Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-29
ECLI:NL:GHSHE:2026:1132
Bestuursrecht; Belastingrecht
Herziening
4,029 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 text/xml public 2026-05-12T15:08:06 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-29 24/1850 Uitspraak Herziening Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Algemene wet bestuursrecht 8:119 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 text/html public 2026-05-12T15:07:19 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-04-2026 / 24/1850 Artikel 8:119, lid 1, letter c, Awb. Belanghebbende verzoekt om herziening van een uitspraak uit 1998. Het hof wijst het herzieningsverzoek af omdat hetgeen dat verzoeker nu naar voren brengt feiten en omstandigheden zijn die destijds ook bekend waren. De mogelijkheid tot herziening is niet bedoeld om het door de desbetreffende uitspraak afgesloten debat te heropenen. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/1850 Uitspraak op het verzoek van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (België), hierna: verzoeker, om herziening in de zin van artikel 8:119, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de uitspraak van dit hof van 6 oktober 1998, nummer 96/01116. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan verzoeker is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen, met aanslagnummer [aanslagnummer] , opgelegd. 1.2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hof heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Verzoeker heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroep in cassatie is door verzoeker ingetrokken. 1.4. Verzoeker heeft met dagtekening 5 maart 2024 het hof verzocht om herziening van de uitspraak van 6 oktober 1998. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft het verzoek om herziening bestreden. 1.6. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen verzoeker en zijn echtgenote, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Op 10 en 14 april 2026 zijn bij het hof brieven van verzoeker binnengekomen, waarin hij aanvullende stukken inbrengt. 2 Gronden Vooraf en ambtshalve 2.0. Verzoeker heeft na sluiting van de mondelinge behandeling brieven met bijlagen ingebracht onder vermelding dat die ontbraken in het dossier. Het hof merkt deze onder 1.9 vermelde brieven met bijlagen aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Awb. Het hof heeft in hetgeen verzoeker aanvoert echter geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het verzoek om herziening is door verzoeker ingediend op 5 maart 2024. Verzoeker heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om stukken in te brengen ter onderbouwing van zijn verzoek. Het toelaten van de stukken leidt in deze fase van het geding tot een verstoring van de goede procesorde. Het betreft bovendien geen recente stukken maar stukken die reeds lang in het bezit waren van verzoeker. Niet valt in te zien waarom deze stukken niet eerder hadden kunnen worden ingediend. Daarnaast bevat het dossier grotendeels al dezelfde stukken. Het hof rekent de brieven van verzoeker niet tot de gedingstukken en slaat daar dan ook geen acht op. Motivering 2.1. In de uitspraak van het hof van 6 oktober 1998 is het volgende opgenomen: “ De gronden voor de beslissing Belanghebbende heeft ter zitting verklaard zijn grieven tegen de uitspraak van de Inspecteur te laten varen. Aangezien het Hof ook ambtshalve niet is gebleken dat de naheffingsaanslag onjuist is, moet de uitspraak worden bevestigd.” 2.2. Op basis van artikel 8:119, lid 1, Awb, kan een onherroepelijke uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en waren zij bij de desbetreffende rechtelijke instantie eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Dit betreffen cumulatieve voorwaarden. Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen. 2.3. Volgens verzoeker dient het hof naar aanleiding van een advies van de Europese Commissie de uitspraak te herzien. In het bericht van de Europese Commissie waarnaar verzoeker in dit kader verwijst is het volgende opgenomen: “Zoals ik in mijn brief van 8 december 2021 reeds heb vermeld, heeft de Europese Commissie helaas niet het recht om een feitelijke beoordeling door de nationale overheid te betwisten. Het is aan de nationale rechter om een overheidsbesluit terug te draaien als de rechter van oordeel is dat de nationale overheid de desbetreffende feiten verkeerd heeft beoordeeld.”. De zaak (nummer 96/01115) van de echtgenote van de verzoeker is destijds op dezelfde zitting behandeld en die naheffingsaanslag bpm is vernietigd. Volgens verzoeker zijn het samenhangende zaken. Verzoeker betwist dat zijn gemachtigde destijds ter zitting de bezwaren tegen de naheffingsaanslag heeft laten vallen. Verzoeker was destijds niet woonachtig in Nederland en hij had ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te erkennen. Volgens verzoeker is de grondslag voor beide naheffingsaanslagen hetzelfde, namelijk dat de inspecteur stelt dat hij en zijn echtgenote in Nederland woonachtig waren. Daarom is het volgens hem niet mogelijk dat er uitspraken door het hof zijn gedaan met verschillende uitkomsten. Verzoeker heeft ter zitting nog een stuk uit 2008 voorgehouden waaruit blijkt dat er op een zitting van het hof in 2002 in het kader van de inkomstenbelasting met de belastingdienst een compromis tot stand is gekomen. In dat stuk heeft de Belastingdienst volgens verzoeker erkend dat hij destijds in België woonde en heeft de Belastingdienst excuses gemaakt. De inspecteur heeft betwist dat deze brief in deze zaak relevant is, aangezien die kennelijk betrekking heeft op een compromis betreffende de inkomstenbelasting. 2.4. Het hof stelt voorop dat hetgeen in het aangehaalde bericht van de Europese Commissie is vermeld juist is. Het is aan de nationale rechter om een overheidsbesluit terug te draaien als deze van oordeel is dat de nationale overheid de desbetreffende feiten verkeerd heeft beoordeeld. Om deze reden heeft verzoeker destijds ook bezwaar en beroep in kunnen stellen tegen de naheffingsaanslag BPM en heeft hij thans de mogelijkheid om een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak in te dienen. Het hof oordeelt over het herzieningsverzoek als volgt. Tijdens de beroepsprocedure die tot de uitspraak van het hof van 6 oktober 1998 heeft geleid, was er, gelet op de hiervoor onder 2.1 opgenomen tekst, geen geschil meer over de naheffingsaanslag. Wat verzoeker nu naar voren brengt zijn feiten of omstandigheden die destijds ook bekend waren. Verzoeker stelt dat het niet kan kloppen dat de uitspraak vermeldt dat de grieven zijn ingetrokken. Indien de gemachtigde of verzoeker, die destijds ook zelf ter zitting aanwezig was, bij vergissing of ten onrechte de grieven heeft ingetrokken, komt dat voor rekening en risico van verzoeker. Indien het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat de grieven zijn ingetrokken, had verzoeker in cassatie kunnen gaan. Het cassatieberoep is destijds echter niet doorgezet. De mogelijkheid tot herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen. Ook de stelling dat de Belastingdienst in het kader van de inkomstenbelasting in de compromissfeer heeft erkend dat verzoeker in België woonde maakt dit oordeel niet anders.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 text/xml public 2026-05-12T15:08:06 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-29 24/1850 Uitspraak Herziening Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Algemene wet bestuursrecht 8:119 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 text/html public 2026-05-12T15:07:19 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1132 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-04-2026 / 24/1850 Artikel 8:119, lid 1, letter c, Awb. Belanghebbende verzoekt om herziening van een uitspraak uit 1998. Het hof wijst het herzieningsverzoek af omdat hetgeen dat verzoeker nu naar voren brengt feiten en omstandigheden zijn die destijds ook bekend waren. De mogelijkheid tot herziening is niet bedoeld om het door de desbetreffende uitspraak afgesloten debat te heropenen. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/1850 Uitspraak op het verzoek van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (België), hierna: verzoeker, om herziening in de zin van artikel 8:119, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de uitspraak van dit hof van 6 oktober 1998, nummer 96/01116. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan verzoeker is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen, met aanslagnummer [aanslagnummer] , opgelegd. 1.2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hof heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Verzoeker heeft tegen de uitspraak van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroep in cassatie is door verzoeker ingetrokken. 1.4. Verzoeker heeft met dagtekening 5 maart 2024 het hof verzocht om herziening van de uitspraak van 6 oktober 1998. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft het verzoek om herziening bestreden. 1.6. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen verzoeker en zijn echtgenote, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Op 10 en 14 april 2026 zijn bij het hof brieven van verzoeker binnengekomen, waarin hij aanvullende stukken inbrengt. 2 Gronden Vooraf en ambtshalve 2.0. Verzoeker heeft na sluiting van de mondelinge behandeling brieven met bijlagen ingebracht onder vermelding dat die ontbraken in het dossier. Het hof merkt deze onder 1.9 vermelde brieven met bijlagen aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Awb. Het hof heeft in hetgeen verzoeker aanvoert echter geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het verzoek om herziening is door verzoeker ingediend op 5 maart 2024. Verzoeker heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om stukken in te brengen ter onderbouwing van zijn verzoek. Het toelaten van de stukken leidt in deze fase van het geding tot een verstoring van de goede procesorde. Het betreft bovendien geen recente stukken maar stukken die reeds lang in het bezit waren van verzoeker. Niet valt in te zien waarom deze stukken niet eerder hadden kunnen worden ingediend. Daarnaast bevat het dossier grotendeels al dezelfde stukken. Het hof rekent de brieven van verzoeker niet tot de gedingstukken en slaat daar dan ook geen acht op. Motivering 2.1. In de uitspraak van het hof van 6 oktober 1998 is het volgende opgenomen: “ De gronden voor de beslissing Belanghebbende heeft ter zitting verklaard zijn grieven tegen de uitspraak van de Inspecteur te laten varen. Aangezien het Hof ook ambtshalve niet is gebleken dat de naheffingsaanslag onjuist is, moet de uitspraak worden bevestigd.” 2.2. Op basis van artikel 8:119, lid 1, Awb, kan een onherroepelijke uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en waren zij bij de desbetreffende rechtelijke instantie eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Dit betreffen cumulatieve voorwaarden. Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen. 2.3. Volgens verzoeker dient het hof naar aanleiding van een advies van de Europese Commissie de uitspraak te herzien. In het bericht van de Europese Commissie waarnaar verzoeker in dit kader verwijst is het volgende opgenomen: “Zoals ik in mijn brief van 8 december 2021 reeds heb vermeld, heeft de Europese Commissie helaas niet het recht om een feitelijke beoordeling door de nationale overheid te betwisten. Het is aan de nationale rechter om een overheidsbesluit terug te draaien als de rechter van oordeel is dat de nationale overheid de desbetreffende feiten verkeerd heeft beoordeeld.”. De zaak (nummer 96/01115) van de echtgenote van de verzoeker is destijds op dezelfde zitting behandeld en die naheffingsaanslag bpm is vernietigd. Volgens verzoeker zijn het samenhangende zaken. Verzoeker betwist dat zijn gemachtigde destijds ter zitting de bezwaren tegen de naheffingsaanslag heeft laten vallen. Verzoeker was destijds niet woonachtig in Nederland en hij had ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te erkennen. Volgens verzoeker is de grondslag voor beide naheffingsaanslagen hetzelfde, namelijk dat de inspecteur stelt dat hij en zijn echtgenote in Nederland woonachtig waren. Daarom is het volgens hem niet mogelijk dat er uitspraken door het hof zijn gedaan met verschillende uitkomsten. Verzoeker heeft ter zitting nog een stuk uit 2008 voorgehouden waaruit blijkt dat er op een zitting van het hof in 2002 in het kader van de inkomstenbelasting met de belastingdienst een compromis tot stand is gekomen. In dat stuk heeft de Belastingdienst volgens verzoeker erkend dat hij destijds in België woonde en heeft de Belastingdienst excuses gemaakt. De inspecteur heeft betwist dat deze brief in deze zaak relevant is, aangezien die kennelijk betrekking heeft op een compromis betreffende de inkomstenbelasting. 2.4. Het hof stelt voorop dat hetgeen in het aangehaalde bericht van de Europese Commissie is vermeld juist is. Het is aan de nationale rechter om een overheidsbesluit terug te draaien als deze van oordeel is dat de nationale overheid de desbetreffende feiten verkeerd heeft beoordeeld. Om deze reden heeft verzoeker destijds ook bezwaar en beroep in kunnen stellen tegen de naheffingsaanslag BPM en heeft hij thans de mogelijkheid om een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak in te dienen. Het hof oordeelt over het herzieningsverzoek als volgt. Tijdens de beroepsprocedure die tot de uitspraak van het hof van 6 oktober 1998 heeft geleid, was er, gelet op de hiervoor onder 2.1 opgenomen tekst, geen geschil meer over de naheffingsaanslag. Wat verzoeker nu naar voren brengt zijn feiten of omstandigheden die destijds ook bekend waren. Verzoeker stelt dat het niet kan kloppen dat de uitspraak vermeldt dat de grieven zijn ingetrokken. Indien de gemachtigde of verzoeker, die destijds ook zelf ter zitting aanwezig was, bij vergissing of ten onrechte de grieven heeft ingetrokken, komt dat voor rekening en risico van verzoeker. Indien het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat de grieven zijn ingetrokken, had verzoeker in cassatie kunnen gaan. Het cassatieberoep is destijds echter niet doorgezet. De mogelijkheid tot herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen. Ook de stelling dat de Belastingdienst in het kader van de inkomstenbelasting in de compromissfeer heeft erkend dat verzoeker in België woonde maakt dit oordeel niet anders.