Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-16
ECLI:NL:GHSHE:2026:1060
Strafrecht
Hoger beroep
35,575 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 text/xml public 2026-05-04T11:30:21 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-16 20-002640-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:6548 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 text/html public 2026-05-04T11:30:03 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-04-2026 / 20-002640-24 Oplichting. Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-002640-24 Uitspraak : 16 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-218853-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘medeplegen van oplichting’ (feit 1), en ‘het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 222.000,00, als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij zijn begroot op een bedrag van € 10.580,00. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, met veroordeling van de verdachte in de kosten van het geding, aan de zijde van de benadeelde partij begroot op het door deze gevorderde bedrag. De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman opmerkingen gemaakt over de strafmaat. Aangaande de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman zich – naar het hof begrijpt – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen, omdat het hof zich op onderdelen daarmee niet kan verenigen. Dit laat evenwel onverlet dat het hof zich in grote mate kan vinden in de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent, zodat het hof het vonnis van de rechtbank tot uitgangspunt zal nemen en delen daarvan hierna zal overnemen in dit arrest. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 249.500, althans van enig geldbedrag door valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - een schade aan het bedrijfspand ten gevolge van blikseminslag bij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te melden, - mede te delen dat het (bedrijfs)pand op last van de brandweer (tijdelijk) moest worden gesloten, - aan te geven dat zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - door sluiting inkomsten misliep omdat geen (bedrijfs)ruimtes meer konden worden verhuurd, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te verzenden, betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] en de (tijdelijke) sluiting van genoemd pand op last van de brandweer en/of - ter onderbouwing van het mislopen van inkomsten van zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - een aantal contracten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te sturen, waardoor [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); 2. hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, althans eenmaal, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (lid 1) en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (lid 2) bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat: - de brief niet is opgemaakt en/of verstuurd door Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en/of - de contracten niet zijn ondertekend/afgesloten door de partijen die als zogenaamde huurders in de contracten hadden te gelden en waarbij deze door hem, verdachte, zijn ondertekend en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededaders voornoemde valse/vervalste brief en/of contracten heeft/hebben overhandigd/toegezonden, althans heeft/hebben doen overhandigen/toezenden aan de verzekeringsmaatschappij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] . De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 text/xml public 2026-05-04T11:30:21 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-16 20-002640-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:6548 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 text/html public 2026-05-04T11:30:03 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1060 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-04-2026 / 20-002640-24 Oplichting. Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd. Parketnummer : 20-002640-24 Uitspraak : 16 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-218853-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘medeplegen van oplichting’ (feit 1), en ‘het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 222.000,00, als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij zijn begroot op een bedrag van € 10.580,00. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen, met veroordeling van de verdachte in de kosten van het geding, aan de zijde van de benadeelde partij begroot op het door deze gevorderde bedrag. De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman opmerkingen gemaakt over de strafmaat. Aangaande de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman zich – naar het hof begrijpt – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen, omdat het hof zich op onderdelen daarmee niet kan verenigen. Dit laat evenwel onverlet dat het hof zich in grote mate kan vinden in de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent, zodat het hof het vonnis van de rechtbank tot uitgangspunt zal nemen en delen daarvan hierna zal overnemen in dit arrest. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) (ongeveer) € 249.500, althans van enig geldbedrag door valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - een schade aan het bedrijfspand ten gevolge van blikseminslag bij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te melden, - mede te delen dat het (bedrijfs)pand op last van de brandweer (tijdelijk) moest worden gesloten, - aan te geven dat zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - door sluiting inkomsten misliep omdat geen (bedrijfs)ruimtes meer konden worden verhuurd, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te verzenden, betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] en de (tijdelijke) sluiting van genoemd pand op last van de brandweer en/of - ter onderbouwing van het mislopen van inkomsten van zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - een aantal contracten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te sturen, waardoor [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n); 2. hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, althans eenmaal, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (lid 1) en/of opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van voornoemde valse en/of vervalste geschriften (lid 2) bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat: - de brief niet is opgemaakt en/of verstuurd door Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en/of - de contracten niet zijn ondertekend/afgesloten door de partijen die als zogenaamde huurders in de contracten hadden te gelden en waarbij deze door hem, verdachte, zijn ondertekend en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededaders voornoemde valse/vervalste brief en/of contracten heeft/hebben overhandigd/toegezonden, althans heeft/hebben doen overhandigen/toezenden aan de verzekeringsmaatschappij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] . De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Volledig
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan , met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag door in strijd met de waarheid - aan te geven dat zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - door sluiting inkomsten misliep omdat geen (bedrijfs)ruimtes meer konden worden verhuurd, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te laten verzenden, betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] en de (tijdelijke) sluiting van genoemd pand op last van de brandweer en - ter onderbouwing van het mislopen van inkomsten van zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - een aantal contracten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te laten sturen, waardoor [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 2. hij in de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, van - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt en gebruik heeft doen maken van voornoemde valse geschriften, bestaande die valsheid telkens hierin dat: - de brief niet is opgemaakt of verstuurd door Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en - de contracten niet zijn ondertekend/afgesloten door de partijen die als zogenaamde huurders in de contracten hadden te gelden en waarbij deze door hem, verdachte, zijn ondertekend en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte voornoemde valse brief en contracten heeft doen overhandigen/toezenden aan de verzekeringsmaatschappij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] . Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district de Baronie, basisteam Dongemond, registratienummer PL2000-2018172818, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, gesloten 11 november 2018, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 379. De inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen is, waar nodig, zakelijk en samengevat weergegeven. 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2018, (pg. 203-205), met bijlage (pg. 206, zie bewijsmiddel 2), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1] , namens het slachtoffer de Brandweer Midden- en West Brabant en de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant: Ik doe aangifte van valsheid in geschrifte namens Brandweer Midden- en West-Brabant en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Ik kreeg een brief onder ogen welke namens de Brandweer en de Veiligheidsregio zou zijn opgemaakt. In de brief wordt vermeld dat op 22 juli 2016 een blikseminslag is geweest in een bedrijfspand aan [adres 2] - [adres 3] en dat de gebruikersvergunning van het pand wordt ingetrokken. Deze brief is nooit door de Brandweer of de Veiligheidsregio opgemaakt. 2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina 206), te weten een brief van Brandweer Midden en West Brabant d.d. 2 september 2016 aan [bedrijf 1] , welke brief aan dit arrest wordt gehecht en waarvan de redengevende inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. 3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 maart 2018, (pg. 207-209), met bijlagen (dossierpagina’s 210 -255), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2] , namens het slachtoffer [benadeelde 2] onderdeel [benadeelde 1] : Ik doe aangifte van verzekeringsfraude namens [benadeelde 2] h.o.d.n [benadeelde 1] . Op 22 juli 2016 is door [verdachte] een schade gemeld bij [benadeelde 1] aan zijn bedrijf genaamd [bedrijf 1] aan [adres 2] - [adres 3] . Meneer [verdachte] is een klant van [benadeelde 1] . [verdachte] gaf aan forse schade te hebben door blikseminslag. Door de blikseminslag zou het pand op last van de brandweer zijn gesloten. In het pand verhuurde meneer [verdachte] enkele ruimtes aan andere bedrijven volgens eigen zeggen. Hierdoor liep hij alle inkomsten mis. Hierom heeft meneer [verdachte] destijds de verzekering ingeschakeld. [benadeelde 1] heeft de geleden schade van [verdachte] uitbetaald. In totaal is hem een bedrag van € 249.500,- betaald. Wij zijn door het bedrijf [bedrijf 8] benaderd. [verdachte] heeft destijds verhuurcontracten met verschillende bedrijven gestuurd naar zijn accountant. Later bleek dat de claim niet correct was. Hierop zijn wij zelf een onderzoek gestart naar wat er dan niet bleek te kloppen. Ik heb de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] benaderd. Ik kreeg van hen het antwoord dat het contract niet van hen afkomstig en getekend was. Ook bleken sommige contactpersonen niet werkzaam te zijn bij het bedrijf. [verdachte] heeft destijds ook een brief van de brandweer aangeleverd waaruit zou blijken dat het pand gesloten moest worden. De brandweer heeft geen melding ontvangen en heeft nooit een brief verstuurd aan [verdachte] . 4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 en 21 juni 2018 (dossierpagina’s 274-279) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : V: vraag verbalisant A: Antwoord verdachte V: (…) U had een eigen bedrijf (…) A: (…) [bedrijf 1] . (…) V: De blikseminslag wordt ondersteund door een brief van de brandweer. Bij de brandweer geeft men aan dat deze brief nooit door hun is verzonden. Hoe verklaart u dat? A: (…) Ik heb alle formulieren met betrekking tot de blikseminslag naar [bedrijf 8] doorgestuurd. (…) Ik heb een hoop documenten overhandigd. V: wat kunt u zelf verklaren over de brief van de veiligheidsregio welke is verzonden? A: Ik heb alle post ingescand en naar [bedrijf 8] gestuurd. Ik heb de brief van de Veiligheidsregio later nog een keer opgezocht toen [betrokkene 1] erom vroeg. Verder hield ik me bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering. Ik deed de contracten. 5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina’s 295-296), te weten een vaststellingsovereenkomst d.d.
Volledig
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan , met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 22 juli 2016 tot en met 18 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag door in strijd met de waarheid - aan te geven dat zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - door sluiting inkomsten misliep omdat geen (bedrijfs)ruimtes meer konden worden verhuurd, - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te laten verzenden, betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] en de (tijdelijke) sluiting van genoemd pand op last van de brandweer en - ter onderbouwing van het mislopen van inkomsten van zijn, verdachtes bedrijf, - genaamd [bedrijf 1] - een aantal contracten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] te laten sturen, waardoor [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 2. hij in de periode van 27 oktober 2016 tot en met 10 november 2016 te Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, van - een brief van de Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant d.d. 2 september 2016 betreffende de gebruikersvergunning locatie [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , - een contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van een bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] - [adres 3] , zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt en gebruik heeft doen maken van voornoemde valse geschriften, bestaande die valsheid telkens hierin dat: - de brief niet is opgemaakt of verstuurd door Brandweer Midden en West Brabant en/of de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en - de contracten niet zijn ondertekend/afgesloten door de partijen die als zogenaamde huurders in de contracten hadden te gelden en waarbij deze door hem, verdachte, zijn ondertekend en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte voornoemde valse brief en contracten heeft doen overhandigen/toezenden aan de verzekeringsmaatschappij [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] . Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district de Baronie, basisteam Dongemond, registratienummer PL2000-2018172818, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, gesloten 11 november 2018, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 379. De inhoud van de hierna opgenomen bewijsmiddelen is, waar nodig, zakelijk en samengevat weergegeven. 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2018, (pg. 203-205), met bijlage (pg. 206, zie bewijsmiddel 2), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1] , namens het slachtoffer de Brandweer Midden- en West Brabant en de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant: Ik doe aangifte van valsheid in geschrifte namens Brandweer Midden- en West-Brabant en de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Ik kreeg een brief onder ogen welke namens de Brandweer en de Veiligheidsregio zou zijn opgemaakt. In de brief wordt vermeld dat op 22 juli 2016 een blikseminslag is geweest in een bedrijfspand aan [adres 2] - [adres 3] en dat de gebruikersvergunning van het pand wordt ingetrokken. Deze brief is nooit door de Brandweer of de Veiligheidsregio opgemaakt. 2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina 206), te weten een brief van Brandweer Midden en West Brabant d.d. 2 september 2016 aan [bedrijf 1] , welke brief aan dit arrest wordt gehecht en waarvan de redengevende inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. 3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 maart 2018, (pg. 207-209), met bijlagen (dossierpagina’s 210 -255), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2] , namens het slachtoffer [benadeelde 2] onderdeel [benadeelde 1] : Ik doe aangifte van verzekeringsfraude namens [benadeelde 2] h.o.d.n [benadeelde 1] . Op 22 juli 2016 is door [verdachte] een schade gemeld bij [benadeelde 1] aan zijn bedrijf genaamd [bedrijf 1] aan [adres 2] - [adres 3] . Meneer [verdachte] is een klant van [benadeelde 1] . [verdachte] gaf aan forse schade te hebben door blikseminslag. Door de blikseminslag zou het pand op last van de brandweer zijn gesloten. In het pand verhuurde meneer [verdachte] enkele ruimtes aan andere bedrijven volgens eigen zeggen. Hierdoor liep hij alle inkomsten mis. Hierom heeft meneer [verdachte] destijds de verzekering ingeschakeld. [benadeelde 1] heeft de geleden schade van [verdachte] uitbetaald. In totaal is hem een bedrag van € 249.500,- betaald. Wij zijn door het bedrijf [bedrijf 8] benaderd. [verdachte] heeft destijds verhuurcontracten met verschillende bedrijven gestuurd naar zijn accountant. Later bleek dat de claim niet correct was. Hierop zijn wij zelf een onderzoek gestart naar wat er dan niet bleek te kloppen. Ik heb de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] benaderd. Ik kreeg van hen het antwoord dat het contract niet van hen afkomstig en getekend was. Ook bleken sommige contactpersonen niet werkzaam te zijn bij het bedrijf. [verdachte] heeft destijds ook een brief van de brandweer aangeleverd waaruit zou blijken dat het pand gesloten moest worden. De brandweer heeft geen melding ontvangen en heeft nooit een brief verstuurd aan [verdachte] . 4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 en 21 juni 2018 (dossierpagina’s 274-279) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] : V: vraag verbalisant A: Antwoord verdachte V: (…) U had een eigen bedrijf (…) A: (…) [bedrijf 1] . (…) V: De blikseminslag wordt ondersteund door een brief van de brandweer. Bij de brandweer geeft men aan dat deze brief nooit door hun is verzonden. Hoe verklaart u dat? A: (…) Ik heb alle formulieren met betrekking tot de blikseminslag naar [bedrijf 8] doorgestuurd. (…) Ik heb een hoop documenten overhandigd. V: wat kunt u zelf verklaren over de brief van de veiligheidsregio welke is verzonden? A: Ik heb alle post ingescand en naar [bedrijf 8] gestuurd. Ik heb de brief van de Veiligheidsregio later nog een keer opgezocht toen [betrokkene 1] erom vroeg. Verder hield ik me bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering. Ik deed de contracten. 5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina’s 295-296), te weten een vaststellingsovereenkomst d.d.
Volledig
16 november 2016 tussen [bedrijf 1] en naamloze vennootschap: [benadeelde 2] , statutair gevestigd te Apeldoorn, handelend onder de naam [benadeelde 1] , voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Overwegende: dat op 22 juli 2016 een huurderving/bedrijfsschade en materiële schade op het adres [adres 3] ontstond door inductie als gevolg daarvan is overgegaan tot sluiting van het gebouw op laste van de brandweer. (…) dat [bedrijf 1] voor deze schade aanspraak heeft gemaakt op haar verzekering bij [benadeelde 1] en dat op genoemde bedrijven [dekking] wordt geboden voor de bedrijfsschade als gevolg van inductie door sluiting van het pand op laste van de brandweer. Als vergoeding voor de door [bedrijf 1] geleden en/of te lijden schade direct verband houdend met de schade op 22 juli 2016 is overeengekomen een totaalbedrag van € 185.000,- ter finale kwijting uit te keren. Eerdere verstrekte voorschotten brengen wij hierop niet in mindering. Handtekening namens [benadeelde 2] Handtekening namens [bedrijf 1] Hof: (vide pagina 297) handtekening verdachte. 6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina 325), te weten een rekeningoverzicht van ING op name van [bedrijf 1] , voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Bijschrijvingen: [benadeelde 1] [bedrijf 1] [rekeningnummer] Totaal bij: € 249.500,00 Datum Omschrijving Bedrag 18-11-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 175.000,00 18-11-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 10.000,00 20-10-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 9.500,00 12-10-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 27.500,00 7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 september 2018 (dossierpagina’s 355-358), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] : Ik ben als floormanager in dienst geweest bij het bedrijf [bedrijf 1] vanaf 1 maart 2016. Het aansturen van alles wat erop de werkvloer gebeurde. Als er een boeking zou staan, zou ik er dan verantwoordelijk voor zijn. En eventuele inkoop, maar tot op heden heeft [verdachte] dat allemaal gedaan. (…) maar dan moet je wel klanten hebben die ook gebruik maken van die ruimtes, want we hebben een jaar uit ons neus staan vreten. Het was niet rendabel om deze bedrijfsconstructie vol te houden. [verdachte] en [medeverdachte] waren samen verantwoordelijk voor het opstellen van contracten en het plaatsen van handtekeningen. Er is niemand van het personeel die ooit een handtekening heeft gezet onder contracten of bedrijfsplannen. 8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 oktober 2018 (dossierpagina’s 359-361), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] : [verdachte] heeft het bedrijfsplan gemaakt en opgesteld voor [bedrijf 1] . Ik heb vier maanden voor hem gewerkt als P&O adviseur. [verdachte] was werkzaam als directeur. Buiten [verdachte] en [medeverdachte] was er niemand bevoegd tot het zetten van handtekeningen of het opmaken van contracten. Ik kan geen vaste klanten opnoemen van bedrijven die daar een contract hadden afgesloten. In de tijd dat ik er werkte, heb ik een paar klanten gezien, maar dat was nooit voldoende om zo’n bedrijf te kunnen runnen. 9. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 november 2018 (dossierpagina’s 362-364), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] : Ik ben van begin tot einde van het traject bij [verdachte] betrokken geweest. (…) ik hoorde daar op locatie ook de meest grote namen voorbijkomen van huurders. Door de tijd heen werd wel duidelijk dat die grote bedrijven geen contract hadden getekend. De locatie bleef leeg, er waren geen klanten. [verdachte] zette de handtekeningen onder contracten. (…) Er waren geen andere mensen bevoegd om dit te doen. En zeker niet in de beginperiode, toen waren zij echt met z’n tweeën. Dit waren [verdachte] en [medeverdachte] . Maar toen lagen die contracten er allemaal al, dus daar kan het personeel helemaal niks mee te maken hebben. 10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 oktober 2018 (dossierpagina’s 369-371), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] : Ik heb van 1 november 2016 tot 17 mei 2017 bij [bedrijf 1] gewerkt als salesmanager. Ik was verantwoordelijk voor de verkoop van alle vergaderruimtes. [verdachte] en [medeverdachte] runden samen het bedrijf. [verdachte] had het laatste woord en bepaalde wat er gebeurde. Toen ik er kwam hadden ze nog geen 1.000 euro omzet per maand. Toen ik wegging was er een omzet van maximaal 4.000 tot 5.000 euro per maand. Ik heb wel enkele klanten binnen gehaald, maar dat was lang niet voldoende om het bedrijf draaiende te houden. Op het moment dat ik een klant binnenhaalde, moest ik aan [verdachte] doorgeven wat de afspraken waren. [verdachte] maakte dan de contracten en de algemene voorwaarden op. [verdachte] zette ook de handtekeningen onder de contracten. [verdachte] heeft contracten doorgestuurd. Dit waren contracten met [bedrijf 7] , [bedrijf 5] , [bedrijf 2] . Dit waren valse contracten van bedrijven die nooit iets bij ons hebben gehuurd. Alleen [bedrijf 5] huurde losse ruimtes, maar die hadden zeker geen vast contract zoals [verdachte] deze heeft opgemaakt. 11. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2018 (dossierpagina’s 372-375), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] : Ik was bij het bedrijfsproces van [verdachte] betrokken. Ik heb vijf weken voor hem gewerkt. Na drie weken moest ik de financiële administratie gaan doen. Toen zag ik dat er niets van klopte. Het geld dat eruit ging, strookte niet met het geld dat binnenkwam. Er waren maar een paar bedrijven die ruimtes huurden. Ik zag dat er een uitgavepatroon was van 35.000 tot 40.000 euro per maand, terwijl er nog geen 4.000 euro binnenkwam. In de beste maand is er 4.000 euro binnengekomen. [verdachte] had eerst een andere advocaat, dit was [advocaat] . Wij zijn als personeel op een gegeven moment naar [advocaat] gegaan en hebben aangegeven dat die intentieverklaringen mogelijk vals waren. Wij kwamen tot deze conclusie omdat al deze bedrijven nooit kwamen. Er waren gewoon geen klanten. [advocaat] kwam er toen achter dat die contracten vals waren, doordat hij contact heeft gezocht met de betreffende bedrijven. Ik heb het gesprek tussen [advocaat] en [verdachte] en [medeverdachte] gehoord. Ik zag toen dat (…) ze het personeel de schuld gaven van de handtekeningen. Maar dat kon helemaal niet, want het personeel had geen tekenbevoegdheid. 12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2023 (los gevoegd), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Ik nam contact op met het bedrijf [bedrijf 3] Ik sprak met mevrouw [betrokkene 2] van de afdeling financiën. Ik heb haar (…) het contract welke door mevrouw [betrokkene 3] is getekend toegezonden. Ik hoorde mevrouw [betrokkene 2] zeggen dat er nooit een mevrouw [betrokkene 3] werkzaam is geweest bij hun. Ik vroeg haar of zij bekend was met een bedrijf genaamd [bedrijf 1] te Oosterhout. Ik hoorde haar zeggen dat dit niet het geval was. Ik hoorde haar zeggen dat zij wel vergaderlocaties huren, maar nooit voor de bedragen waarover wordt gesproken. Ook hadden zij geen betalingen gedaan naar [bedrijf 1] . 13. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 8 t/m 28 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een e-mailbericht d.d. 10 november 2016, met bijlagen voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Van: [getuige 6] ( [e-mailadres 1] ) Verzonden: 10 november 2016 Aan: [betrokkene 4] ( [e-mailadres 2] ) CC: [verdachte] - [medeverdachte] ( [e-mailadres 3] ); [medeverdachte] ( [e-mailadres 4] ) Onderwerp: Afwikkeling Schade [bedrijf 1] (…) Uiteraard hebben wij de verzekerde/cliënt geïnformeerd over hetgeen besproken is.
Volledig
16 november 2016 tussen [bedrijf 1] en naamloze vennootschap: [benadeelde 2] , statutair gevestigd te Apeldoorn, handelend onder de naam [benadeelde 1] , voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Overwegende: dat op 22 juli 2016 een huurderving/bedrijfsschade en materiële schade op het adres [adres 3] ontstond door inductie als gevolg daarvan is overgegaan tot sluiting van het gebouw op laste van de brandweer. (…) dat [bedrijf 1] voor deze schade aanspraak heeft gemaakt op haar verzekering bij [benadeelde 1] en dat op genoemde bedrijven [dekking] wordt geboden voor de bedrijfsschade als gevolg van inductie door sluiting van het pand op laste van de brandweer. Als vergoeding voor de door [bedrijf 1] geleden en/of te lijden schade direct verband houdend met de schade op 22 juli 2016 is overeengekomen een totaalbedrag van € 185.000,- ter finale kwijting uit te keren. Eerdere verstrekte voorschotten brengen wij hierop niet in mindering. Handtekening namens [benadeelde 2] Handtekening namens [bedrijf 1] Hof: (vide pagina 297) handtekening verdachte. 6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (dossierpagina 325), te weten een rekeningoverzicht van ING op name van [bedrijf 1] , voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Bijschrijvingen: [benadeelde 1] [bedrijf 1] [rekeningnummer] Totaal bij: € 249.500,00 Datum Omschrijving Bedrag 18-11-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 175.000,00 18-11-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 10.000,00 20-10-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 9.500,00 12-10-2016 Betreft schade d.d. 22-07-2016 27.500,00 7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 september 2018 (dossierpagina’s 355-358), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] : Ik ben als floormanager in dienst geweest bij het bedrijf [bedrijf 1] vanaf 1 maart 2016. Het aansturen van alles wat erop de werkvloer gebeurde. Als er een boeking zou staan, zou ik er dan verantwoordelijk voor zijn. En eventuele inkoop, maar tot op heden heeft [verdachte] dat allemaal gedaan. (…) maar dan moet je wel klanten hebben die ook gebruik maken van die ruimtes, want we hebben een jaar uit ons neus staan vreten. Het was niet rendabel om deze bedrijfsconstructie vol te houden. [verdachte] en [medeverdachte] waren samen verantwoordelijk voor het opstellen van contracten en het plaatsen van handtekeningen. Er is niemand van het personeel die ooit een handtekening heeft gezet onder contracten of bedrijfsplannen. 8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 oktober 2018 (dossierpagina’s 359-361), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] : [verdachte] heeft het bedrijfsplan gemaakt en opgesteld voor [bedrijf 1] . Ik heb vier maanden voor hem gewerkt als P&O adviseur. [verdachte] was werkzaam als directeur. Buiten [verdachte] en [medeverdachte] was er niemand bevoegd tot het zetten van handtekeningen of het opmaken van contracten. Ik kan geen vaste klanten opnoemen van bedrijven die daar een contract hadden afgesloten. In de tijd dat ik er werkte, heb ik een paar klanten gezien, maar dat was nooit voldoende om zo’n bedrijf te kunnen runnen. 9. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 november 2018 (dossierpagina’s 362-364), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] : Ik ben van begin tot einde van het traject bij [verdachte] betrokken geweest. (…) ik hoorde daar op locatie ook de meest grote namen voorbijkomen van huurders. Door de tijd heen werd wel duidelijk dat die grote bedrijven geen contract hadden getekend. De locatie bleef leeg, er waren geen klanten. [verdachte] zette de handtekeningen onder contracten. (…) Er waren geen andere mensen bevoegd om dit te doen. En zeker niet in de beginperiode, toen waren zij echt met z’n tweeën. Dit waren [verdachte] en [medeverdachte] . Maar toen lagen die contracten er allemaal al, dus daar kan het personeel helemaal niks mee te maken hebben. 10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 oktober 2018 (dossierpagina’s 369-371), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] : Ik heb van 1 november 2016 tot 17 mei 2017 bij [bedrijf 1] gewerkt als salesmanager. Ik was verantwoordelijk voor de verkoop van alle vergaderruimtes. [verdachte] en [medeverdachte] runden samen het bedrijf. [verdachte] had het laatste woord en bepaalde wat er gebeurde. Toen ik er kwam hadden ze nog geen 1.000 euro omzet per maand. Toen ik wegging was er een omzet van maximaal 4.000 tot 5.000 euro per maand. Ik heb wel enkele klanten binnen gehaald, maar dat was lang niet voldoende om het bedrijf draaiende te houden. Op het moment dat ik een klant binnenhaalde, moest ik aan [verdachte] doorgeven wat de afspraken waren. [verdachte] maakte dan de contracten en de algemene voorwaarden op. [verdachte] zette ook de handtekeningen onder de contracten. [verdachte] heeft contracten doorgestuurd. Dit waren contracten met [bedrijf 7] , [bedrijf 5] , [bedrijf 2] . Dit waren valse contracten van bedrijven die nooit iets bij ons hebben gehuurd. Alleen [bedrijf 5] huurde losse ruimtes, maar die hadden zeker geen vast contract zoals [verdachte] deze heeft opgemaakt. 11. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2018 (dossierpagina’s 372-375), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] : Ik was bij het bedrijfsproces van [verdachte] betrokken. Ik heb vijf weken voor hem gewerkt. Na drie weken moest ik de financiële administratie gaan doen. Toen zag ik dat er niets van klopte. Het geld dat eruit ging, strookte niet met het geld dat binnenkwam. Er waren maar een paar bedrijven die ruimtes huurden. Ik zag dat er een uitgavepatroon was van 35.000 tot 40.000 euro per maand, terwijl er nog geen 4.000 euro binnenkwam. In de beste maand is er 4.000 euro binnengekomen. [verdachte] had eerst een andere advocaat, dit was [advocaat] . Wij zijn als personeel op een gegeven moment naar [advocaat] gegaan en hebben aangegeven dat die intentieverklaringen mogelijk vals waren. Wij kwamen tot deze conclusie omdat al deze bedrijven nooit kwamen. Er waren gewoon geen klanten. [advocaat] kwam er toen achter dat die contracten vals waren, doordat hij contact heeft gezocht met de betreffende bedrijven. Ik heb het gesprek tussen [advocaat] en [verdachte] en [medeverdachte] gehoord. Ik zag toen dat (…) ze het personeel de schuld gaven van de handtekeningen. Maar dat kon helemaal niet, want het personeel had geen tekenbevoegdheid. 12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2023 (los gevoegd), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Ik nam contact op met het bedrijf [bedrijf 3] Ik sprak met mevrouw [betrokkene 2] van de afdeling financiën. Ik heb haar (…) het contract welke door mevrouw [betrokkene 3] is getekend toegezonden. Ik hoorde mevrouw [betrokkene 2] zeggen dat er nooit een mevrouw [betrokkene 3] werkzaam is geweest bij hun. Ik vroeg haar of zij bekend was met een bedrijf genaamd [bedrijf 1] te Oosterhout. Ik hoorde haar zeggen dat dit niet het geval was. Ik hoorde haar zeggen dat zij wel vergaderlocaties huren, maar nooit voor de bedragen waarover wordt gesproken. Ook hadden zij geen betalingen gedaan naar [bedrijf 1] . 13. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 8 t/m 28 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een e-mailbericht d.d. 10 november 2016, met bijlagen voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Van: [getuige 6] ( [e-mailadres 1] ) Verzonden: 10 november 2016 Aan: [betrokkene 4] ( [e-mailadres 2] ) CC: [verdachte] - [medeverdachte] ( [e-mailadres 3] ); [medeverdachte] ( [e-mailadres 4] ) Onderwerp: Afwikkeling Schade [bedrijf 1] (…) Uiteraard hebben wij de verzekerde/cliënt geïnformeerd over hetgeen besproken is.
Volledig
Onze cliënt is blij dat er nu in ieder geval een afwikkeling in zicht is. (…) dit kader merken wij ook op dat cliënt het standpunt heeft ingenomen dat bij het afsluiten van de verzekering sprake is geweest van een onjuiste voorlichting. Wij sturen u hierbij in de bijlagen de schriftelijke onderbouwingen waarom u heeft verzocht. Het betreft het volgende: het overzicht van de contracten tussen [bedrijf 1] en haar afnemers; alle afgesloten en getekende contracten die op het overzicht staan opgenomen; relevantie informatie/ correspondentie met afnemers. Verder blijkt uit de documenten dat thans het bedrag dat meegenomen dient te worden in de definitieve afwikkeling gesteld kan worden op € 935.052,50, welk bedrag is samengesteld uit: het overzicht van de contracten, met in totaal een contractschade tot einde contract voor een bedrag van € 888.041,-; het bedrag van de overeengekomen boekingen die reeds gefactureerd waren en gecrediteerd zijn voor een bedrag van € 1.810,- (dit betreft alleen nog [bedrijf 5] ); de geannuleerde aanvragen ad € 45.201,50 (dit is exclusief [bedrijf 7] ). Inzake uw vraag wat verzekerde heeft gedaan om de schade te beperken merken wij op dat het vanzelfsprekend is geweest dat cliënt alles heeft gedaan om zulks te bewerkstelligen. Hiervoor verwijzen wij naar de bijgevoegde informatie / correspondentie. Hieruit blijkt dat de afnemers, veelal op eigen initiatief, reeds alternatieven hebben gevonden voor een langere periode. Dit komt ook tot uitdrukking in het totaaloverzicht en dient verder in acht genomen te worden bij de definitieve afwikkeling. Bijlagen (hof: welke stukken hier als ingelast dienen te worden beschouwd). contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] . 14. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina 31 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een brief d.d. 5 oktober 2016, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Aan: [bedrijf 9] , [betrokkene 5] Datum: 5 oktober 2016 Van: [verdachte] - [medeverdachte] , [bedrijf 1] Betreft: Schade afhandeling [bedrijf 1] . Wij hebben u op 20 september 2016 de stukken doen toekomen waarin wordt aangetoond dat wij tientallen duizenden euro’s schade hebben door de blikseminslag van 22 juli 2016. Dit heeft ontzettend veel geld en klanten gekost. Er ligt voor minimaal € 110.000 exclusief de voorschotten aan misgelopen inkomsten, schades, extra kosten, offertes en facturen bij u. Dan heb ik, afgezien van de misgelopen boekingen, de nasleep nog niet meegenomen zoals de maanden september, oktober, november en december waar wij niet eens op 10% zitten van de omzet van vóór de blikseminslag omdat er grote klanten zijn weggelopen. Dit kost ons elke maand nu structureel zo’n € 25.000. Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, Teken ik met vriendelijke groet namens [bedrijf 1] [verdachte] - [medeverdachte] 15. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 264 t/m 267 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een e-mailbericht d.d. 15 september 2020, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Van: [betrokkene 6] ( [e-mailadres 5] ) Relatiesoort: verzekerde Naam: [bedrijf 1] Adres: [adres 3] E-mail: [e-mailadres 3] 22 07 2016 16:56 Interne notitie - verz. belt - [verdachte] belt - echt ALLES is stuk 02 08-2016 15:15 Interne notitie verz. dhr. [verdachte] belt komt in de financiële problemen, heeft alles naar expert gestuurd, hebben wij al een rapport? nee kunnen we een voorschot verstrekken? dat kan, als er dekking is, maar dat loopt in dit geval dan ook via de expert hij gaat hierover met expert bellen 09 08 2016 14:19 Interne notitie Verz. dhr. [verdachte] belt dat hij na donderdag geen contact meer had met expert maar wel banknummer doorgaf en [betrokkene 5] expert zou zo snel mogelijk afrapporteren dan wel voorschot aanvragen. Helaas geen rapport of logboek in DP binnen. Alle apparaten zijn stuk en klanten blijven weg. Hij komt financieel in de problemen en wil een voorschot. 16. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 28 januari 2020 (los gevoegd), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 6] : U houdt me voor dat inkomensschade is opgegeven bij de verzekering en vraagt hoe die is onderbouwd. Dat was met een Excelspreadsheet op basis van aangeleverde facturen en contracten door [verdachte] en zijn partner [medeverdachte] . Dat waren facturen die de klant naar de huurders gestuurd heeft en de contracten die daaraan ten grondslag liggen. Er was veel contact met [verdachte] . Hij zat dagelijks aan de telefoon en de mailbox puilde uit. Hij was betrokken bij de besprekingen met de verzekeringsmaatschappij. U houdt me voor dat [verdachte] bij [bedrijf 8] zou hebben gemeld dat valse stukken in omloop waren. U vraagt of ik daar op de hoogte van was. Hij heeft dat nooit direct bij ons gemeld. Het is indirect bij de accountant terecht gekomen, dat was op begin van het jaar dat het speelde in 2018. Ik weet niet precies wanneer. Er was een jurist werkzaam voor [verdachte] die het heeft gemeld bij de Accountant. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. II. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – in de kern weergegeven en op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat het onderzoek door politie en justitie gebrekkig en onvolledig is geweest en dat daaruit derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs naar voren is gekomen om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen. De verdachte ontkent bovendien enige wetenschap van of betrokkenheid bij het opmaken of het gebruik van de valse stukken en de daarmee gepleegde oplichting. In dat verband is aangevoerd dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig zijn en dat een lid van het personeel verantwoordelijk is voor het opmaken van de valse huurovereenkomsten, zulks met het oogmerk om zichzelf te verrijken. De getuigen hebben belastend verklaard, met als doel om verdachtes bedrijf van hem af te nemen, aldus de verdediging. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank als uitgangspunt, nu het hof zich daarmee in overwegende mate kan verenigen. Het hof overweegt derhalve grotendeels in lijn met – en waar nodig in aanvulling op – de rechtbank het volgende. De verdachte heeft het bedrijf [bedrijf 1] opgericht en heeft zich omstreeks januari 2016 gevestigd in het bedrijfspand aan [adres 2] - [adres 3] , dat de verdachte huurde van [betrokkene 7] . De doelstelling van [bedrijf 1] was in hoofdzaak ruimtes verhuren aan bedrijven. Op 22 juli 2016 is bij [benadeelde 2] , onderdeel [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) schade gemeld als gevolg van een blikseminslag in het pand aan [adres 2] .
Volledig
Onze cliënt is blij dat er nu in ieder geval een afwikkeling in zicht is. (…) dit kader merken wij ook op dat cliënt het standpunt heeft ingenomen dat bij het afsluiten van de verzekering sprake is geweest van een onjuiste voorlichting. Wij sturen u hierbij in de bijlagen de schriftelijke onderbouwingen waarom u heeft verzocht. Het betreft het volgende: het overzicht van de contracten tussen [bedrijf 1] en haar afnemers; alle afgesloten en getekende contracten die op het overzicht staan opgenomen; relevantie informatie/ correspondentie met afnemers. Verder blijkt uit de documenten dat thans het bedrag dat meegenomen dient te worden in de definitieve afwikkeling gesteld kan worden op € 935.052,50, welk bedrag is samengesteld uit: het overzicht van de contracten, met in totaal een contractschade tot einde contract voor een bedrag van € 888.041,-; het bedrag van de overeengekomen boekingen die reeds gefactureerd waren en gecrediteerd zijn voor een bedrag van € 1.810,- (dit betreft alleen nog [bedrijf 5] ); de geannuleerde aanvragen ad € 45.201,50 (dit is exclusief [bedrijf 7] ). Inzake uw vraag wat verzekerde heeft gedaan om de schade te beperken merken wij op dat het vanzelfsprekend is geweest dat cliënt alles heeft gedaan om zulks te bewerkstelligen. Hiervoor verwijzen wij naar de bijgevoegde informatie / correspondentie. Hieruit blijkt dat de afnemers, veelal op eigen initiatief, reeds alternatieven hebben gevonden voor een langere periode. Dit komt ook tot uitdrukking in het totaaloverzicht en dient verder in acht genomen te worden bij de definitieve afwikkeling. Bijlagen (hof: welke stukken hier als ingelast dienen te worden beschouwd). contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 4] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] ; contract van [bedrijf 1] en [bedrijf 7] met daarin afspraken voor de verhuur van de bedrijfsruimte aan [adres 2] - [adres 3] . 14. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina 31 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een brief d.d. 5 oktober 2016, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Aan: [bedrijf 9] , [betrokkene 5] Datum: 5 oktober 2016 Van: [verdachte] - [medeverdachte] , [bedrijf 1] Betreft: Schade afhandeling [bedrijf 1] . Wij hebben u op 20 september 2016 de stukken doen toekomen waarin wordt aangetoond dat wij tientallen duizenden euro’s schade hebben door de blikseminslag van 22 juli 2016. Dit heeft ontzettend veel geld en klanten gekost. Er ligt voor minimaal € 110.000 exclusief de voorschotten aan misgelopen inkomsten, schades, extra kosten, offertes en facturen bij u. Dan heb ik, afgezien van de misgelopen boekingen, de nasleep nog niet meegenomen zoals de maanden september, oktober, november en december waar wij niet eens op 10% zitten van de omzet van vóór de blikseminslag omdat er grote klanten zijn weggelopen. Dit kost ons elke maand nu structureel zo’n € 25.000. Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben, Teken ik met vriendelijke groet namens [bedrijf 1] [verdachte] - [medeverdachte] 15. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 264 t/m 267 van het dossier betreffende de klaagschriftprocedure met nummer K21/200262), te weten een e-mailbericht d.d. 15 september 2020, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende: Van: [betrokkene 6] ( [e-mailadres 5] ) Relatiesoort: verzekerde Naam: [bedrijf 1] Adres: [adres 3] E-mail: [e-mailadres 3] 22 07 2016 16:56 Interne notitie - verz. belt - [verdachte] belt - echt ALLES is stuk 02 08-2016 15:15 Interne notitie verz. dhr. [verdachte] belt komt in de financiële problemen, heeft alles naar expert gestuurd, hebben wij al een rapport? nee kunnen we een voorschot verstrekken? dat kan, als er dekking is, maar dat loopt in dit geval dan ook via de expert hij gaat hierover met expert bellen 09 08 2016 14:19 Interne notitie Verz. dhr. [verdachte] belt dat hij na donderdag geen contact meer had met expert maar wel banknummer doorgaf en [betrokkene 5] expert zou zo snel mogelijk afrapporteren dan wel voorschot aanvragen. Helaas geen rapport of logboek in DP binnen. Alle apparaten zijn stuk en klanten blijven weg. Hij komt financieel in de problemen en wil een voorschot. 16. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 28 januari 2020 (los gevoegd), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 6] : U houdt me voor dat inkomensschade is opgegeven bij de verzekering en vraagt hoe die is onderbouwd. Dat was met een Excelspreadsheet op basis van aangeleverde facturen en contracten door [verdachte] en zijn partner [medeverdachte] . Dat waren facturen die de klant naar de huurders gestuurd heeft en de contracten die daaraan ten grondslag liggen. Er was veel contact met [verdachte] . Hij zat dagelijks aan de telefoon en de mailbox puilde uit. Hij was betrokken bij de besprekingen met de verzekeringsmaatschappij. U houdt me voor dat [verdachte] bij [bedrijf 8] zou hebben gemeld dat valse stukken in omloop waren. U vraagt of ik daar op de hoogte van was. Hij heeft dat nooit direct bij ons gemeld. Het is indirect bij de accountant terecht gekomen, dat was op begin van het jaar dat het speelde in 2018. Ik weet niet precies wanneer. Er was een jurist werkzaam voor [verdachte] die het heeft gemeld bij de Accountant. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. II. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – in de kern weergegeven en op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat het onderzoek door politie en justitie gebrekkig en onvolledig is geweest en dat daaruit derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs naar voren is gekomen om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen. De verdachte ontkent bovendien enige wetenschap van of betrokkenheid bij het opmaken of het gebruik van de valse stukken en de daarmee gepleegde oplichting. In dat verband is aangevoerd dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig zijn en dat een lid van het personeel verantwoordelijk is voor het opmaken van de valse huurovereenkomsten, zulks met het oogmerk om zichzelf te verrijken. De getuigen hebben belastend verklaard, met als doel om verdachtes bedrijf van hem af te nemen, aldus de verdediging. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank als uitgangspunt, nu het hof zich daarmee in overwegende mate kan verenigen. Het hof overweegt derhalve grotendeels in lijn met – en waar nodig in aanvulling op – de rechtbank het volgende. De verdachte heeft het bedrijf [bedrijf 1] opgericht en heeft zich omstreeks januari 2016 gevestigd in het bedrijfspand aan [adres 2] - [adres 3] , dat de verdachte huurde van [betrokkene 7] . De doelstelling van [bedrijf 1] was in hoofdzaak ruimtes verhuren aan bedrijven. Op 22 juli 2016 is bij [benadeelde 2] , onderdeel [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) schade gemeld als gevolg van een blikseminslag in het pand aan [adres 2] .
Volledig
Uit een interne notitie van [benadeelde 1] volgt dat de verdachte [benadeelde 1] heeft gebeld en doorgegeven dat ‘alles stuk was’. Er is vervolgens een met stukken onderbouwde schadeclaim opgesteld met behulp van accountants van het bedrijf [bedrijf 8] , waaronder de heer [getuige 6] , en dat heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst tussen [benadeelde 1] en [bedrijf 1] op 16 november 2016. Onder deze overeenkomst staat de handtekening van de verdachte. In totaal heeft [benadeelde 1] € 249.500,- uitbetaald aan [bedrijf 1] . Op 12 maart 2018 is namens [benadeelde 1] aangifte gedaan van verzekeringsfraude gepleegd door de verdachte omdat de stukken (verhuurcontracten en een brief van de brandweer) waarmee de schadeclaim was onderbouwd, valselijk zouden zijn opgemaakt en [benadeelde 1] op grond daarvan ten onrechte tot uitkering van schadevergoeding is overgegaan. Aanvankelijk heeft de officier van justitie besloten geen strafvervolging in te stellen tegen de verdachte. [benadeelde 1] heeft daarop op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering een klacht ingediend tegen die beslissing. Bij beschikking van 1 september 2022 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de officier van justitie de opdracht gegeven de verdachte alsnog te vervolgen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld wegens – kort gezegd – oplichting en valsheid in geschrifte, doordat de verdachte [benadeelde 1] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag met daarbij gebruikmaking van voormelde valse stukken. Aan het hof ligt thans de vraag voor of het oordeel van de rechtbank juist is en of er aldus voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. De verdachte ontkent, zo ook ten overstaan van het hof, enige betrokkenheid bij de oplichting en de valsheid in geschrifte. De verdachte betwist dat hij de valse huurovereenkomsten of de valse brief van de brandweer heeft opgesteld en hij bestrijdt dat hij van die stukken gebruik heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij zich niet of nauwelijks heeft beziggehouden met de schadeclaim richting [benadeelde 1] . Deze is verzorgd, ingediend en afgewikkeld door zijn accountant [bedrijf 8] . De verdachte is hierbij slechts zijdelings betrokken geweest. Daarnaast stelt de verdachte dat hij meende dat de claim hoofdzakelijk betrekking had op schade aan de inventaris en niet op gederfde huurinkomsten. Het hof stelt met de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. De verdachte heeft op 22 juli 2016 melding gedaan van een blikseminslag bij zijn bedrijf [bedrijf 1] in het pand aan [adres 2] - [adres 3] . Hij heeft met [benadeelde 1] gebeld en gemeld dat alles kapot was (telefonische melding van 22 juli 2016) en dat hij veel schade had doordat zijn klanten wegbleven (telefonische melding van 9 augustus 2016). In dat verband is tevens door de verdachte gevraagd om een voorschot, zo volgt uit de interne vastlegging van laatstgenoemde melding. De getuige [getuige 6] , op dat moment werkzaam bij [bedrijf 8] , accountant van verdachte, heeft vervolgens de schadeclaim van de verdachte opgesteld en ingediend bij [benadeelde 1] . In deze claim werd een bedrag van € 888.041,- opgegeven als schade door misgelopen of beëindigde contracten. Ter onderbouwing hiervan zijn onder meer diverse huurovereenkomsten bijgevoegd. [getuige 6] heeft verklaard dat hij deze opgegeven inkomensschade heeft onderbouwd met een Excelspreadsheet op basis van aangeleverde facturen en contracten door de verdachte en zijn partner [medeverdachte] . Dat betroffen facturen die de klant, zijnde het bedrijf van de verdachte, naar de huurders had gestuurd en de contracten die daaraan ten grondslag lagen. Dat waren contracten van [bedrijf 1] met de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] . Daarnaast was de schadeclaim onderbouwd met een brief van de brandweer, gericht aan [bedrijf 1] , waarin werd vermeld dat de brandweer ter plaatse is geweest, een blikseminslag was vastgesteld in het pand aan [adres 1] , dat het pand door de brandweer volledig was afgesloten van elektriciteit tot nader order en dat de gebruikersvergunning ervan was ingetrokken. De raadsman heeft bij pleidooi betoogd dat de schadeclaim niet is onderbouwd met de brief van de brandweer. Dit verweer wordt verworpen. In de vaststellingsovereenkomst wordt nadrukkelijk en in de eerste plaats overwogen dat het bedrijf van de verdachte schade, bestaande onder andere uit gederfde huurinkomsten, heeft geleden omdat het pand waarin het bedrijf is gevestigd als gevolg van de bliksemschade op last van de brandweer is gesloten en dat het bedrijf van de verdachte ter vergoeding daarvan aanspraak heeft gemaakt op de verzekeringspolis van [benadeelde 1] . Het verweer dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de brief wordt eveneens verworpen. De verdachte heeft immers verklaard dat hij al zijn post inscande en naar [bedrijf 8] stuurde en dat hij alle formulieren met betrekking tot de blikseminslag naar [bedrijf 8] heeft doorgestuurd. Op een later moment heeft hij de brief van de brandweer opgezocht en naar [betrokkene 7] - de verhuurder van het pand aan [adres 1] - gestuurd omdat [betrokkene 7] daarnaar vroeg. Uit deze verklaring van de verdachte in combinatie met de verklaring van [getuige 6] maakt het hof met de rechtbank op dat de verdachte de brief van de brandweer ook naar [bedrijf 8] heeft gestuurd, waarna de brief vervolgens is gebruikt ter onderbouwing van de schadeclaim in de richting van [benadeelde 1] . Aldus heeft de verdachte de brief aan de verzekering laten overhandigen dan wel laten toezenden en aldus gebruik gemaakt van het stuk, in de zin van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stelling van de verdachte dat hij geen wetenschap had van het feit dat de brief onderdeel was van de afwikkeling van de schadeclaim acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft de brief immers in zijn bezit gehad en aan diens accountant verstrekt. Daarnaast volgt uit de vaststellingsovereenkomst dat de brief van dragend belang was voor de verzekering om over te gaan tot uitkering. Mede gelet op het feit dat de vaststellingsovereenkomst door de verdachte is ondertekend en de verdachte – zoals hierna nader wordt overwogen – nauw betrokken is geweest bij de afhandeling van de claim – oordeelt het hof dat de verdachte derhalve bekend was met de inhoud van de brief en aldus wist dat de brief onderdeel uitmaakte van de schadeclaim. Het hof volgt de verdachte niet in diens stelling dat hij geen of minimale betrokkenheid had bij het indienen en afhandelen van de schadeclaim. De verdachte was de directeur van zijn bedrijf en reeds op grond daarvan kan actieve bemoeienis van de verdachte bij het opstellen van de schadeclaim en de afhandeling daarvan worden verondersteld, te meer nu het bedrijf van de verdachte, naar zijn stellige zeggen, als gevolg van de beweerdelijk ontstane en opgevoerde schade rechtstreeks in diens voortbestaan werd bedreigd. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse bedrijfsvoering en de contracten van [bedrijf 1] . [getuige 6] heeft verklaard dat er veel contact was met verdachte: hij belde dagelijks en de mailbox puilde uit. Dat de verdachte in dit alles actieve bemoeienis heeft gehad volgt verder uit het e-mailbericht van [getuige 6] met de schadeclaim, waarin hij beschrijft dat er eerder contact en afstemming is geweest met [benadeelde 1] over de afwikkeling van de claim en dat hij daaromtrent contact heeft gehad met zijn cliënt, de verdachte. Ten behoeve van de verdachte wordt door [getuige 6] om betaling van een voorschot verzocht, gelijk de verdachte dat eerder ook zelf telefonisch had gedaan. Daarbij schrijft [getuige 6] dat de verdachte zich in dezen op het standpunt stelt dat hij ter zake van de verzekeringsvoorwaarden onjuist is voorgelicht. Hieruit spreekt in de eerste plaats geen zijdelingse betrokkenheid van de verdachte.
Volledig
Uit een interne notitie van [benadeelde 1] volgt dat de verdachte [benadeelde 1] heeft gebeld en doorgegeven dat ‘alles stuk was’. Er is vervolgens een met stukken onderbouwde schadeclaim opgesteld met behulp van accountants van het bedrijf [bedrijf 8] , waaronder de heer [getuige 6] , en dat heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst tussen [benadeelde 1] en [bedrijf 1] op 16 november 2016. Onder deze overeenkomst staat de handtekening van de verdachte. In totaal heeft [benadeelde 1] € 249.500,- uitbetaald aan [bedrijf 1] . Op 12 maart 2018 is namens [benadeelde 1] aangifte gedaan van verzekeringsfraude gepleegd door de verdachte omdat de stukken (verhuurcontracten en een brief van de brandweer) waarmee de schadeclaim was onderbouwd, valselijk zouden zijn opgemaakt en [benadeelde 1] op grond daarvan ten onrechte tot uitkering van schadevergoeding is overgegaan. Aanvankelijk heeft de officier van justitie besloten geen strafvervolging in te stellen tegen de verdachte. [benadeelde 1] heeft daarop op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering een klacht ingediend tegen die beslissing. Bij beschikking van 1 september 2022 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de officier van justitie de opdracht gegeven de verdachte alsnog te vervolgen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld wegens – kort gezegd – oplichting en valsheid in geschrifte, doordat de verdachte [benadeelde 1] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag met daarbij gebruikmaking van voormelde valse stukken. Aan het hof ligt thans de vraag voor of het oordeel van de rechtbank juist is en of er aldus voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. De verdachte ontkent, zo ook ten overstaan van het hof, enige betrokkenheid bij de oplichting en de valsheid in geschrifte. De verdachte betwist dat hij de valse huurovereenkomsten of de valse brief van de brandweer heeft opgesteld en hij bestrijdt dat hij van die stukken gebruik heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij zich niet of nauwelijks heeft beziggehouden met de schadeclaim richting [benadeelde 1] . Deze is verzorgd, ingediend en afgewikkeld door zijn accountant [bedrijf 8] . De verdachte is hierbij slechts zijdelings betrokken geweest. Daarnaast stelt de verdachte dat hij meende dat de claim hoofdzakelijk betrekking had op schade aan de inventaris en niet op gederfde huurinkomsten. Het hof stelt met de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. De verdachte heeft op 22 juli 2016 melding gedaan van een blikseminslag bij zijn bedrijf [bedrijf 1] in het pand aan [adres 2] - [adres 3] . Hij heeft met [benadeelde 1] gebeld en gemeld dat alles kapot was (telefonische melding van 22 juli 2016) en dat hij veel schade had doordat zijn klanten wegbleven (telefonische melding van 9 augustus 2016). In dat verband is tevens door de verdachte gevraagd om een voorschot, zo volgt uit de interne vastlegging van laatstgenoemde melding. De getuige [getuige 6] , op dat moment werkzaam bij [bedrijf 8] , accountant van verdachte, heeft vervolgens de schadeclaim van de verdachte opgesteld en ingediend bij [benadeelde 1] . In deze claim werd een bedrag van € 888.041,- opgegeven als schade door misgelopen of beëindigde contracten. Ter onderbouwing hiervan zijn onder meer diverse huurovereenkomsten bijgevoegd. [getuige 6] heeft verklaard dat hij deze opgegeven inkomensschade heeft onderbouwd met een Excelspreadsheet op basis van aangeleverde facturen en contracten door de verdachte en zijn partner [medeverdachte] . Dat betroffen facturen die de klant, zijnde het bedrijf van de verdachte, naar de huurders had gestuurd en de contracten die daaraan ten grondslag lagen. Dat waren contracten van [bedrijf 1] met de bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] . Daarnaast was de schadeclaim onderbouwd met een brief van de brandweer, gericht aan [bedrijf 1] , waarin werd vermeld dat de brandweer ter plaatse is geweest, een blikseminslag was vastgesteld in het pand aan [adres 1] , dat het pand door de brandweer volledig was afgesloten van elektriciteit tot nader order en dat de gebruikersvergunning ervan was ingetrokken. De raadsman heeft bij pleidooi betoogd dat de schadeclaim niet is onderbouwd met de brief van de brandweer. Dit verweer wordt verworpen. In de vaststellingsovereenkomst wordt nadrukkelijk en in de eerste plaats overwogen dat het bedrijf van de verdachte schade, bestaande onder andere uit gederfde huurinkomsten, heeft geleden omdat het pand waarin het bedrijf is gevestigd als gevolg van de bliksemschade op last van de brandweer is gesloten en dat het bedrijf van de verdachte ter vergoeding daarvan aanspraak heeft gemaakt op de verzekeringspolis van [benadeelde 1] . Het verweer dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de brief wordt eveneens verworpen. De verdachte heeft immers verklaard dat hij al zijn post inscande en naar [bedrijf 8] stuurde en dat hij alle formulieren met betrekking tot de blikseminslag naar [bedrijf 8] heeft doorgestuurd. Op een later moment heeft hij de brief van de brandweer opgezocht en naar [betrokkene 7] - de verhuurder van het pand aan [adres 1] - gestuurd omdat [betrokkene 7] daarnaar vroeg. Uit deze verklaring van de verdachte in combinatie met de verklaring van [getuige 6] maakt het hof met de rechtbank op dat de verdachte de brief van de brandweer ook naar [bedrijf 8] heeft gestuurd, waarna de brief vervolgens is gebruikt ter onderbouwing van de schadeclaim in de richting van [benadeelde 1] . Aldus heeft de verdachte de brief aan de verzekering laten overhandigen dan wel laten toezenden en aldus gebruik gemaakt van het stuk, in de zin van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stelling van de verdachte dat hij geen wetenschap had van het feit dat de brief onderdeel was van de afwikkeling van de schadeclaim acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft de brief immers in zijn bezit gehad en aan diens accountant verstrekt. Daarnaast volgt uit de vaststellingsovereenkomst dat de brief van dragend belang was voor de verzekering om over te gaan tot uitkering. Mede gelet op het feit dat de vaststellingsovereenkomst door de verdachte is ondertekend en de verdachte – zoals hierna nader wordt overwogen – nauw betrokken is geweest bij de afhandeling van de claim – oordeelt het hof dat de verdachte derhalve bekend was met de inhoud van de brief en aldus wist dat de brief onderdeel uitmaakte van de schadeclaim. Het hof volgt de verdachte niet in diens stelling dat hij geen of minimale betrokkenheid had bij het indienen en afhandelen van de schadeclaim. De verdachte was de directeur van zijn bedrijf en reeds op grond daarvan kan actieve bemoeienis van de verdachte bij het opstellen van de schadeclaim en de afhandeling daarvan worden verondersteld, te meer nu het bedrijf van de verdachte, naar zijn stellige zeggen, als gevolg van de beweerdelijk ontstane en opgevoerde schade rechtstreeks in diens voortbestaan werd bedreigd. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse bedrijfsvoering en de contracten van [bedrijf 1] . [getuige 6] heeft verklaard dat er veel contact was met verdachte: hij belde dagelijks en de mailbox puilde uit. Dat de verdachte in dit alles actieve bemoeienis heeft gehad volgt verder uit het e-mailbericht van [getuige 6] met de schadeclaim, waarin hij beschrijft dat er eerder contact en afstemming is geweest met [benadeelde 1] over de afwikkeling van de claim en dat hij daaromtrent contact heeft gehad met zijn cliënt, de verdachte. Ten behoeve van de verdachte wordt door [getuige 6] om betaling van een voorschot verzocht, gelijk de verdachte dat eerder ook zelf telefonisch had gedaan. Daarbij schrijft [getuige 6] dat de verdachte zich in dezen op het standpunt stelt dat hij ter zake van de verzekeringsvoorwaarden onjuist is voorgelicht. Hieruit spreekt in de eerste plaats geen zijdelingse betrokkenheid van de verdachte.
Volledig
Voorts treft het hof in dit verband op pagina 312 van het dossier een schrijven van de verdachte aan de Rabobank d.d. 10 januari 2017, waarin de verdachte zijn beklag doet over de verzekeringspolis en inderdaad stelt onjuist te zijn geïnformeerd, in het bijzonder omtrent het onderdeel ‘ derving van huurinkomsten ’. Mede gelet hierop – en hetgeen hierna nader wordt overwogen – gaat hof dan ook niet mee in de stelling van de verdachte dat hij meende dat het slechts te doen was om vergoeding van de schade wegens de inventaris. Uit de verslaglegging van [benadeelde 1] blijkt verder dat de verdachte vaak belde. De verdachte nam dus wel degelijk duidelijk de leiding in de communicatie ten aanzien van de schademelding. [getuige 6] heeft verder verklaard dat de verdachte degene was die de overeenkomsten bij hem heeft aangeleverd. Hoewel de verdachte dat heeft ontkend, heeft het hof geen aanleiding om aan de verklaring van [getuige 6] te twijfelen. Het verweer dat de getuige dit niet heeft verklaard, wordt overigens weerlegd door de bewijsmiddelen. De verklaring van [getuige 6] vindt bovendien steun in diverse getuigenverklaringen. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] samen verantwoordelijk waren voor het opstellen van de contracten en het plaatsen van handtekeningen en dat niemand van het personeel ooit een handtekening onder een contract heeft gezet. Ook getuigen [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] hebben verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] de contracten opstelden en ondertekenden. Het overige personeel had geen tekenbevoegdheid. Getuige [getuige 3] heeft een vergelijkbare verklaring afgelegd: de verdachte zette de handtekeningen onder overeenkomsten en er waren geen andere mensen bevoegd om dit te doen. Dat het de verdachte is geweest die - op verzoek van [benadeelde 1] - via zijn accountant de overeenkomsten heeft verstrekt ter onderbouwing van de schadeclaim is zowel passend bij diens rol in het bedrijf als bij zijn actieve bemoeienis bij de afwikkeling van de schadeclaim. Nadere ondersteuning dat het de verdachte is geweest die de overeenkomsten heeft verstrekt, kan naar het oordeel van het hof, worden gevonden in het eerder genoemde e-mailbericht van [getuige 6] , waarin – in antwoord op een vraag van [benadeelde 1] – wordt geantwoord dat de verdachte het nodige heeft gedaan om de schade ter zake van de gederfde huurinkomsten te beperken. Daartoe wordt verwezen naar bij het e-mailbericht gevoegde correspondentie met verhuurders – naar het hof begrijpt – gevoerd met de verdachte, waaruit zou blijken dat de verhuurders thans (op eigen initiatief en voor langere duur) alternatieven hebben gevonden. Het hof heeft deze correspondentie aangetroffen op (onder meer) pagina’s 240 en verder van het dossier. Het hof begrijpt uit het dossier en de stukken dat de correspondentie van de zijde van de verdediging is ingebracht. Het betreft onder meer een e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] , van [bedrijf 3] , die – kort gezegd – schrijft dat het contract wordt stopgezet in verband met de blikseminslag (dossierpagina 251). Daarnaast gaat het om een e-mailbericht van de verdachte aan de heer [betrokkene 8] van [bedrijf 4] , waarin de verdachte schrijft dat hij bij dat bedrijf is langsgegaan, dat zij begrip hadden voor de situatie en dat hij, zoals besproken, hen snel weer na de heropening hoopt te verwelkomen als klant, zulks nadat het contract van [bedrijf 4] met de uitwijklocatie is beëindigd (dossierpagina 242). Het dossier bevat daarnaast nog een e-mailbericht (dossierpagina 249) met vergelijkbare inhoud verzonden door de verdachte aan [betrokkene 9] naar het adres [e-mailadres 6] . van – naar het hof aldus begrijpt – [bedrijf 5] . Ter onderbouwing van de schadeclaim zijn huurovereenkomsten met onder andere [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ingediend. De omstandigheid dat de verdachte middels voormelde correspondentie ogenschijnlijk doet voorkomen dat hij met deze partijen contact heeft gehad, biedt naar het oordeel van het hof steun aan de verklaring van [getuige 6] en het gelijkluidend oordeel van het hof dat de overeenkomsten, met onder meer die partijen, door de verdachte zijn aangeleverd. In hetgeen de verdediging met betrekking tot de intentieverklaringen heeft aangevoerd, ziet het hof – wat daarvan verder ook zij – geen grond om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat de verdachte in de tenlastelegging niet wordt verweten dat hij van intentieverklaringen gebruik heeft gemaakt, doch wel van de valse (zie hierna) overeenkomsten. Voorts hebben de getuigen verklaard dat [bedrijf 1] een slechtlopend bedrijf was dat weinig klanten had. [getuige 1] heeft verklaard dat het personeel daarom een jaar “uit hun neus heeft staan vreten” en dat het bedrijf niet rendabel was. [getuige 4] heeft verklaard dat de omzet van [bedrijf 1] maximaal € 5.000,- per maand was en dat hij onvoldoende klanten had binnengehaald om het bedrijf draaiende te houden. Daarnaast heeft [getuige 4] verklaard dat de verdachte contracten heeft doorgestuurd met bedrijven die nooit ruimtes huurden bij [bedrijf 1] . [getuige 5] heeft verklaard dat er in de beste maand ongeveer € 4.000,- aan inkomsten waren, terwijl er een uitgavepatroon was van € 35.000,- tot € 40.000,- per maand. Op basis van het vorenstaande stelt het hof met de rechtbank vast dat verdachte meer schade bij [benadeelde 1] heeft (laten) opgegeven door het mislopen van inkomsten uit het niet kunnen verhuren van bedrijfsruimtes dan dat er daadwerkelijk is geleden. De verdachte heeft namelijk een schade van € 888.041,- gemeld. In een brief van 5 oktober 2016 schreef de verdachte dat [bedrijf 1] minimaal € 110.000,- schade heeft geleden door misgelopen inkomsten en dat er grote klanten zijn weggelopen, wat structureel € 25.000,- per maand kostte. De verdachte schrijft verder in die brief dat, naast voornoemde kosten vanwege misgelopen boekingen, de nasleep nog niet is meegenomen en dat het bedrijf wat betreft de maanden september tot en met december nog niet eens op 10 procent van de omzet zit. Kijkend naar het genoemde bedrag en het percentage, dan wordt aldus een zeer forse schade geclaimd. Uit de getuigenverklaringen volgt echter het beeld dat [bedrijf 1] slecht liep: er waren weinig klanten en de maximale omzet per maand was € 5.000,-. Voorts stelt het hof in navolging van de rechtbank vast dat de overgelegde contracten van [bedrijf 1] met diverse bedrijven en de brief van de brandweer ter onderbouwing van de schade valselijk zijn opgemaakt. Namens de brandweer en de veiligheidsregio is aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. De brief met betrekking tot de blikseminslag in het pand aan [adres 1] op 22 juli 2016 is nooit door de brandweer of de veiligheidsregio opgemaakt of verstuurd. Met betrekking tot de contracten blijkt uit het dossier dat [benadeelde 1] contact heeft gezocht met [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] en hierover navraag heeft gedaan. Al deze bedrijven bleken geen contract te hebben afgesloten met [bedrijf 1] . Ook blijkt dat met het bedrijf [bedrijf 3] niet de overeenkomst is opgemaakt die ter onderbouwing van de schade is ingediend. Getuige [getuige 4] heeft tot slot verklaard dat er een overeenkomst met [bedrijf 7] is doorgestuurd door de verdachte, terwijl dit bedrijf geen ruimte huurde bij [bedrijf 1] . Door en namens de verdachte is aangevoerd dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig en onwaarachtig zijn en dat een in verdachtes bedrijf gehanteerd bonussysteem aanleiding is geweest voor een lid van het personeel en tevens getuige om valse overeenkomsten op te stellen. Daarnaast is sprake geweest van een gecoördineerde samenwerking tussen de getuigen (lees: het personeel) en [betrokkene 7] om verdachtes bedrijf te bemachtigen. Het hof heeft uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting enig objectief aanknopingspunt kunnen destilleren voor de juistheid van hetgeen door of namens de verdachte wordt gesteld. Het bestaan van een dergelijk bonussysteem is niet gebleken en wordt bovendien door de getuigen weersproken. Van een samenwerking tussen de getuigen is het hof evenmin iets gebleken.
Volledig
Voorts treft het hof in dit verband op pagina 312 van het dossier een schrijven van de verdachte aan de Rabobank d.d. 10 januari 2017, waarin de verdachte zijn beklag doet over de verzekeringspolis en inderdaad stelt onjuist te zijn geïnformeerd, in het bijzonder omtrent het onderdeel ‘ derving van huurinkomsten ’. Mede gelet hierop – en hetgeen hierna nader wordt overwogen – gaat hof dan ook niet mee in de stelling van de verdachte dat hij meende dat het slechts te doen was om vergoeding van de schade wegens de inventaris. Uit de verslaglegging van [benadeelde 1] blijkt verder dat de verdachte vaak belde. De verdachte nam dus wel degelijk duidelijk de leiding in de communicatie ten aanzien van de schademelding. [getuige 6] heeft verder verklaard dat de verdachte degene was die de overeenkomsten bij hem heeft aangeleverd. Hoewel de verdachte dat heeft ontkend, heeft het hof geen aanleiding om aan de verklaring van [getuige 6] te twijfelen. Het verweer dat de getuige dit niet heeft verklaard, wordt overigens weerlegd door de bewijsmiddelen. De verklaring van [getuige 6] vindt bovendien steun in diverse getuigenverklaringen. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] samen verantwoordelijk waren voor het opstellen van de contracten en het plaatsen van handtekeningen en dat niemand van het personeel ooit een handtekening onder een contract heeft gezet. Ook getuigen [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] hebben verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] de contracten opstelden en ondertekenden. Het overige personeel had geen tekenbevoegdheid. Getuige [getuige 3] heeft een vergelijkbare verklaring afgelegd: de verdachte zette de handtekeningen onder overeenkomsten en er waren geen andere mensen bevoegd om dit te doen. Dat het de verdachte is geweest die - op verzoek van [benadeelde 1] - via zijn accountant de overeenkomsten heeft verstrekt ter onderbouwing van de schadeclaim is zowel passend bij diens rol in het bedrijf als bij zijn actieve bemoeienis bij de afwikkeling van de schadeclaim. Nadere ondersteuning dat het de verdachte is geweest die de overeenkomsten heeft verstrekt, kan naar het oordeel van het hof, worden gevonden in het eerder genoemde e-mailbericht van [getuige 6] , waarin – in antwoord op een vraag van [benadeelde 1] – wordt geantwoord dat de verdachte het nodige heeft gedaan om de schade ter zake van de gederfde huurinkomsten te beperken. Daartoe wordt verwezen naar bij het e-mailbericht gevoegde correspondentie met verhuurders – naar het hof begrijpt – gevoerd met de verdachte, waaruit zou blijken dat de verhuurders thans (op eigen initiatief en voor langere duur) alternatieven hebben gevonden. Het hof heeft deze correspondentie aangetroffen op (onder meer) pagina’s 240 en verder van het dossier. Het hof begrijpt uit het dossier en de stukken dat de correspondentie van de zijde van de verdediging is ingebracht. Het betreft onder meer een e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] , van [bedrijf 3] , die – kort gezegd – schrijft dat het contract wordt stopgezet in verband met de blikseminslag (dossierpagina 251). Daarnaast gaat het om een e-mailbericht van de verdachte aan de heer [betrokkene 8] van [bedrijf 4] , waarin de verdachte schrijft dat hij bij dat bedrijf is langsgegaan, dat zij begrip hadden voor de situatie en dat hij, zoals besproken, hen snel weer na de heropening hoopt te verwelkomen als klant, zulks nadat het contract van [bedrijf 4] met de uitwijklocatie is beëindigd (dossierpagina 242). Het dossier bevat daarnaast nog een e-mailbericht (dossierpagina 249) met vergelijkbare inhoud verzonden door de verdachte aan [betrokkene 9] naar het adres [e-mailadres 6] . van – naar het hof aldus begrijpt – [bedrijf 5] . Ter onderbouwing van de schadeclaim zijn huurovereenkomsten met onder andere [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ingediend. De omstandigheid dat de verdachte middels voormelde correspondentie ogenschijnlijk doet voorkomen dat hij met deze partijen contact heeft gehad, biedt naar het oordeel van het hof steun aan de verklaring van [getuige 6] en het gelijkluidend oordeel van het hof dat de overeenkomsten, met onder meer die partijen, door de verdachte zijn aangeleverd. In hetgeen de verdediging met betrekking tot de intentieverklaringen heeft aangevoerd, ziet het hof – wat daarvan verder ook zij – geen grond om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat de verdachte in de tenlastelegging niet wordt verweten dat hij van intentieverklaringen gebruik heeft gemaakt, doch wel van de valse (zie hierna) overeenkomsten. Voorts hebben de getuigen verklaard dat [bedrijf 1] een slechtlopend bedrijf was dat weinig klanten had. [getuige 1] heeft verklaard dat het personeel daarom een jaar “uit hun neus heeft staan vreten” en dat het bedrijf niet rendabel was. [getuige 4] heeft verklaard dat de omzet van [bedrijf 1] maximaal € 5.000,- per maand was en dat hij onvoldoende klanten had binnengehaald om het bedrijf draaiende te houden. Daarnaast heeft [getuige 4] verklaard dat de verdachte contracten heeft doorgestuurd met bedrijven die nooit ruimtes huurden bij [bedrijf 1] . [getuige 5] heeft verklaard dat er in de beste maand ongeveer € 4.000,- aan inkomsten waren, terwijl er een uitgavepatroon was van € 35.000,- tot € 40.000,- per maand. Op basis van het vorenstaande stelt het hof met de rechtbank vast dat verdachte meer schade bij [benadeelde 1] heeft (laten) opgegeven door het mislopen van inkomsten uit het niet kunnen verhuren van bedrijfsruimtes dan dat er daadwerkelijk is geleden. De verdachte heeft namelijk een schade van € 888.041,- gemeld. In een brief van 5 oktober 2016 schreef de verdachte dat [bedrijf 1] minimaal € 110.000,- schade heeft geleden door misgelopen inkomsten en dat er grote klanten zijn weggelopen, wat structureel € 25.000,- per maand kostte. De verdachte schrijft verder in die brief dat, naast voornoemde kosten vanwege misgelopen boekingen, de nasleep nog niet is meegenomen en dat het bedrijf wat betreft de maanden september tot en met december nog niet eens op 10 procent van de omzet zit. Kijkend naar het genoemde bedrag en het percentage, dan wordt aldus een zeer forse schade geclaimd. Uit de getuigenverklaringen volgt echter het beeld dat [bedrijf 1] slecht liep: er waren weinig klanten en de maximale omzet per maand was € 5.000,-. Voorts stelt het hof in navolging van de rechtbank vast dat de overgelegde contracten van [bedrijf 1] met diverse bedrijven en de brief van de brandweer ter onderbouwing van de schade valselijk zijn opgemaakt. Namens de brandweer en de veiligheidsregio is aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. De brief met betrekking tot de blikseminslag in het pand aan [adres 1] op 22 juli 2016 is nooit door de brandweer of de veiligheidsregio opgemaakt of verstuurd. Met betrekking tot de contracten blijkt uit het dossier dat [benadeelde 1] contact heeft gezocht met [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 4] en [bedrijf 6] en hierover navraag heeft gedaan. Al deze bedrijven bleken geen contract te hebben afgesloten met [bedrijf 1] . Ook blijkt dat met het bedrijf [bedrijf 3] niet de overeenkomst is opgemaakt die ter onderbouwing van de schade is ingediend. Getuige [getuige 4] heeft tot slot verklaard dat er een overeenkomst met [bedrijf 7] is doorgestuurd door de verdachte, terwijl dit bedrijf geen ruimte huurde bij [bedrijf 1] . Door en namens de verdachte is aangevoerd dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig en onwaarachtig zijn en dat een in verdachtes bedrijf gehanteerd bonussysteem aanleiding is geweest voor een lid van het personeel en tevens getuige om valse overeenkomsten op te stellen. Daarnaast is sprake geweest van een gecoördineerde samenwerking tussen de getuigen (lees: het personeel) en [betrokkene 7] om verdachtes bedrijf te bemachtigen. Het hof heeft uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting enig objectief aanknopingspunt kunnen destilleren voor de juistheid van hetgeen door of namens de verdachte wordt gesteld. Het bestaan van een dergelijk bonussysteem is niet gebleken en wordt bovendien door de getuigen weersproken. Van een samenwerking tussen de getuigen is het hof evenmin iets gebleken.
Volledig
Daarbij komt dat het hof van oordeel is dat het scenario van de verdachte, inhoudende dat een personeelslid verantwoordelijk is geweest voor het opstellen van de valse overeenkomsten – naast dat het onverenigbaar is met de bewijsmiddelen – volstrekt ongeloofwaardig is. Immers, ligt het zwaartepunt in deze zaak op het gebruik van de valse overeenkomsten voor het oplichten van de verzekering. Zo bezien waren de overeenkomsten dan ook slechts een middel, waarbij het de verdachte en niemand anders is geweest, die direct van de oplichting financieel voordeel heeft genoten. Het ten onrechte uitgekeerde verzekeringsgeld is immers aan hem toegevloeid. Met het indienen van de valse huurovereenkomsten bij de verzekeraar was de oplichting van de verzekering dan ook - ware het niet dat dit later toch is ontdekt - grotendeels geslaagd. Dit geldt evenwel niet voor het opmaken van de valse overeenkomsten. Niet alleen kan het niet anders zijn dan dat vroeger of later aan het licht zou zijn gekomen dat de in de valse contracten opgevoerde partijen geen ruimte(s) huurden bij verdachtes bedrijf en dat er ter zake daarvan geen betalingen door hen werden verricht, zodat het in de eerste plaats onaannemelijk is te achten dat een personeelslid de overeenkomsten valselijk heeft opgesteld, in het scenario van de verdachte heeft de medewerker, met diens oog op het bonussysteem, bovendien enkel belang bij het interne gebruik van de valse overeenkomsten. De vraag hoe en waarom de valse overeenkomsten in dit scenario bij de verzekering – en naar het hof begrijpt, daarnaast intern niet bekend waren of gebruikt zijn – terecht zijn gekomen, blijft onbeantwoord. Datzelfde geldt voor de even zo belangrijke brief van de brandweer, die samen met de valse overeenkomsten aan de claim ten grondslag heeft gelegen. Hoe – naast de valse contracten – het gelijktijdige bestaan van deze valse brief moet worden verklaard en in het scenario van de verdachte moet worden ingepast, ontgaat het hof volledig en daarin is ook van de zijde van de verdachte geen helderheid verschaft. Het hof vermag dan ook op geen enkele wijze in te zien hoe een ander dan verdachte (bijvoorbeeld een personeelslid) gebaat zou zijn geweest bij het (opstellen en/of) gebruik van de valse stukken. Het hof acht het scenario van de verdachte derhalve zowel ongeloofwaardig als onaannemelijk en stelt het terzijde. Voorts is de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep geenszins in geslaagd om het beeld dat door de getuigen wordt geschetst over het bedrijf van de verdachte, weg te nemen. Het door de verdachte ter zitting genoemde bedrag aan omzet rechtvaardigt op geen enkele wijze het voormelde forse bedrag dat bij de verzekering als gederfde huurinkomsten is ingediend en waarmee de verdachte, naar het oordeel van het hof, bekend was. Ook is de verdachte niet in staat gebleken om, met voldoende mate van concreetheid, namen van bedrijven of partijen te noemen, zulks ter onderbouwing van de opgevoerde gederfde huurinkomsten. Het waren volgens de verdachte met name kleine partijen. Met [bedrijf 5] bestond volgens de verdachte slechts een prijsafspraak en er was verder niets op papier. [bedrijf 4] was nooit klant. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat [betrokkene 9] van [bedrijf 5] heeft aangegeven dat er nooit een contract is gesloten met het bedrijf van de verdachte. De omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat [bedrijf 4] nimmer klant is geweest is daarnaast niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens voornoemd e-mailbericht, dit bedrijf heeft aangeschreven, er langs is gegaan, dat zij begrip hadden voor de situatie en dat hij, zoals besproken, hen snel weer na de heropening hoopt te verwelkomen als klant. De verdachte heeft diens betrokkenheid bij het opmaken van de valse stukken en het gebruik daarvan ontkend en de stelling geponeerd dat een ander de valse stukken heeft opgemaakt en dat daarbij gebruik is gemaakt van verdachtes handtekening. Zoals hierboven reeds is overwogen, hecht het hof geen geloof aan deze stelling. Voor de juistheid van deze stelling heeft het hof in het dossier dan ook geen enkele aanwijzing gevonden. Integendeel, en in aanvulling op het vorenoverwogene overweegt het hof in dit verband nog het volgende. Het dossier bevat een groot aantal door de verdachte opgestelde stukken en verstuurde correspondentie aan verschillende partijen en personen. Het betreft onder andere e-mailberichten en brieven. Bij bestudering daarvan is het hof gebleken dat de verdachte zijn stukken als volgt pleegt af te sluiten: “ Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben. Teken ik met vriendelijke groet ”. Het eerder genoemde e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] , van [bedrijf 3] , beweerdelijk verzonden aan de verdachte, (in het e-mailadres staat overigens “ [bedrijf 3] ”) waarin zij schrijft dat het contract - waarvan thans is gebleken dat het vals is - wordt stopgezet in verband met de blikseminslag, is op precies dezelfde wijze ondertekend. Naast dit e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] van [bedrijf 3] , waarvan het contract in de tenlastelegging is opgenomen, bevat het dossier nog vier andere e-mailberichten van beweerdelijke huurders aan de verdachte en deze berichten zijn stuk voor stuk op dezelfde wijze ondertekend. Zoals overwogen zijn deze stukken ingebracht van de zijde van de verdediging. Naar het oordeel van het hof is het buitengewoon onwaarschijnlijk te achten dat vijf verschillende personen, van telkens verschillende bedrijven, precies dezelfde ondertekening onder hun e-mailberichten hanteren als de verdachte. Het is hier dat het hof in herinnering roept dat de politie contact heeft opgenomen met mevrouw [betrokkene 2] van [bedrijf 3] en dat zij gemeld heeft dat zij het bedrijf van de verdachte niet kent, dat er geen betalingen aan het bedrijf zijn verricht en dat er bovendien nimmer een mevrouw [betrokkene 3] bij hen werkzaam is geweest. Het vorenstaande voert het hof dan ook tot het oordeel dat deze door verdachte ingebrachte stukken en e-mailberichten niet kunnen bijdragen aan de stelling van verdachte dat het een ander is geweest die de valse contracten heeft opgemaakt. De verdachte heeft aldus opzettelijk gebruik gemaakt van de in de bewezenverklaring vermelde valselijk opgemaakte stukken. Uit de verklaring van [getuige 6] , die steun vindt in diverse getuigenverklaringen en in de verklaring van verdachte zelf, volgt dat de verdachte verantwoordelijk was voor de contracten van [bedrijf 1] . De verdachte heeft de contracten en de brief van de brandweer naar [bedrijf 8] verzonden. Van de betrokkenheid en wetenschap van de verdachte blijkt temeer, nu [getuige 6] op 10 november 2016 een e-mailbericht heeft verzonden aan [betrokkene 4] van [benadeelde 1] met de verdachte in de CC. Dat betekent dat de verdachte een kopie van dat e-mailbericht heeft ontvangen. In dit e-mailbericht schrijft [getuige 6] dat de totale schade van [bedrijf 1] € 935.052,50 bedraagt en dat dit bedrag is samengesteld uit contractschade, reeds gefactureerde boekingen en geannuleerde aanvragen. De schade is onderbouwd met een overzicht van de contracten van [bedrijf 1] met haar afnemers en alle afgesloten en door de verdachte ondertekende contracten die in dat overzicht staan opgenomen. Die documenten zijn als bijlage bijgevoegd bij de e-mail van [getuige 6] . De verdachte heeft dit e-mailbericht onder ogen gekregen en heeft nooit gemeld dat de informatie onjuist was. Daarnaast volgt uit het dossier dat de verdachte nauw betrokken was bij de afhandeling van de schade. Hij had veelvuldig contact met [bedrijf 8] en [benadeelde 1] en heeft alle stukken ter onderbouwing van de claim aangeleverd. Via [bedrijf 8] zijn vervolgens de valselijk opgemaakte documenten namens de verdachte naar [benadeelde 1] verzonden, hetgeen er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat er een vaststellingovereenkomst is opgemaakt en ondertekend, op grond waarvan [benadeelde 1] is overgegaan tot uitkering van verzekeringsgelden aan de verdachte.
Volledig
Daarbij komt dat het hof van oordeel is dat het scenario van de verdachte, inhoudende dat een personeelslid verantwoordelijk is geweest voor het opstellen van de valse overeenkomsten – naast dat het onverenigbaar is met de bewijsmiddelen – volstrekt ongeloofwaardig is. Immers, ligt het zwaartepunt in deze zaak op het gebruik van de valse overeenkomsten voor het oplichten van de verzekering. Zo bezien waren de overeenkomsten dan ook slechts een middel, waarbij het de verdachte en niemand anders is geweest, die direct van de oplichting financieel voordeel heeft genoten. Het ten onrechte uitgekeerde verzekeringsgeld is immers aan hem toegevloeid. Met het indienen van de valse huurovereenkomsten bij de verzekeraar was de oplichting van de verzekering dan ook - ware het niet dat dit later toch is ontdekt - grotendeels geslaagd. Dit geldt evenwel niet voor het opmaken van de valse overeenkomsten. Niet alleen kan het niet anders zijn dan dat vroeger of later aan het licht zou zijn gekomen dat de in de valse contracten opgevoerde partijen geen ruimte(s) huurden bij verdachtes bedrijf en dat er ter zake daarvan geen betalingen door hen werden verricht, zodat het in de eerste plaats onaannemelijk is te achten dat een personeelslid de overeenkomsten valselijk heeft opgesteld, in het scenario van de verdachte heeft de medewerker, met diens oog op het bonussysteem, bovendien enkel belang bij het interne gebruik van de valse overeenkomsten. De vraag hoe en waarom de valse overeenkomsten in dit scenario bij de verzekering – en naar het hof begrijpt, daarnaast intern niet bekend waren of gebruikt zijn – terecht zijn gekomen, blijft onbeantwoord. Datzelfde geldt voor de even zo belangrijke brief van de brandweer, die samen met de valse overeenkomsten aan de claim ten grondslag heeft gelegen. Hoe – naast de valse contracten – het gelijktijdige bestaan van deze valse brief moet worden verklaard en in het scenario van de verdachte moet worden ingepast, ontgaat het hof volledig en daarin is ook van de zijde van de verdachte geen helderheid verschaft. Het hof vermag dan ook op geen enkele wijze in te zien hoe een ander dan verdachte (bijvoorbeeld een personeelslid) gebaat zou zijn geweest bij het (opstellen en/of) gebruik van de valse stukken. Het hof acht het scenario van de verdachte derhalve zowel ongeloofwaardig als onaannemelijk en stelt het terzijde. Voorts is de verdachte er ter terechtzitting in hoger beroep geenszins in geslaagd om het beeld dat door de getuigen wordt geschetst over het bedrijf van de verdachte, weg te nemen. Het door de verdachte ter zitting genoemde bedrag aan omzet rechtvaardigt op geen enkele wijze het voormelde forse bedrag dat bij de verzekering als gederfde huurinkomsten is ingediend en waarmee de verdachte, naar het oordeel van het hof, bekend was. Ook is de verdachte niet in staat gebleken om, met voldoende mate van concreetheid, namen van bedrijven of partijen te noemen, zulks ter onderbouwing van de opgevoerde gederfde huurinkomsten. Het waren volgens de verdachte met name kleine partijen. Met [bedrijf 5] bestond volgens de verdachte slechts een prijsafspraak en er was verder niets op papier. [bedrijf 4] was nooit klant. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat [betrokkene 9] van [bedrijf 5] heeft aangegeven dat er nooit een contract is gesloten met het bedrijf van de verdachte. De omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat [bedrijf 4] nimmer klant is geweest is daarnaast niet te rijmen met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens voornoemd e-mailbericht, dit bedrijf heeft aangeschreven, er langs is gegaan, dat zij begrip hadden voor de situatie en dat hij, zoals besproken, hen snel weer na de heropening hoopt te verwelkomen als klant. De verdachte heeft diens betrokkenheid bij het opmaken van de valse stukken en het gebruik daarvan ontkend en de stelling geponeerd dat een ander de valse stukken heeft opgemaakt en dat daarbij gebruik is gemaakt van verdachtes handtekening. Zoals hierboven reeds is overwogen, hecht het hof geen geloof aan deze stelling. Voor de juistheid van deze stelling heeft het hof in het dossier dan ook geen enkele aanwijzing gevonden. Integendeel, en in aanvulling op het vorenoverwogene overweegt het hof in dit verband nog het volgende. Het dossier bevat een groot aantal door de verdachte opgestelde stukken en verstuurde correspondentie aan verschillende partijen en personen. Het betreft onder andere e-mailberichten en brieven. Bij bestudering daarvan is het hof gebleken dat de verdachte zijn stukken als volgt pleegt af te sluiten: “ Hopende u voldoende geïnformeerd te hebben. Teken ik met vriendelijke groet ”. Het eerder genoemde e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] , van [bedrijf 3] , beweerdelijk verzonden aan de verdachte, (in het e-mailadres staat overigens “ [bedrijf 3] ”) waarin zij schrijft dat het contract - waarvan thans is gebleken dat het vals is - wordt stopgezet in verband met de blikseminslag, is op precies dezelfde wijze ondertekend. Naast dit e-mailbericht van mevrouw [betrokkene 3] van [bedrijf 3] , waarvan het contract in de tenlastelegging is opgenomen, bevat het dossier nog vier andere e-mailberichten van beweerdelijke huurders aan de verdachte en deze berichten zijn stuk voor stuk op dezelfde wijze ondertekend. Zoals overwogen zijn deze stukken ingebracht van de zijde van de verdediging. Naar het oordeel van het hof is het buitengewoon onwaarschijnlijk te achten dat vijf verschillende personen, van telkens verschillende bedrijven, precies dezelfde ondertekening onder hun e-mailberichten hanteren als de verdachte. Het is hier dat het hof in herinnering roept dat de politie contact heeft opgenomen met mevrouw [betrokkene 2] van [bedrijf 3] en dat zij gemeld heeft dat zij het bedrijf van de verdachte niet kent, dat er geen betalingen aan het bedrijf zijn verricht en dat er bovendien nimmer een mevrouw [betrokkene 3] bij hen werkzaam is geweest. Het vorenstaande voert het hof dan ook tot het oordeel dat deze door verdachte ingebrachte stukken en e-mailberichten niet kunnen bijdragen aan de stelling van verdachte dat het een ander is geweest die de valse contracten heeft opgemaakt. De verdachte heeft aldus opzettelijk gebruik gemaakt van de in de bewezenverklaring vermelde valselijk opgemaakte stukken. Uit de verklaring van [getuige 6] , die steun vindt in diverse getuigenverklaringen en in de verklaring van verdachte zelf, volgt dat de verdachte verantwoordelijk was voor de contracten van [bedrijf 1] . De verdachte heeft de contracten en de brief van de brandweer naar [bedrijf 8] verzonden. Van de betrokkenheid en wetenschap van de verdachte blijkt temeer, nu [getuige 6] op 10 november 2016 een e-mailbericht heeft verzonden aan [betrokkene 4] van [benadeelde 1] met de verdachte in de CC. Dat betekent dat de verdachte een kopie van dat e-mailbericht heeft ontvangen. In dit e-mailbericht schrijft [getuige 6] dat de totale schade van [bedrijf 1] € 935.052,50 bedraagt en dat dit bedrag is samengesteld uit contractschade, reeds gefactureerde boekingen en geannuleerde aanvragen. De schade is onderbouwd met een overzicht van de contracten van [bedrijf 1] met haar afnemers en alle afgesloten en door de verdachte ondertekende contracten die in dat overzicht staan opgenomen. Die documenten zijn als bijlage bijgevoegd bij de e-mail van [getuige 6] . De verdachte heeft dit e-mailbericht onder ogen gekregen en heeft nooit gemeld dat de informatie onjuist was. Daarnaast volgt uit het dossier dat de verdachte nauw betrokken was bij de afhandeling van de schade. Hij had veelvuldig contact met [bedrijf 8] en [benadeelde 1] en heeft alle stukken ter onderbouwing van de claim aangeleverd. Via [bedrijf 8] zijn vervolgens de valselijk opgemaakte documenten namens de verdachte naar [benadeelde 1] verzonden, hetgeen er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat er een vaststellingovereenkomst is opgemaakt en ondertekend, op grond waarvan [benadeelde 1] is overgegaan tot uitkering van verzekeringsgelden aan de verdachte.
Volledig
Al het hetgeen overigens van de zijde van de verdediging ten verwere naar voren is gebracht, al dan niet ertoe strekkende de juist- en/of volledigheid van het onderzoek in diskrediet te brengen, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het hof is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gebezigde bewijsmiddelen. De verweren van de verdediging worden aldus verworpen in al hun onderdelen. Op grond van de bewijsmiddelen en het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring staat vermeld. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte, niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden afgeleid of, en zo ja, op welke wijze, sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met een (of meer) medeverdachte(n), zodat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: oplichting. Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. De raadsman van de verdachte heeft - ingeval van een bewezenverklaring - onder verwijzing naar het tijdsverloop in deze zaak en de overschrijding van de redelijke termijn, het hof verzocht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf te matigen. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – verzekeringsfraude, bestaande uit het opzettelijk gebruik maken van valse stukken en oplichting. De verdachte heeft valse huurcontracten en een valse brief van de brandweer, waaruit zou blijken dat verdachtes bedrijf op laste van de brandweer gesloten was, laten indienen bij zijn verzekeraar, [benadeelde 1] . Op grond daarvan heeft de verzekeraar een fors geldbedrag uitgekeerd aan de verdachte, wegens (onder andere) gederfde huurinkomsten. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het bedrijf van de verdachte nimmer dergelijke forse huurinkomsten heeft behaald, noch dat zij op grond van de opgevoerde valse contracten in het verschiet lagen. Aldus heeft de verdachte middels het indienen van valse stukken de verzekeraar bewogen tot afgifte van een fors geldbedrag aan verzekeringsgeld. De door de verdachte aangewende valse stukken hebben in deze zaak een cruciale rol gespeeld en waren onmisbaar om de verzekeraar te bewegen tot de afgifte van voornoemd geldbedrag. Door dergelijk strafbaar handelen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast en het verzekeringsstelsel ernstig ondermijnd. Niet alleen verzekeraars worden hierdoor voor grote bedragen benadeeld, ook de overige verzekerden ervaren daar vroeger of later de consequenties van door de hogere premie die zij moeten betalen. De verzekeraar is in belangrijke mate afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming, alsook van het vertrouwen van de verzekeraar die – zonder overigens afbreuk te doen aan diens eigen verantwoordelijkheid en onderzoeksplicht in dezen – er in beginsel van uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Verdachtes handelen wordt hem door het hof aangerekend, te meer nu de verdachte tegen beter weten in volhardt in zijn ontkenning en daarmee te kennen geeft het laakbare van zijn gedrag niet in te willen zien. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij thans een uitkering heeft en lastig kan rondkomen. Ook heeft de verdachte naar eigen zeggen te kampen met diverse medische klachten. Het hof stelt voorop dat in gevallen zoals de onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, in beginsel een onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd, hetgeen tevens tot uitdrukking is gebracht in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’. Deze oriëntatiepunten gaan als vertrekpunt bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,- en € 250.000,- in beginsel uit van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenis die valt in de bandbreedte van 9 tot en met 12 maanden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 14 juni 2018, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord ter zake van de onderhavige feiten. De rechtbank heeft op 26 september 2024 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 4 jaar en ruim 3 maanden. Hoewel deze strafzaak zijn aanleiding vindt in een artikel 12 Wetboek van Strafvordering klachtenprocedure en in dat verband een lange aanloop kent, alsmede dat er in deze zaak op verzoek van de verdediging nader onderzoek is verricht, is het hof van oordeel dat die omstandigheid niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren.
Volledig
Al het hetgeen overigens van de zijde van de verdediging ten verwere naar voren is gebracht, al dan niet ertoe strekkende de juist- en/of volledigheid van het onderzoek in diskrediet te brengen, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het hof is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gebezigde bewijsmiddelen. De verweren van de verdediging worden aldus verworpen in al hun onderdelen. Op grond van de bewijsmiddelen en het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring staat vermeld. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte, niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden afgeleid of, en zo ja, op welke wijze, sprake is geweest van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met een (of meer) medeverdachte(n), zodat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: oplichting. Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. De raadsman van de verdachte heeft - ingeval van een bewezenverklaring - onder verwijzing naar het tijdsverloop in deze zaak en de overschrijding van de redelijke termijn, het hof verzocht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf te matigen. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – verzekeringsfraude, bestaande uit het opzettelijk gebruik maken van valse stukken en oplichting. De verdachte heeft valse huurcontracten en een valse brief van de brandweer, waaruit zou blijken dat verdachtes bedrijf op laste van de brandweer gesloten was, laten indienen bij zijn verzekeraar, [benadeelde 1] . Op grond daarvan heeft de verzekeraar een fors geldbedrag uitgekeerd aan de verdachte, wegens (onder andere) gederfde huurinkomsten. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het bedrijf van de verdachte nimmer dergelijke forse huurinkomsten heeft behaald, noch dat zij op grond van de opgevoerde valse contracten in het verschiet lagen. Aldus heeft de verdachte middels het indienen van valse stukken de verzekeraar bewogen tot afgifte van een fors geldbedrag aan verzekeringsgeld. De door de verdachte aangewende valse stukken hebben in deze zaak een cruciale rol gespeeld en waren onmisbaar om de verzekeraar te bewegen tot de afgifte van voornoemd geldbedrag. Door dergelijk strafbaar handelen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast en het verzekeringsstelsel ernstig ondermijnd. Niet alleen verzekeraars worden hierdoor voor grote bedragen benadeeld, ook de overige verzekerden ervaren daar vroeger of later de consequenties van door de hogere premie die zij moeten betalen. De verzekeraar is in belangrijke mate afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming, alsook van het vertrouwen van de verzekeraar die – zonder overigens afbreuk te doen aan diens eigen verantwoordelijkheid en onderzoeksplicht in dezen – er in beginsel van uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Verdachtes handelen wordt hem door het hof aangerekend, te meer nu de verdachte tegen beter weten in volhardt in zijn ontkenning en daarmee te kennen geeft het laakbare van zijn gedrag niet in te willen zien. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij thans een uitkering heeft en lastig kan rondkomen. Ook heeft de verdachte naar eigen zeggen te kampen met diverse medische klachten. Het hof stelt voorop dat in gevallen zoals de onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, in beginsel een onvoorwaardelijke straf wordt opgelegd, hetgeen tevens tot uitdrukking is gebracht in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’. Deze oriëntatiepunten gaan als vertrekpunt bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de € 125.000,- en € 250.000,- in beginsel uit van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenis die valt in de bandbreedte van 9 tot en met 12 maanden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 14 juni 2018, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord ter zake van de onderhavige feiten. De rechtbank heeft op 26 september 2024 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 4 jaar en ruim 3 maanden. Hoewel deze strafzaak zijn aanleiding vindt in een artikel 12 Wetboek van Strafvordering klachtenprocedure en in dat verband een lange aanloop kent, alsmede dat er in deze zaak op verzoek van de verdediging nader onderzoek is verricht, is het hof van oordeel dat die omstandigheid niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren.
Volledig
Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenis zal matigen. Het voorgaande leidt, alles afwegende, tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Met een andere of lichtere straf kan naar ’s hofs oordeel niet worden volstaan. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 229.799,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade en valt uiteen in de volgende posten: € 222.000,- schade uitkering; € 7.799,60 kosten expert. De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 222.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering integraal zal toewijzen, met veroordeling van de verdachte in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij dienen te worden begroot op het gevorderde bedrag. De raadsman van de verdachte heeft – naar het hof begrijpt – bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ter onderbouwing van dat standpunt is – in de kern – aangevoerd dat de vordering wordt beheerst door het civiele recht, meer in het bijzonder, het verzekeringsrecht. De vraag of sprake is van schadeplichtigheid en zo ja, hoe de begroting van de schade dient plaats te vinden, maakt de vordering dermate complex, dat daar in dit strafproces geen ruimte voor is. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde proceskosten bovenmatig zijn. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van verdachtes bewezenverklaarde handelen. De verdachte heeft immers middels het opzettelijk gebruikmaken van valse stukken en met een leugenachtige voorstelling van zaken de benadeelde partij, diens verzekeraar [benadeelde 1] , bewogen tot afgifte van een fors geldbedrag aan verzekeringsgeld. Door de benadeelde partij is aan de verdachte een bedrag uitgekeerd van ruim twee ton en dit was ten dele onterecht, zodat vaststaat dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Anders gezegd: de verdachte heeft de benadeelde partij opgelicht. Desalniettemin is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat het hof de precieze omvang van de geleden schade in deze procedure niet kan vaststellen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat het niet zonder meer onaannemelijk is te achten dat sprake is geweest van een schade incident (een blikseminslag) bij het bedrijf van de verdachte en dat daardoor schade is ontstaan, niet bestaande uit de valselijk opgevoerde gederfde huurinkomsten, welke centraal staan in deze strafzaak. Vaststaat dat door [benadeelde 1] , middels meerdere geldstortingen, een totaalbedrag van € 249.500,00 is uitgekeerd. De uitgekeerde bedragen op het rekeningafschrift zijn echter onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof op grond van de stukken gevoegd bij de vordering tot schadevergoeding, noch de overige stukken in het dossier kan vaststellen welke uitgekeerde bedragen verband houden met de gederfde huurinkomsten dan wel met de overige schade. Dat de door de oplichting veroorzaakte schade voor [benadeelde 1] aanmerkelijk zal zijn, acht het hof op grond van het dossier en de stukken weliswaar aannemelijk, doch de precieze vaststelling daarvan vereist nader onderzoek, hetgeen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zodat daarvoor in deze procedure geen plaats is. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en daarbij bepalen dat de benadeelde partij de vordering in een civielrechtelijke procedure kan laten beoordelen. Het hof zal de benadeelde partij, die thans als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden ; verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil. Aldus gewezen door: mr. C.P.J. Scheele, voorzitter, mr. C.A. van Roosmalen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier, en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenis zal matigen. Het voorgaande leidt, alles afwegende, tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Met een andere of lichtere straf kan naar ’s hofs oordeel niet worden volstaan. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 229.799,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade en valt uiteen in de volgende posten: € 222.000,- schade uitkering; € 7.799,60 kosten expert. De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van 222.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering integraal zal toewijzen, met veroordeling van de verdachte in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij dienen te worden begroot op het gevorderde bedrag. De raadsman van de verdachte heeft – naar het hof begrijpt – bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ter onderbouwing van dat standpunt is – in de kern – aangevoerd dat de vordering wordt beheerst door het civiele recht, meer in het bijzonder, het verzekeringsrecht. De vraag of sprake is van schadeplichtigheid en zo ja, hoe de begroting van de schade dient plaats te vinden, maakt de vordering dermate complex, dat daar in dit strafproces geen ruimte voor is. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde proceskosten bovenmatig zijn. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de bewijsmiddelen genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van verdachtes bewezenverklaarde handelen. De verdachte heeft immers middels het opzettelijk gebruikmaken van valse stukken en met een leugenachtige voorstelling van zaken de benadeelde partij, diens verzekeraar [benadeelde 1] , bewogen tot afgifte van een fors geldbedrag aan verzekeringsgeld. Door de benadeelde partij is aan de verdachte een bedrag uitgekeerd van ruim twee ton en dit was ten dele onterecht, zodat vaststaat dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Anders gezegd: de verdachte heeft de benadeelde partij opgelicht. Desalniettemin is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat het hof de precieze omvang van de geleden schade in deze procedure niet kan vaststellen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat het niet zonder meer onaannemelijk is te achten dat sprake is geweest van een schade incident (een blikseminslag) bij het bedrijf van de verdachte en dat daardoor schade is ontstaan, niet bestaande uit de valselijk opgevoerde gederfde huurinkomsten, welke centraal staan in deze strafzaak. Vaststaat dat door [benadeelde 1] , middels meerdere geldstortingen, een totaalbedrag van € 249.500,00 is uitgekeerd. De uitgekeerde bedragen op het rekeningafschrift zijn echter onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof op grond van de stukken gevoegd bij de vordering tot schadevergoeding, noch de overige stukken in het dossier kan vaststellen welke uitgekeerde bedragen verband houden met de gederfde huurinkomsten dan wel met de overige schade. Dat de door de oplichting veroorzaakte schade voor [benadeelde 1] aanmerkelijk zal zijn, acht het hof op grond van het dossier en de stukken weliswaar aannemelijk, doch de precieze vaststelling daarvan vereist nader onderzoek, hetgeen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zodat daarvoor in deze procedure geen plaats is. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en daarbij bepalen dat de benadeelde partij de vordering in een civielrechtelijke procedure kan laten beoordelen. Het hof zal de benadeelde partij, die thans als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden ; verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil. Aldus gewezen door: mr. C.P.J. Scheele, voorzitter, mr. C.A. van Roosmalen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier, en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.