Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-22
ECLI:NL:GHSHE:2026:1077
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
10,454 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 text/xml public 2026-05-12T10:55:10 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-22 24/946 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:3442, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 text/html public 2026-05-12T10:23:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-04-2026 / 24/946 Naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Nu belanghebbende voor het jaar 2022 beschikte over een geldige parkeervergunning, moet worden aangenomen dat zijn parkeervergunning automatisch is verlengd voor het jaar 2023. Hieraan doet niet af dat de verschuldigde belasting pas na het opleggen van de naheffingsaanslagen is voldaan. Uit de Verordening parkeerbelastingen of de Verordening fysieke leefomgeving kan niet worden afgeleid dat een parkeervergunning pas geldig is nadat de verschuldigde belasting is voldaan. De naheffingsaanslagen zijn ten onrechte opgelegd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/946 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 mei 2024, nummer BRE 23/3454, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Terneuzen , hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 7 augustus 2024 en 14 oktober 2024 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij een digitaal verzonden bericht heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het hof is het bericht op 12 november 2025, 12:03 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. Op 1 februari 2023 om 19.24 uur en op 10 februari 2023 om 14.49 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan respectievelijk de [adres 1] en de [adres 2] in [woonplaats] (hierna: de locaties). De locaties zijn door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen aangewezen als plaatsen waar op die data en tijdstippen slechts mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting (artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 (hierna: de Verordening parkeerbelastingen), gelezen in samenhang met bijlage 1 van de Verordening parkeerbelastingen en artikel 2.12 en bijlage 3 van de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen). De locaties zijn gelegen in zone 3. 2.2. Beide naheffingsaanslagen bedragen € 86,50, bestaande uit de kosten van de naheffingsaanslag van € 66,50 verhoogd met het bedrag van de parkeerbelasting van € 20,00. 2.3. Belanghebbende beschikte gedurende het jaar 2022 over een geldige parkeervergunning. 2.4. Op 16 december 2022 heeft de gemeente Terneuzen een brief aan belanghebbende gezonden, waarin, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende staat vermeld: “Vergunningnummer: (…) Geldigheid vergunning: Jaar: 2023 van: 01-01-2023 tot: 01-01-2024 (…) Naar aanleiding van uw verzoek verlenen wij u een parkeervergunning. Na ontvangst van de betaling wordt de vergunning digitaal aangemaakt en/of aan u toegestuurd. Het te betalen bedrag bedraagt € 32,90. (…) Wij verzoeken u € 32,90 over te maken op rekeningnummer (…) voor of uiterlijk op: 06-01-2023 . (…)” 2.5. Aan belanghebbende is op 24 januari 2023 de volgende waarschuwing gegeven: “ Gemeente Terneuzen Waarschuwing Naheffingsaanslag parkeerbelasting dag maand jaar tijdstip verbalisant Nummer: [nummer] (…) Plaats / gedraging / (de voor het openbaar verkeer openstaande weg) : overtreding [adres 3] te [woonplaats] (…) Kenteken: [kenteken] (…) Ik verbalisant zag op genoemde datum, tijdstip en plaats dat met het omschreven voertuig de volgende overtreding werd gepleegd (…) Omschrijving: Parkeren in een zone betaald parkeren zonder dat van voldoende betaling is gebleken Toelichting: Uw voertuig is niet aangemeld of staat in de verkeerde zone. Sanctie bedrag / Bedrag € 0.00 Naheffing Kosten naheffing € 0.00 Totaal € 0.00 (…)” 2.6. Belanghebbende heeft op 13 februari 2023 via een pintransactie € 32,90 betaald voor de parkeervergunning aan de balie van het gemeentehuis in Terneuzen. 2.7. Tot de gedingstukken behoort een brief van de gemeente Terneuzen aan belanghebbende met het opschrift “Parkeervergunning”. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Datum: 13-02-2023 (…) Hierbij zenden wij u uw parkeervergunning. Bij gebruikmaking van de vergunning verzoeken wij u onderstaande voorwaarden in acht te nemen. (…) Tijdens het parkeren met deze vergunning dient het vignet van buitenaf duidelijk leesbaar achter de voorruit te zijn geplaatst.” Bij de brief is een kaart gevoegd waarop, voor zover van belang, de volgende gegevens staan: “Gemeente Terneuzen Bewonersvergunning Parkeergebied: Zone 3 Kenteken(s) [kenteken] Geldig: Van Tot 01-01-2023 01-01-2024 Deze kaart dient u van buitenaf duidelijk leesbaar achter de voorruit te plaatsen” 2.8. Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was de door de raad van de gemeente Terneuzen vastgestelde Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen (hierna: Verordening fysieke leefomgeving) van toepassing. De Verordening fysieke leefomgeving bevat, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen: “ Artikel 3.90 Parkeervergunning belanghebbenden 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Een vergunning kan in ieder geval worden verleend: a. voor een zone aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in betreffende zone; (…) 3. Het college kan in bijzondere gevallen ook een vergunning verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig, dan wel natuurlijke of rechtspersoon die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden; 4. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. (…) Artikel 3.92 Geldigheidsduur vergunning (…) 2. De vergunning wordt automatisch verlengd indien na deze periode nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.90, lid 2 van deze verordening. 3. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b. de zone waarvoor de vergunning geldt; c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.” 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 text/xml public 2026-05-12T10:55:10 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-22 24/946 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:3442, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 text/html public 2026-05-12T10:23:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1077 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 22-04-2026 / 24/946 Naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Nu belanghebbende voor het jaar 2022 beschikte over een geldige parkeervergunning, moet worden aangenomen dat zijn parkeervergunning automatisch is verlengd voor het jaar 2023. Hieraan doet niet af dat de verschuldigde belasting pas na het opleggen van de naheffingsaanslagen is voldaan. Uit de Verordening parkeerbelastingen of de Verordening fysieke leefomgeving kan niet worden afgeleid dat een parkeervergunning pas geldig is nadat de verschuldigde belasting is voldaan. De naheffingsaanslagen zijn ten onrechte opgelegd. GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/946 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 mei 2024, nummer BRE 23/3454, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Terneuzen , hierna: de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft op 7 augustus 2024 en 14 oktober 2024 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij een digitaal verzonden bericht heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het hof is het bericht op 12 november 2025, 12:03 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2 Feiten 2.1. Op 1 februari 2023 om 19.24 uur en op 10 februari 2023 om 14.49 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan respectievelijk de [adres 1] en de [adres 2] in [woonplaats] (hierna: de locaties). De locaties zijn door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen aangewezen als plaatsen waar op die data en tijdstippen slechts mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting (artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 (hierna: de Verordening parkeerbelastingen), gelezen in samenhang met bijlage 1 van de Verordening parkeerbelastingen en artikel 2.12 en bijlage 3 van de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen). De locaties zijn gelegen in zone 3. 2.2. Beide naheffingsaanslagen bedragen € 86,50, bestaande uit de kosten van de naheffingsaanslag van € 66,50 verhoogd met het bedrag van de parkeerbelasting van € 20,00. 2.3. Belanghebbende beschikte gedurende het jaar 2022 over een geldige parkeervergunning. 2.4. Op 16 december 2022 heeft de gemeente Terneuzen een brief aan belanghebbende gezonden, waarin, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende staat vermeld: “Vergunningnummer: (…) Geldigheid vergunning: Jaar: 2023 van: 01-01-2023 tot: 01-01-2024 (…) Naar aanleiding van uw verzoek verlenen wij u een parkeervergunning. Na ontvangst van de betaling wordt de vergunning digitaal aangemaakt en/of aan u toegestuurd. Het te betalen bedrag bedraagt € 32,90. (…) Wij verzoeken u € 32,90 over te maken op rekeningnummer (…) voor of uiterlijk op: 06-01-2023 . (…)” 2.5. Aan belanghebbende is op 24 januari 2023 de volgende waarschuwing gegeven: “ Gemeente Terneuzen Waarschuwing Naheffingsaanslag parkeerbelasting dag maand jaar tijdstip verbalisant Nummer: [nummer] (…) Plaats / gedraging / (de voor het openbaar verkeer openstaande weg) : overtreding [adres 3] te [woonplaats] (…) Kenteken: [kenteken] (…) Ik verbalisant zag op genoemde datum, tijdstip en plaats dat met het omschreven voertuig de volgende overtreding werd gepleegd (…) Omschrijving: Parkeren in een zone betaald parkeren zonder dat van voldoende betaling is gebleken Toelichting: Uw voertuig is niet aangemeld of staat in de verkeerde zone. Sanctie bedrag / Bedrag € 0.00 Naheffing Kosten naheffing € 0.00 Totaal € 0.00 (…)” 2.6. Belanghebbende heeft op 13 februari 2023 via een pintransactie € 32,90 betaald voor de parkeervergunning aan de balie van het gemeentehuis in Terneuzen. 2.7. Tot de gedingstukken behoort een brief van de gemeente Terneuzen aan belanghebbende met het opschrift “Parkeervergunning”. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Datum: 13-02-2023 (…) Hierbij zenden wij u uw parkeervergunning. Bij gebruikmaking van de vergunning verzoeken wij u onderstaande voorwaarden in acht te nemen. (…) Tijdens het parkeren met deze vergunning dient het vignet van buitenaf duidelijk leesbaar achter de voorruit te zijn geplaatst.” Bij de brief is een kaart gevoegd waarop, voor zover van belang, de volgende gegevens staan: “Gemeente Terneuzen Bewonersvergunning Parkeergebied: Zone 3 Kenteken(s) [kenteken] Geldig: Van Tot 01-01-2023 01-01-2024 Deze kaart dient u van buitenaf duidelijk leesbaar achter de voorruit te plaatsen” 2.8. Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was de door de raad van de gemeente Terneuzen vastgestelde Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen (hierna: Verordening fysieke leefomgeving) van toepassing. De Verordening fysieke leefomgeving bevat, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen: “ Artikel 3.90 Parkeervergunning belanghebbenden 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Een vergunning kan in ieder geval worden verleend: a. voor een zone aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in betreffende zone; (…) 3. Het college kan in bijzondere gevallen ook een vergunning verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig, dan wel natuurlijke of rechtspersoon die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden; 4. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. (…) Artikel 3.92 Geldigheidsduur vergunning (…) 2. De vergunning wordt automatisch verlengd indien na deze periode nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.90, lid 2 van deze verordening. 3. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt; b. de zone waarvoor de vergunning geldt; c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.” 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1.
Volledig
In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslagen en tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende stelt dat zijn parkeervergunning betrekking heeft op en geldig was in de periode 1 januari 2023 tot 1 januari 2024, hetgeen ook op de parkeervergunning zelf staat vermeld. Dat de betaling op 13 februari 2023 heeft plaatsgevonden, doet volgens belanghebbende niet af aan de geldigheid van de parkeervergunning in voornoemde periode. Aangezien de data waarop door belanghebbende is geparkeerd (1 februari 2023 en 10 februari 2023) binnen de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 vallen, zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, aldus belanghebbende. 4.2. De heffingsambtenaar is van mening dat een parkeervergunning pas geldig is vanaf het moment dat de betaling voor de parkeervergunning heeft plaatsgevonden. Aangezien belanghebbende op de tijdstippen waarop hij heeft geparkeerd nog niet had betaald voor de parkeervergunning en belanghebbende ook geen parkeerbelasting heeft voldaan met behulp van een betaalautomaat of via een betaalapplicatie op een mobiele telefoon, zijn de naheffingsaanslagen naar de mening van de heffingsambtenaar terecht opgelegd. 4.3. In de Verordening parkeerbelastingen staan, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer de volgende bepalingen: “ Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangewezen plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. (…) 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. (…) Artikel 5 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. 3. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door mobiel parkeren. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via mobiel parkeren. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. (…)” 4.4. Gelet op voornoemde bepalingen uit de Verordening parkeerbelastingen en in aanmerking genomen het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997 , is het stelsel van de Verordening parkeerbelastingen dat de belasting als bedoeld in artikel 2, letter a, van de Verordening parkeerbelastingen (hierna: a-belasting) niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de belasting als bedoeld in artikel 2, letter b, van de Verordening parkeerbelastingen (hierna: b-belasting) is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, is geen sprake van parkeren met die vergunning. Uit het stelsel van de wet volgt dat belanghebbende in dat geval de a-belasting is verschuldigd. 4.5. In de brief van 16 december 2022 staat vermeld dat de gemeente Terneuzen aan belanghebbende een parkeervergunning verleent die geldig is van 1 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 (zie 2.4). Niet in geschil is dat belanghebbende voor het jaar 2022 over een geldige parkeervergunning beschikte. Op grond van artikel 3.92, lid 2, van de Verordening fysieke leefomgeving wordt een parkeervergunning automatisch verlengd indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.90, lid 2, letter a, van de Verordening fysieke leefomgeving (zie 2.8). Evenmin is in geschil dat belanghebbende voldeed aan deze voorwaarden. Gelet hierop moet worden aangenomen dat belanghebbendes parkeervergunning bij brief van 16 december 2022 (automatisch) is verlengd voor het jaar 2023. De parkeervergunning voor het jaar 2023 is derhalve verleend op de genoemde datum. Dit is ingevolge artikel 6, lid 2, van de Verordening parkeerbelastingen ook het tijdstip waarop de b-belasting is verschuldigd (zie 4.3). Het feit dat belanghebbende de verschuldigde belasting pas op 13 februari 2023 heeft voldaan, doet hieraan niet af. Bovendien volgt expliciet uit de vergunning dat zij geldig is vanaf 1 januari 2023, zulks in overeenstemming met het voorschrift van artikel 3.92, lid 3, letter a, van de Verordening fysieke leefomgeving (zie 2.8). Het Hof verwerpt de stelling van de heffingsambtenaar dat een parkeervergunning pas geldig is nadat voor de parkeervergunning is betaald. In artikel 6, lid 2, van de Verordening parkeerbelastingen kan geen voorwaardelijke geldigheid van een parkeervergunning worden gelezen, dan wel een opschortende voorwaarde tot het tijdstip van voldoening van de verschuldigde belasting. Dat een parkeervergunning pas geldig is na betaling van de verschuldigde b-belasting volgt evenmin uit enige andere bepaling van de Verordening parkeerbelastingen of de Verordening fysieke leefomgeving. Een zodanige opvatting staat overigens ook op gespannen voet met het feit dat de betalingstermijn voor de met de onderhavige vergunning samenhangende parkeerbelasting verstreek na aanvang van de periode waarvoor de vergunning gold (in dit geval op 6 januari 2023). 4.6. Ter zitting van het hof heeft de heffingsambtenaar verklaard dat het niet nodig is de vergunning achter de voorruit te plaatsen, omdat kentekens van geparkeerde auto’s door de parkeercontroleurs worden gescand en vervolgens in het systeem van de gemeente wordt geverifieerd of een parkeervergunning is verstrekt. Die eis wordt in de toepasselijke verordeningen inderdaad niet gesteld met het oog op de heffing van parkeerbelasting. Het feit dat geen vergunning achter de voorruit van de auto was geplaatst, kan derhalve niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. 4.7. De brief van 16 december 2022 vermeldt tevens een betalingstermijn tot en met 6 januari 2023. Niet in geschil is dat belanghebbende de b-belasting niet binnen deze gestelde termijn heeft voldaan. Indien een belastingplichtige in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde belasting, heeft de gemeente Terneuzen echter de mogelijkheid om de parkeervergunning in te trekken of om een waarschuwing te geven, al dan niet gekoppeld aan een herinnering of aanmaning. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is toegelicht, is echter niet gebleken dat de parkeervergunning is ingetrokken of beëindigd.
Volledig
In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslagen en tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Belanghebbende stelt dat zijn parkeervergunning betrekking heeft op en geldig was in de periode 1 januari 2023 tot 1 januari 2024, hetgeen ook op de parkeervergunning zelf staat vermeld. Dat de betaling op 13 februari 2023 heeft plaatsgevonden, doet volgens belanghebbende niet af aan de geldigheid van de parkeervergunning in voornoemde periode. Aangezien de data waarop door belanghebbende is geparkeerd (1 februari 2023 en 10 februari 2023) binnen de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 vallen, zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, aldus belanghebbende. 4.2. De heffingsambtenaar is van mening dat een parkeervergunning pas geldig is vanaf het moment dat de betaling voor de parkeervergunning heeft plaatsgevonden. Aangezien belanghebbende op de tijdstippen waarop hij heeft geparkeerd nog niet had betaald voor de parkeervergunning en belanghebbende ook geen parkeerbelasting heeft voldaan met behulp van een betaalautomaat of via een betaalapplicatie op een mobiele telefoon, zijn de naheffingsaanslagen naar de mening van de heffingsambtenaar terecht opgelegd. 4.3. In de Verordening parkeerbelastingen staan, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer de volgende bepalingen: “ Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangewezen plaats en wijze. Artikel 3 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. (…) 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. (…) Artikel 5 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. 3. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door mobiel parkeren. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via mobiel parkeren. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. (…)” 4.4. Gelet op voornoemde bepalingen uit de Verordening parkeerbelastingen en in aanmerking genomen het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997 , is het stelsel van de Verordening parkeerbelastingen dat de belasting als bedoeld in artikel 2, letter a, van de Verordening parkeerbelastingen (hierna: a-belasting) niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de belasting als bedoeld in artikel 2, letter b, van de Verordening parkeerbelastingen (hierna: b-belasting) is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, is geen sprake van parkeren met die vergunning. Uit het stelsel van de wet volgt dat belanghebbende in dat geval de a-belasting is verschuldigd. 4.5. In de brief van 16 december 2022 staat vermeld dat de gemeente Terneuzen aan belanghebbende een parkeervergunning verleent die geldig is van 1 januari 2023 tot en met 1 januari 2024 (zie 2.4). Niet in geschil is dat belanghebbende voor het jaar 2022 over een geldige parkeervergunning beschikte. Op grond van artikel 3.92, lid 2, van de Verordening fysieke leefomgeving wordt een parkeervergunning automatisch verlengd indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.90, lid 2, letter a, van de Verordening fysieke leefomgeving (zie 2.8). Evenmin is in geschil dat belanghebbende voldeed aan deze voorwaarden. Gelet hierop moet worden aangenomen dat belanghebbendes parkeervergunning bij brief van 16 december 2022 (automatisch) is verlengd voor het jaar 2023. De parkeervergunning voor het jaar 2023 is derhalve verleend op de genoemde datum. Dit is ingevolge artikel 6, lid 2, van de Verordening parkeerbelastingen ook het tijdstip waarop de b-belasting is verschuldigd (zie 4.3). Het feit dat belanghebbende de verschuldigde belasting pas op 13 februari 2023 heeft voldaan, doet hieraan niet af. Bovendien volgt expliciet uit de vergunning dat zij geldig is vanaf 1 januari 2023, zulks in overeenstemming met het voorschrift van artikel 3.92, lid 3, letter a, van de Verordening fysieke leefomgeving (zie 2.8). Het Hof verwerpt de stelling van de heffingsambtenaar dat een parkeervergunning pas geldig is nadat voor de parkeervergunning is betaald. In artikel 6, lid 2, van de Verordening parkeerbelastingen kan geen voorwaardelijke geldigheid van een parkeervergunning worden gelezen, dan wel een opschortende voorwaarde tot het tijdstip van voldoening van de verschuldigde belasting. Dat een parkeervergunning pas geldig is na betaling van de verschuldigde b-belasting volgt evenmin uit enige andere bepaling van de Verordening parkeerbelastingen of de Verordening fysieke leefomgeving. Een zodanige opvatting staat overigens ook op gespannen voet met het feit dat de betalingstermijn voor de met de onderhavige vergunning samenhangende parkeerbelasting verstreek na aanvang van de periode waarvoor de vergunning gold (in dit geval op 6 januari 2023). 4.6. Ter zitting van het hof heeft de heffingsambtenaar verklaard dat het niet nodig is de vergunning achter de voorruit te plaatsen, omdat kentekens van geparkeerde auto’s door de parkeercontroleurs worden gescand en vervolgens in het systeem van de gemeente wordt geverifieerd of een parkeervergunning is verstrekt. Die eis wordt in de toepasselijke verordeningen inderdaad niet gesteld met het oog op de heffing van parkeerbelasting. Het feit dat geen vergunning achter de voorruit van de auto was geplaatst, kan derhalve niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. 4.7. De brief van 16 december 2022 vermeldt tevens een betalingstermijn tot en met 6 januari 2023. Niet in geschil is dat belanghebbende de b-belasting niet binnen deze gestelde termijn heeft voldaan. Indien een belastingplichtige in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde belasting, heeft de gemeente Terneuzen echter de mogelijkheid om de parkeervergunning in te trekken of om een waarschuwing te geven, al dan niet gekoppeld aan een herinnering of aanmaning. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is toegelicht, is echter niet gebleken dat de parkeervergunning is ingetrokken of beëindigd.
Volledig
Gelet hierop en op de omstandigheid dat noch uit de Verordening parkeerbelastingen, noch uit de Verordening fysieke leefomgeving kan worden afgeleid dat een parkeervergunning slechts wordt verlengd op de voorwaarde dat de in verband met de verlenging verschuldigde b-belasting is betaald, kon en mocht belanghebbende ervan uitgaan dat de parkeervergunning, die bij brief van 16 december 2022 aan hem is verleend voor het jaar 2023, geldig was ten tijde van het parkeren op 1 februari 2023 en 10 februari 2023. 4.8. Dat aan belanghebbende op 24 januari 2023 een waarschuwing zou zijn gegeven in de vorm van een op nihil gestelde naheffingsaanslag (zie 2.5), doet aan het voorgaande niet af. Uit de op nihil gestelde naheffingsaanslag kan namelijk niet (met zekerheid) worden afgeleid waarop de waarschuwing betrekking heeft. Zo staat op de naheffingsaanslag niet vermeld dat de naheffingsaanslag dient als een herinnering voor belanghebbende om de in verband met de parkeervergunning verschuldigde b-belasting te betalen. Evenmin kan uit de op nihil gestelde naheffingsaanslag worden afgeleid dat de parkeervergunning bij het uitblijven van betaling haar geldigheid zou verliezen. 4.9. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat, nu belanghebbende bij aanvang van het parkeren op 1 februari 2023 en 10 februari 2023 beschikte over een geldige parkeervergunning, de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd en dienen te worden vernietigd. Alle overige standpunten van belanghebbende behoeven daarmee geen behandeling meer. Tussenconclusie 4.10. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht 4.11. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien belanghebbende in alle fases van de procedure voor zichzelf heeft opgetreden. 4.12. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslagen; en - bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het hof van in totaal € 188 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.J. Kroon, voorzitter, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van X. Evers, als griffier. De beslissing is digitaal ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. De griffier, de voorzitter, X. Evers H.A.J. Kroon Een afschrift van de uitspraak is op die datum in MijnRechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. HR 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336, r.o. 3.4.
Volledig
Gelet hierop en op de omstandigheid dat noch uit de Verordening parkeerbelastingen, noch uit de Verordening fysieke leefomgeving kan worden afgeleid dat een parkeervergunning slechts wordt verlengd op de voorwaarde dat de in verband met de verlenging verschuldigde b-belasting is betaald, kon en mocht belanghebbende ervan uitgaan dat de parkeervergunning, die bij brief van 16 december 2022 aan hem is verleend voor het jaar 2023, geldig was ten tijde van het parkeren op 1 februari 2023 en 10 februari 2023. 4.8. Dat aan belanghebbende op 24 januari 2023 een waarschuwing zou zijn gegeven in de vorm van een op nihil gestelde naheffingsaanslag (zie 2.5), doet aan het voorgaande niet af. Uit de op nihil gestelde naheffingsaanslag kan namelijk niet (met zekerheid) worden afgeleid waarop de waarschuwing betrekking heeft. Zo staat op de naheffingsaanslag niet vermeld dat de naheffingsaanslag dient als een herinnering voor belanghebbende om de in verband met de parkeervergunning verschuldigde b-belasting te betalen. Evenmin kan uit de op nihil gestelde naheffingsaanslag worden afgeleid dat de parkeervergunning bij het uitblijven van betaling haar geldigheid zou verliezen. 4.9. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat, nu belanghebbende bij aanvang van het parkeren op 1 februari 2023 en 10 februari 2023 beschikte over een geldige parkeervergunning, de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd en dienen te worden vernietigd. Alle overige standpunten van belanghebbende behoeven daarmee geen behandeling meer. Tussenconclusie 4.10. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht 4.11. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien belanghebbende in alle fases van de procedure voor zichzelf heeft opgetreden. 4.12. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. 5 Beslissing Het hof: - verklaart het hoger beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslagen; en - bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het hof van in totaal € 188 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H.A.J. Kroon, voorzitter, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van X. Evers, als griffier. De beslissing is digitaal ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. De griffier, de voorzitter, X. Evers H.A.J. Kroon Een afschrift van de uitspraak is op die datum in MijnRechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. HR 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336, r.o. 3.4.