Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-22
ECLI:NL:GHSHE:2026:1079
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,096 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 text/xml public 2026-05-12T16:40:09 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-22 24/362 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:341, Bekrachtiging/bevestiging Successiewet 1956 33 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051211 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 text/html public 2026-04-30T10:56:12 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-04-2026 / 24/362 Het hof laat de aanslag schenkbelasting 2017 in stand. De herroeping van een eerdere schenking in 2009 aan de begiftigde, ondanks dat deze schenking is betrokken in een aanslag waarbij op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel 5, SW de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 is toegepast, geeft geen recht geeft op de gehele eigenwoningvrijstelling (artikel 33, onderdeel 5, letter c, SW) in 2017 van € 100.000 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/362 Uitspraak van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] . wonend in [woonplaats] , tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2024 (hierna: de rechtbank), nummer BRE 22/4371, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een aanslag schenkbelasting ter zake van een schenking in het jaar 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belaste verkrijging van € 69.790. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Met dagtekening 6 maart 2026 heeft belanghebbende een aanvullend hoger beroepschrift ingediend. 1.5. Een verzoek om uitstel van de zitting door belanghebbende heeft het hof op 3 februari 2026 afgewezen. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 te ’s-Hertogenbosch. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [persoon] , alsmede [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 3] namens de inspecteur. 1.7. Op de zitting heeft belanghebbende, zonder bezwaar van de inspecteur, een schriftelijke verklaring van de vader van belanghebbende overgelegd. De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft van haar vader, de heer [de vader] , op 1 april 2009 een herroepelijke schenking van € 22.760 ontvangen (hierna: de schenking 2009). Ter zake van die schenking is in de aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de destijds geldende eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor schenkingen van ouders aan een kind. De inspecteur heeft die vrijstelling toegekend. 2.2. Op 10 oktober 2017 hebben belanghebbende en haar vader de volgende overeenkomst gesloten: “Herroeping schenking [de vader] en [belanghebbende] De heer [de vader] (hierna: schenker) (...) heeft op 1 april 2009 een herroepelijke schenking ad € 22.760 gedaan aan zijn dochter [belanghebbende] (begiftigde), geboren op [geboortedatum] 1980. Schenker heeft besloten deze herroepelijke schenking van 1 april 2009 ad € 22.760 aan begiftigde te herroepen en deze schenking om te zetten in een geldlening aan [belanghebbende] . [belanghebbende] is hiermee akkoord. Schenker zal vervolgens de geldlening ad € 22.760 aan [belanghebbende] per 18 oktober 2017 kwijtschelden. Aldus overeengekomen en getekend te [plaats] op 10 oktober 2017. (…)” 2.3. Vervolgens heeft de vader van belanghebbende op 18 oktober 2017 de voornoemde geldlening van € 22.760 aan belanghebbende kwijtgescholden en daarnaast op diezelfde dag nog een bedrag van € 80.000 aan belanghebbende overgemaakt als schenking (hierna: de schenkingen 2017). 2.4. Voor de schenkingen 2017 heeft belanghebbende in de aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen ten behoeve van de eigen woning (hierna: de eigenwoningvrijstelling). 2.5. De inspecteur heeft in de aanslag de verzochte eigenwoningvrijstelling met toepassing van artikel 82a van de Successiewet 1956 (hierna: SW) - wettekst 2017 - slechts gedeeltelijk toegepast. Omdat in 2009 al een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling was gedaan, bedroeg het ‘restant’ van de eigenwoningvrijstelling in 2017 nog maar € 27.650, aldus de inspecteur. Verder heeft de inspecteur voor de schenkingen 2017 de ‘reguliere’ ouder-kind vrijstelling van € 5.320 toegepast. De op de aanslag verschuldigde schenkbelasting is als volgt berekend: Schenkingen 2017 € 102.760 Restant eigenwoningvrijstelling (artikel 82a SW) € 27.650- Reguliere ouder-kind vrijstelling € 5.320 - Belaste schenking 2017 € 69.790 Schenkbelasting 10% € 6.979 Voorlopige aanslag € 276 - Te betalen € 6.703 2.6. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank is ongegrond verklaard. 2.7. In hoger beroep heeft schenker - voor zover van belang - de volgende schriftelijke verklaring overgelegd: “Ondergetekende, de heer [de vader] , (…) verklaart als volgt: ik heb aan mijn dochter [belanghebbende] in 2017 een bedrag geschonken van € 100.000 omdat mijn dochter in die periode een woning heeft aangekocht en ik haar daarbij wilde helpen. Ik was bovendien en ben nog steeds voornemens om mijn zoon [de zoon] eveneens een bedrag van € 100.000 te schenken. Dat is de reden dat ik de eerdere schenking in 2009 heb herroepen. (…) 18 maart 2026 (…) [de vader] ” 3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de herroeping van de schenking 2009, ondanks dat deze schenking is betrokken in een aanslag waarbij op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel 5, SW de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 is toegepast, recht geeft op de gehele eigenwoningvrijstelling (artikel 33, onderdeel 5, letter c, SW) in 2017 van € 100.000. 3.2. Belanghebbende is primair van mening dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat deze aan de schenker had moeten worden opgelegd. Indien de aanslag wel aan belanghebbende behoort te worden opgelegd, luidt haar subsidiaire standpunt dat het gehele bedrag van de eigenwoningvrijstelling (€100.000) op de schenkingen 2017 in mindering moet worden gebracht. 3.3. De inspecteur is van mening dat de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd en dat de eigenwoningvrijstelling tot het juiste bedrag is toegepast. 4 Gronden Vooraf 4.0. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting, wegens verhindering van de vader van belanghebbende door familiaire verplichtingen. Het hof heeft dit verzoek op 3 februari 2026 afgewezen (zie 1.5). Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het uitstelverzoek onvoldoende is gemotiveerd en de vader van belanghebbende niet de belanghebbende is. Ten aanzien van het geschil 4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak vooropgesteld dat partijen het erover eens zijn dat in 2009 een herroepelijke schenking heeft plaatsgevonden, die op 10 oktober 2017 daadwerkelijk door belanghebbendes vader (de schenker) is herroepen. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat de herroeping niet met zich brengt dat die schenking met terugwerkende kracht teniet is gedaan, zodat er geen aanleiding is om de aanslag die op de schenking 2009 ziet te vernietigen. Dit betekent dat de destijds op die schenking toegepaste eenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling in stand is gebleven. Op grond van artikel 82a SW (wettekst 2017) is dan door de inspecteur terecht de eigenwoningvrijstelling verminderd.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 text/xml public 2026-05-12T16:40:09 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-22 24/362 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:341, Bekrachtiging/bevestiging Successiewet 1956 33 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051211 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 text/html public 2026-04-30T10:56:12 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1079 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-04-2026 / 24/362 Het hof laat de aanslag schenkbelasting 2017 in stand. De herroeping van een eerdere schenking in 2009 aan de begiftigde, ondanks dat deze schenking is betrokken in een aanslag waarbij op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel 5, SW de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 is toegepast, geeft geen recht geeft op de gehele eigenwoningvrijstelling (artikel 33, onderdeel 5, letter c, SW) in 2017 van € 100.000 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/362 Uitspraak van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] . wonend in [woonplaats] , tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2024 (hierna: de rechtbank), nummer BRE 22/4371, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is een aanslag schenkbelasting ter zake van een schenking in het jaar 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belaste verkrijging van € 69.790. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Met dagtekening 6 maart 2026 heeft belanghebbende een aanvullend hoger beroepschrift ingediend. 1.5. Een verzoek om uitstel van de zitting door belanghebbende heeft het hof op 3 februari 2026 afgewezen. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 te ’s-Hertogenbosch. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [persoon] , alsmede [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 3] namens de inspecteur. 1.7. Op de zitting heeft belanghebbende, zonder bezwaar van de inspecteur, een schriftelijke verklaring van de vader van belanghebbende overgelegd. De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft van haar vader, de heer [de vader] , op 1 april 2009 een herroepelijke schenking van € 22.760 ontvangen (hierna: de schenking 2009). Ter zake van die schenking is in de aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de destijds geldende eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling voor schenkingen van ouders aan een kind. De inspecteur heeft die vrijstelling toegekend. 2.2. Op 10 oktober 2017 hebben belanghebbende en haar vader de volgende overeenkomst gesloten: “Herroeping schenking [de vader] en [belanghebbende] De heer [de vader] (hierna: schenker) (...) heeft op 1 april 2009 een herroepelijke schenking ad € 22.760 gedaan aan zijn dochter [belanghebbende] (begiftigde), geboren op [geboortedatum] 1980. Schenker heeft besloten deze herroepelijke schenking van 1 april 2009 ad € 22.760 aan begiftigde te herroepen en deze schenking om te zetten in een geldlening aan [belanghebbende] . [belanghebbende] is hiermee akkoord. Schenker zal vervolgens de geldlening ad € 22.760 aan [belanghebbende] per 18 oktober 2017 kwijtschelden. Aldus overeengekomen en getekend te [plaats] op 10 oktober 2017. (…)” 2.3. Vervolgens heeft de vader van belanghebbende op 18 oktober 2017 de voornoemde geldlening van € 22.760 aan belanghebbende kwijtgescholden en daarnaast op diezelfde dag nog een bedrag van € 80.000 aan belanghebbende overgemaakt als schenking (hierna: de schenkingen 2017). 2.4. Voor de schenkingen 2017 heeft belanghebbende in de aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling voor schenkingen ten behoeve van de eigen woning (hierna: de eigenwoningvrijstelling). 2.5. De inspecteur heeft in de aanslag de verzochte eigenwoningvrijstelling met toepassing van artikel 82a van de Successiewet 1956 (hierna: SW) - wettekst 2017 - slechts gedeeltelijk toegepast. Omdat in 2009 al een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling was gedaan, bedroeg het ‘restant’ van de eigenwoningvrijstelling in 2017 nog maar € 27.650, aldus de inspecteur. Verder heeft de inspecteur voor de schenkingen 2017 de ‘reguliere’ ouder-kind vrijstelling van € 5.320 toegepast. De op de aanslag verschuldigde schenkbelasting is als volgt berekend: Schenkingen 2017 € 102.760 Restant eigenwoningvrijstelling (artikel 82a SW) € 27.650- Reguliere ouder-kind vrijstelling € 5.320 - Belaste schenking 2017 € 69.790 Schenkbelasting 10% € 6.979 Voorlopige aanslag € 276 - Te betalen € 6.703 2.6. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank is ongegrond verklaard. 2.7. In hoger beroep heeft schenker - voor zover van belang - de volgende schriftelijke verklaring overgelegd: “Ondergetekende, de heer [de vader] , (…) verklaart als volgt: ik heb aan mijn dochter [belanghebbende] in 2017 een bedrag geschonken van € 100.000 omdat mijn dochter in die periode een woning heeft aangekocht en ik haar daarbij wilde helpen. Ik was bovendien en ben nog steeds voornemens om mijn zoon [de zoon] eveneens een bedrag van € 100.000 te schenken. Dat is de reden dat ik de eerdere schenking in 2009 heb herroepen. (…) 18 maart 2026 (…) [de vader] ” 3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de herroeping van de schenking 2009, ondanks dat deze schenking is betrokken in een aanslag waarbij op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel 5, SW de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 is toegepast, recht geeft op de gehele eigenwoningvrijstelling (artikel 33, onderdeel 5, letter c, SW) in 2017 van € 100.000. 3.2. Belanghebbende is primair van mening dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat deze aan de schenker had moeten worden opgelegd. Indien de aanslag wel aan belanghebbende behoort te worden opgelegd, luidt haar subsidiaire standpunt dat het gehele bedrag van de eigenwoningvrijstelling (€100.000) op de schenkingen 2017 in mindering moet worden gebracht. 3.3. De inspecteur is van mening dat de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd en dat de eigenwoningvrijstelling tot het juiste bedrag is toegepast. 4 Gronden Vooraf 4.0. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting, wegens verhindering van de vader van belanghebbende door familiaire verplichtingen. Het hof heeft dit verzoek op 3 februari 2026 afgewezen (zie 1.5). Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het uitstelverzoek onvoldoende is gemotiveerd en de vader van belanghebbende niet de belanghebbende is. Ten aanzien van het geschil 4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak vooropgesteld dat partijen het erover eens zijn dat in 2009 een herroepelijke schenking heeft plaatsgevonden, die op 10 oktober 2017 daadwerkelijk door belanghebbendes vader (de schenker) is herroepen. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat de herroeping niet met zich brengt dat die schenking met terugwerkende kracht teniet is gedaan, zodat er geen aanleiding is om de aanslag die op de schenking 2009 ziet te vernietigen. Dit betekent dat de destijds op die schenking toegepaste eenmalige verhoogde schenkingsvrijstelling in stand is gebleven. Op grond van artikel 82a SW (wettekst 2017) is dan door de inspecteur terecht de eigenwoningvrijstelling verminderd.
Volledig
De rechtbank acht door de inspecteur onbetwist aangevoerd dat aan de herroeping fiscale motieven ten grondslag hebben gelegen waardoor belanghebbende geen geslaagd beroep op het goedkeurend beleid, zoals neergelegd in de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (hierna: het goedkeurend beleid), heeft kunnen doen. De subsidiaire stelling van belanghebbende, dat als aan de herroeping geen terugwerkende kracht toekomt dit betekent dat niet € 102.760, maar € 80.000 in 2017 is geschonken, wordt verworpen omdat als feit is komen vast te staan dat de eerste schenking is herroepen. 4.2. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat niet zij, maar haar vader als schenker belastingplichtig is voor de schenkingen 2017 omdat hij vrij van recht (inmiddels “vrij van belasting” geheten) heeft geschonken; daarom dient naar haar mening de aanslag te worden vernietigd. Voor het geval belanghebbende als de juiste belastingplichtige dient te worden aangemerkt dient naar haar mening de aanslag te worden verminderd omdat de schenking 2009 met terugwerkende kracht is herroepen, dan wel de herroeping niet in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven waardoor het goedkeurend beleid van toepassing is. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de aanslag dient te worden verminderd naar een belaste verkrijging van € 80.000. 4.3. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat ook bij een schenking vrij van belasting de verkrijger de belastingplichtige voor de schenkbelasting is. Hij stelt in dat verband dat het herroepingsrecht wordt aangemerkt als een ontbindende voorwaarde en dat de herroeping een vervulling van die ontbindende voorwaarde vormt. De herroeping heeft naar zijn mening op grond van artikel 3:38, lid 2, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen terugwerkende kracht. Hij acht het goedkeurend beleid niet van toepassing omdat aan de voorwaarde, dat de herroeping niet in overwegende mate mag zijn ingegeven door fiscale motieven, niet is voldaan. Doordat tussen partijen is komen vast te staan dat er herroepen is, vervalt zijn in eerste aanleg ingenomen subsidiaire standpunt dat indien de schenking uit 2009 niet herroepen is, de schenking in 2017 wordt verminderd naar € 80.000, aldus nog steeds de inspecteur. 4.4. Het hof oordeelt als volgt. Indien juist zou zijn dat de schenkingen 2017 vrij van belasting zijn geschonken, maakt dat niet dat daardoor de schenker belastingplichtig wordt voor de schenkbelasting. Artikel 36 SW wijst namelijk alleen de verkrijger aan als degene van wie de schenkbelasting wordt geheven. De andersluidende stelling van belanghebbende en het verzoek om de aanslag om die reden te vernietigen wordt dan ook verworpen. 4.5. Aangezien tussen partijen vaststaat dat de herroepelijke schenking 2009 in 2017 is herroepen en de herroeping de vervulling van een ontbindende voorwaarde betreft, kan de herroeping op grond van artikel 3:38, lid 2, BW geen terugwerkende kracht hebben. Het door belanghebbende beoogde gevolg van terugwerkende kracht, namelijk dat de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 in 2009 geacht wordt niet te zijn toegepast, is derhalve onjuist. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de schenking 2009 door de herroeping niet met terugwerkende kracht teniet is gedaan en dat er geen aanleiding bestaat om de daarvoor opgelegde aanslag schenkbelasting te vernietigen. Dat betekent dat de toegepaste eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 in 2009 in stand is gebleven en dat terecht bij de bepaling van de belastbare schenkingen 2017 de eigenwoningvrijstelling, berekend op grond van artikel 82a SW, tot een bedrag van € 27.650 in mindering is gebracht. 4.6. Op grond van het goedkeurend beleid kan bij herroeping van een eerdere schenking - ondanks het ontbreken van terugwerkende kracht - een hernieuwd beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling bij een latere schenking worden gedaan mits de herroeping niet in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven. Er staat in die beleidsuiting: “Met andere woorden als de herroeping tot doel heeft alsnog in aanmerking te komen voor een eenmalig verhoogde vrijstelling, of voor een hoger bedrag dan waarvoor eerst een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling is gedaan, wordt daarmee gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet en wordt het hernieuwde beroep op de vrijstelling niet gehonoreerd” 4.7. Schenker heeft als motief voor de herroeping (zie 2.7) aangevoerd dat hij zijn dochter wilde helpen bij de aankoop van een woning en belanghebbende heeft ter zitting opgemerkt dat de herroeping weliswaar fiscaal is georiënteerd, maar dat dit geen doorslaggevend motief betrof. Het hof is met de inspecteur van oordeel dat de herroeping in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven. Dat schenker als doel had zijn dochter met een schenking van € 100.000 te helpen bij de aankoop van een woning had eenvoudig kunnen worden bereikt door zonder herroeping van de schenking 2009 in 2017 een aanvullende schenking te doen. Het hof ziet de herroeping van de schenking 2009 daarom als louter te zijn ingegeven door fiscale motieven zodat het goedkeurend beleid in dit geval toepassing mist. Dat het goedkeurend beleid is gepubliceerd na de schenking 2009 en de herroeping in 2017 maakt dit oordeel niet anders aangezien het begunstigend beleid betreft en daarom toegepast kan worden op in dit geval eerdere schenkingen en herroepingen. Gesteld is ook dat belanghebbende niet op de hoogte was van enig fiscaal motief bij de herroeping van de schenking 2009. Indien en voor zover deze stelling juist zou zijn kan dit belanghebbende niet helpen. Als de herroeping in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven, zoals in dit geval, is dat voldoende om het begunstigende beleid niet toe te passen, ongeacht het gebrek aan wetenschap hierover aan de zijde van de begiftigde. 4.8. Ook in hoger beroep neemt belanghebbende het subsidiaire standpunt in dat als aan de herroeping geen terugwerkende kracht toekomt, de herroeping in 2017 niet heeft plaatsgevonden. In dat geval zou niet € 102.760 maar slechts € 80.000 in 2017 zijn geschonken en zou over dat laatste bedrag met toepassing van het bepaalde in artikel 82a SW schenkbelasting moeten worden berekend. Aangezien, ook in hoger beroep, tussen partijen vaststaat dat de schenking 2009 in 2017 wél is herroepen, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat dit subsidiaire standpunt daarom geen doel treft. Tussenconclusie 4.9. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.10. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.11. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep ongegrond; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, R.C.H.M. Lips en P. van der Wal, leden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Volledig
De rechtbank acht door de inspecteur onbetwist aangevoerd dat aan de herroeping fiscale motieven ten grondslag hebben gelegen waardoor belanghebbende geen geslaagd beroep op het goedkeurend beleid, zoals neergelegd in de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (hierna: het goedkeurend beleid), heeft kunnen doen. De subsidiaire stelling van belanghebbende, dat als aan de herroeping geen terugwerkende kracht toekomt dit betekent dat niet € 102.760, maar € 80.000 in 2017 is geschonken, wordt verworpen omdat als feit is komen vast te staan dat de eerste schenking is herroepen. 4.2. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat niet zij, maar haar vader als schenker belastingplichtig is voor de schenkingen 2017 omdat hij vrij van recht (inmiddels “vrij van belasting” geheten) heeft geschonken; daarom dient naar haar mening de aanslag te worden vernietigd. Voor het geval belanghebbende als de juiste belastingplichtige dient te worden aangemerkt dient naar haar mening de aanslag te worden verminderd omdat de schenking 2009 met terugwerkende kracht is herroepen, dan wel de herroeping niet in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven waardoor het goedkeurend beleid van toepassing is. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de aanslag dient te worden verminderd naar een belaste verkrijging van € 80.000. 4.3. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat ook bij een schenking vrij van belasting de verkrijger de belastingplichtige voor de schenkbelasting is. Hij stelt in dat verband dat het herroepingsrecht wordt aangemerkt als een ontbindende voorwaarde en dat de herroeping een vervulling van die ontbindende voorwaarde vormt. De herroeping heeft naar zijn mening op grond van artikel 3:38, lid 2, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen terugwerkende kracht. Hij acht het goedkeurend beleid niet van toepassing omdat aan de voorwaarde, dat de herroeping niet in overwegende mate mag zijn ingegeven door fiscale motieven, niet is voldaan. Doordat tussen partijen is komen vast te staan dat er herroepen is, vervalt zijn in eerste aanleg ingenomen subsidiaire standpunt dat indien de schenking uit 2009 niet herroepen is, de schenking in 2017 wordt verminderd naar € 80.000, aldus nog steeds de inspecteur. 4.4. Het hof oordeelt als volgt. Indien juist zou zijn dat de schenkingen 2017 vrij van belasting zijn geschonken, maakt dat niet dat daardoor de schenker belastingplichtig wordt voor de schenkbelasting. Artikel 36 SW wijst namelijk alleen de verkrijger aan als degene van wie de schenkbelasting wordt geheven. De andersluidende stelling van belanghebbende en het verzoek om de aanslag om die reden te vernietigen wordt dan ook verworpen. 4.5. Aangezien tussen partijen vaststaat dat de herroepelijke schenking 2009 in 2017 is herroepen en de herroeping de vervulling van een ontbindende voorwaarde betreft, kan de herroeping op grond van artikel 3:38, lid 2, BW geen terugwerkende kracht hebben. Het door belanghebbende beoogde gevolg van terugwerkende kracht, namelijk dat de eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 in 2009 geacht wordt niet te zijn toegepast, is derhalve onjuist. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de schenking 2009 door de herroeping niet met terugwerkende kracht teniet is gedaan en dat er geen aanleiding bestaat om de daarvoor opgelegde aanslag schenkbelasting te vernietigen. Dat betekent dat de toegepaste eenmalig vrij besteedbare verhoogde vrijstelling van € 22.760 in 2009 in stand is gebleven en dat terecht bij de bepaling van de belastbare schenkingen 2017 de eigenwoningvrijstelling, berekend op grond van artikel 82a SW, tot een bedrag van € 27.650 in mindering is gebracht. 4.6. Op grond van het goedkeurend beleid kan bij herroeping van een eerdere schenking - ondanks het ontbreken van terugwerkende kracht - een hernieuwd beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling bij een latere schenking worden gedaan mits de herroeping niet in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven. Er staat in die beleidsuiting: “Met andere woorden als de herroeping tot doel heeft alsnog in aanmerking te komen voor een eenmalig verhoogde vrijstelling, of voor een hoger bedrag dan waarvoor eerst een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling is gedaan, wordt daarmee gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet en wordt het hernieuwde beroep op de vrijstelling niet gehonoreerd” 4.7. Schenker heeft als motief voor de herroeping (zie 2.7) aangevoerd dat hij zijn dochter wilde helpen bij de aankoop van een woning en belanghebbende heeft ter zitting opgemerkt dat de herroeping weliswaar fiscaal is georiënteerd, maar dat dit geen doorslaggevend motief betrof. Het hof is met de inspecteur van oordeel dat de herroeping in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven. Dat schenker als doel had zijn dochter met een schenking van € 100.000 te helpen bij de aankoop van een woning had eenvoudig kunnen worden bereikt door zonder herroeping van de schenking 2009 in 2017 een aanvullende schenking te doen. Het hof ziet de herroeping van de schenking 2009 daarom als louter te zijn ingegeven door fiscale motieven zodat het goedkeurend beleid in dit geval toepassing mist. Dat het goedkeurend beleid is gepubliceerd na de schenking 2009 en de herroeping in 2017 maakt dit oordeel niet anders aangezien het begunstigend beleid betreft en daarom toegepast kan worden op in dit geval eerdere schenkingen en herroepingen. Gesteld is ook dat belanghebbende niet op de hoogte was van enig fiscaal motief bij de herroeping van de schenking 2009. Indien en voor zover deze stelling juist zou zijn kan dit belanghebbende niet helpen. Als de herroeping in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven, zoals in dit geval, is dat voldoende om het begunstigende beleid niet toe te passen, ongeacht het gebrek aan wetenschap hierover aan de zijde van de begiftigde. 4.8. Ook in hoger beroep neemt belanghebbende het subsidiaire standpunt in dat als aan de herroeping geen terugwerkende kracht toekomt, de herroeping in 2017 niet heeft plaatsgevonden. In dat geval zou niet € 102.760 maar slechts € 80.000 in 2017 zijn geschonken en zou over dat laatste bedrag met toepassing van het bepaalde in artikel 82a SW schenkbelasting moeten worden berekend. Aangezien, ook in hoger beroep, tussen partijen vaststaat dat de schenking 2009 in 2017 wél is herroepen, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat dit subsidiaire standpunt daarom geen doel treft. Tussenconclusie 4.9. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Ten aanzien van het griffierecht 4.10. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.11. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep ongegrond; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, R.C.H.M. Lips en P. van der Wal, leden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.