging ziet het hof geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen, nu de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] in de kern helder en consistent zijn en de verklaringen elkaar over en weer ondersteunen. Bovendien worden de in deze verklaringen omschreven gedragingen van de verdachte, met name dat hij als eerste agressief aangever benaderde, ondersteund door de beschrijvingen van de dashcam-beelden. Op basis van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen en dat de verdachte aangever in een nekklem heeft gehad, waardoor de verdachte letsel heeft opgelopen. Het hof is van oordeel dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van pijn en/of enig lichamelijk letsel, dat de conclusie geen andere kan zijn dat de verdachte de tenlastegelegde mishandeling opzettelijk heeft begaan. Naar het oordeel van het hof wordt daarentegen de alternatieve lezing van de verdachte, namelijk dat aangever de agressor was en de verdachte hem slechts in een nekklem had gezet om de situatie te de-escaleren, juist weersproken door de beschrijving van de dashcam-beelden van het incident. Uit het proces-verbaal van bevindingen, waarin verbalisant [verbalisant 2] de dashcam-beelden heeft beschreven, blijkt namelijk dat de verdachte, nadat hij aangever op een kruising had gepasseerd, als eerste zijn auto tot stilstand bracht voor de auto van aangever. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte vervolgens uit zijn auto is gestapt en roepend en druk gebarend richting de auto van aangever is gelopen. Tegen die achtergrond overweegt het hof dat op deze dashcam-beelden dus niet te zien is, zoals betoogd door de verdachte, dat aangever agressief richting de verdachte is gelopen, noch dat aangever zich in de buurt van verdachtes auto heeft begeven. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte de agressor is geweest en de confrontatie bewust heeft opgezocht met aangever. Bovendien merkt het hof op dat de verdachte wisselend en inconsistent heeft verklaard over de aanloop van de confrontatie. Bij het verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij uit de auto was gestapt nadat hij had gezien dat aangever op zijn auto kwam aflopen, terwijl hij ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hierop is teruggekomen. Om die redenen acht het hof de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en schuift die verklaring dan ook ter zijde. Overigens overweegt het hof dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele concrete aanwijzing bevatten dat aangever het letsel aan zijn pink anders dan als gevolg van de mishandeling heeft opgelopen. Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om de door de politierechter opgelegde taakstraf te matigen, omdat de verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is gekomen en hij verder goed meedraait in de maatschappij. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 6 maart 2024 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] . De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft het voorval plaatsgevonden in het verkeer en op een openbare plaats, hetgeen bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de openbare/publieke ruimte. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Volledig
De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij weer bij zijn ouders woont, als zzp’er werkt in de bouwsector en daarvan goed kan rondkomen. Het hof heeft bij de beslissing over de strafoplegging ook de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in ogenschouw genomen, waarin voor een mishandeling met lichamelijk letsel in beginsel een geldboete van € 1.000,00 passend wordt geacht. De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter om in strafverzwarende zin af te wijken van deze oriëntatiepunten. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat het geweld in het verkeer en op een openbare plek heeft plaatsgevonden en de nekklem zeer beangstigend moet zijn geweest voor het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof was hier sprake van ernstig en zinloos geweld in het verkeer. De verdachte heeft zijn auto stilgezet voor de auto van aangever en aangever hiermee gedwongen om te stoppen. De verdachte heeft daardoor bewust de confrontatie opgezocht met het slachtoffer, terwijl de verdachte er ook voor had kunnen kiezen om door te rijden. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk gegeven van enig inzicht in het laakbare van zijn handelen. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat een geldboete conform de oriëntatiepunten niet op zijn plaats is. Het hof acht dan ook een taakstraf voor de duur van 50 uren, zoals eerder door de politierechter is opgelegd, in beginsel passend en geboden, mede om aan de verdachte een duidelijk signaal voor de toekomst af te geven dat hij bij een volgende soortgelijke situatie niet opnieuw verhaal gaat halen. Het hof ziet echter in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om een gedeelte van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof betrekt daarbij de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Alle omstandigheden afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 5.217,07, bestaande uit € 2,717,07 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt volgens opgave van de benadeelde partij uiteen in de volgende onderdelen: Materieel Medische kosten (eigen risico) € 291,50; Kilometer kosten € 12,51; Gemiste bonus € 340,46; Huishoudelijke hulp € 1.911,60; Verzorgingskosten € 161,00; Subtotaal € 2.717,07 Immaterieel € 2.500,00 Totaal € 5.217,07 Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 904,01, waarvan € 304,01 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. De raadsman heeft primair gevorderd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsman het hof om het gevorderde bedrag aan schadevergoeding te matigen. Daartoe is aangevoerd dat het letsel aan de pink niet in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. Voorts zijn de posten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘gemiste bonus’ onvoldoende onderbouwd, aldus de verdediging. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Post i. en post ii. (medische kosten en kilometer kosten) Met betrekking tot deze schadeposten is het hof van oordeel dat de schadeposten voldoende zijn onderbouwd en ook in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. Het hof acht het aannemelijk dat de gebroken pink wel het gevolg is geweest van de bewezenverklaarde mishandeling, omdat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aangever zich heeft moeten verweren. Het hof zal de vordering in zoverre geheel toewijzen. Nu het hof niet bekend is wat het moment is waarop de materiële schade is ontstaan, zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf het moment waarop de vordering tot schadevergoeding door de benadeelde partij is ingediend, zijnde 20 mei 2024. Het hof zal daarom de vordering in zoverre toewijzen tot een bedrag van € 304,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Overige kostenposten ten aanzien van de materiële schade Met betrekking tot de overige kostenposten is het hof van oordeel dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij tot nadere bewijslevering zou een nadere behandeling van de zaak ter terechtzitting vergen en levert daarmee naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is ten aanzien van deze overige kostenposten en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is verder voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding volgt onder meer dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, te weten een pijnlijke oogkas, een gebroken pink, een hersenschudding en gekneusde ribben. Gelet hierop ziet het hof reden om immateriële schadevergoeding toe te kennen. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 600,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering tot immateriële schadevergoeding worden afgewezen. Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024, zijnde de pleegdatum van het bewezenverklaarde, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 904,01. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf na te melden datum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Volledig
De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij weer bij zijn ouders woont, als zzp’er werkt in de bouwsector en daarvan goed kan rondkomen. Het hof heeft bij de beslissing over de strafoplegging ook de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in ogenschouw genomen, waarin voor een mishandeling met lichamelijk letsel in beginsel een geldboete van € 1.000,00 passend wordt geacht. De aard en ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigen naar het oordeel van het hof echter om in strafverzwarende zin af te wijken van deze oriëntatiepunten. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat het geweld in het verkeer en op een openbare plek heeft plaatsgevonden en de nekklem zeer beangstigend moet zijn geweest voor het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof was hier sprake van ernstig en zinloos geweld in het verkeer. De verdachte heeft zijn auto stilgezet voor de auto van aangever en aangever hiermee gedwongen om te stoppen. De verdachte heeft daardoor bewust de confrontatie opgezocht met het slachtoffer, terwijl de verdachte er ook voor had kunnen kiezen om door te rijden. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk gegeven van enig inzicht in het laakbare van zijn handelen. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat een geldboete conform de oriëntatiepunten niet op zijn plaats is. Het hof acht dan ook een taakstraf voor de duur van 50 uren, zoals eerder door de politierechter is opgelegd, in beginsel passend en geboden, mede om aan de verdachte een duidelijk signaal voor de toekomst af te geven dat hij bij een volgende soortgelijke situatie niet opnieuw verhaal gaat halen. Het hof ziet echter in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om een gedeelte van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof betrekt daarbij de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Alle omstandigheden afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 5.217,07, bestaande uit € 2,717,07 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt volgens opgave van de benadeelde partij uiteen in de volgende onderdelen: Materieel Medische kosten (eigen risico) € 291,50; Kilometer kosten € 12,51; Gemiste bonus € 340,46; Huishoudelijke hulp € 1.911,60; Verzorgingskosten € 161,00; Subtotaal € 2.717,07 Immaterieel € 2.500,00 Totaal € 5.217,07 Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 904,01, waarvan € 304,01 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. De raadsman heeft primair gevorderd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de raadsman het hof om het gevorderde bedrag aan schadevergoeding te matigen. Daartoe is aangevoerd dat het letsel aan de pink niet in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. Voorts zijn de posten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘gemiste bonus’ onvoldoende onderbouwd, aldus de verdediging. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Post i. en post ii. (medische kosten en kilometer kosten) Met betrekking tot deze schadeposten is het hof van oordeel dat de schadeposten voldoende zijn onderbouwd en ook in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. Het hof acht het aannemelijk dat de gebroken pink wel het gevolg is geweest van de bewezenverklaarde mishandeling, omdat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat aangever zich heeft moeten verweren. Het hof zal de vordering in zoverre geheel toewijzen. Nu het hof niet bekend is wat het moment is waarop de materiële schade is ontstaan, zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf het moment waarop de vordering tot schadevergoeding door de benadeelde partij is ingediend, zijnde 20 mei 2024. Het hof zal daarom de vordering in zoverre toewijzen tot een bedrag van € 304,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Overige kostenposten ten aanzien van de materiële schade Met betrekking tot de overige kostenposten is het hof van oordeel dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij tot nadere bewijslevering zou een nadere behandeling van de zaak ter terechtzitting vergen en levert daarmee naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is ten aanzien van deze overige kostenposten en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Immateriële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is verder voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding volgt onder meer dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, te weten een pijnlijke oogkas, een gebroken pink, een hersenschudding en gekneusde ribben. Gelet hierop ziet het hof reden om immateriële schadevergoeding toe te kennen. Het hof begroot deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 600,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering tot immateriële schadevergoeding worden afgewezen. Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024, zijnde de pleegdatum van het bewezenverklaarde, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 904,01. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf na te melden datum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.