Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-26
ECLI:NL:GHSHE:2026:1139
Parketnummer : 20-001528-21 Uitspraak : 9 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-880060-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] verbeurdverklaard. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 17 juni 2021 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde sancties. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Verbetering van gronden De bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen. Aanvulling van gronden Bewijsmiddelen In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige: U vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben veroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht. U vraagt mij of ik in het kort De verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten. Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen. Redenen: Verdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren. Als gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach . Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t/m [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar Nuenen in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken. Meer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar Nuenen naar een industrieterrein aan [adres 2] , en wel naar [locatie 1] . 1e dossier 3 op 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren. 2e dossier 4 op 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 4] om 32 jerrycans aceton te vervoeren. 3e dossier 5 in ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering. 4e dossier 6 Op 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3 Gelet hierop stelt het hof vast dat het mondelinge bevel niet binnen drie dagen na 27 maart 2018 door de officier van justitie op schrift is gesteld. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet voldaan aan het in artikel 126g, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde wettelijke vereiste. Naar het oordeel van het hof levert dit – nu het bevel niet alsnog binnen drie dagen op schrift kan worden gesteld – een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend ziet op de controleerbaarheid en transparantie van het gegeven bevel. Nu het mondeling gegeven bevel achteraf – weliswaar te laat – alsnog ter bevestiging op schrift is gesteld en hierdoor – en ook overigens – geen nadeel voor de verdachte is ontstaan, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de (enkele) constatering van het vormverzuim. Het hof zal hier dan ook geen gevolgen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan verbinden. Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om de gemaakte camerabeelden te controleren omdat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt. Het hof merkt op dat het in het algemeen de voorkeur verdient camerabeelden – indien aanwezig – aan het dossier toe te voegen. Op die manier bestaat de mogelijkheid dat die camerabeelden op enig moment in de procedure (door een van de procesdeelnemers) kunnen worden bekeken en gecontroleerd. Het is in zoverre dan ook ongelukkig dat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Die omstandigheid impliceert naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee ook sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot enig rechtsgevolg moet leiden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemaakte camerabeelden door verbalisanten zijn bekeken en dat door hen in processen-verbaal van bevindingen die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt is gerelateerd wat daarop is waar te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die processen-verbaal te twijfelen. Van de zijde van de verdediging is ook niet weersproken dat hetgeen door verbalisanten op de camerabeelden is waargenomen en hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen daaromtrent is geverbaliseerd onjuist is. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in zoverre verworpen. Voorts merkt het hof als aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank nog het volgende op. Op basis van de inhoud van het dossier acht het hof – met de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk grondstoffen, chemicaliën en andere voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van synthetische drugs en met een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA heeft getracht te verschaffen. Bij dit oordeel neemt het hof, in aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank, in het bijzonder in aanmerking dat in de periode van 10 april 2018 tot en met 31 mei 2018 vanuit Duitsland meerdere leveringen van chemicaliën hebben plaatsgevonden, welke leveringen zijn afgeleverd aan het adres [adres 2] , [locatie 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij chemicaliën hebben afgeleverd en niets mee terug naar Duitsland hebben genomen. Door het kantongerecht Velbert in Duitsland zijn zij ook veroordeeld ter zake van verschillende leveringen van chemicaliën. Uit dit vonnis blijkt dat het gaat om leveringen van aceton. Voorts stelt het hof vast dat in de nacht van 22 mei 2018 op 23 mei 2018 in [locatie 1] een groot aantal blikken en jerrycans zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij de aangetroffen goederen nade Voor de uit Duitsland afkomstige chemicaliën die bij [locatie 1] , de loods van de verdachte, zijn afgeleverd, noch voor de in [locatie 1] aangetroffen aceton noch voor de diverse vervoersbewegingen tussen [locatie 1] en [locatie 2] van de medeverdachte [medeverdachte 4] , noch voor het feit dat de verdachte ook toegang had tot de [locatie 2] , noch voor de aanwezigheid van de voor productie van synthetische drugs benodigde chemicaliën en goederen in [locatie 2] , waardoor een verdenking van het tenlastegelegde in de rede ligt, heeft de verdachte, hoewel de feiten daar wel om schreeuwen, een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring laten de feiten zich niet anders begrijpen dan dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nauw en bewust heeft samengewerkt om de opzettelijke vervaardiging van amfetamine en/of MDMA voor te bereiden. Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in zoverre verworpen. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 40.000,00. De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf en (eventueel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de rechtbank aan medeverdachte [medeverdachte 5] een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren heeft opgelegd en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat medeverdachte [medeverdachte 4] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In de zaak tegen de verdachte dient bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te worden gezocht bij voornoemde sancties, aldus de verdediging. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen/chemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Evenals de rechtbank ziet het hof verdachtes rol in het geheel als die van coördinator. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op verdachtes aanwezigheid op momenten dat goederen werden geleverd en de ontmoetingen die hij onder andere met leveranciers heeft gehad. De verdachte heeft als coördinator een cruciale rol gehad. Gelet op verdachtes rol ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zoals die door de rechtbank aan [medeverdachte 5] is opgelegd en door de advocaat-generaal in de zaak tegen [medeverdachte 4] is gevorderd. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat synthetische drugs allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan kunnen opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokke