Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-04-14
ECLI:NL:GHSHE:2026:1052
Strafrecht
Hoger beroep
11,209 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 text/xml public 2026-05-13T12:10:24 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-14 20-001754-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Middelburg Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 text/html public 2026-05-13T12:09:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-04-2026 / 20-001754-25 Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Parketnummer : 20-001754-25 Uitspraak : 14 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-354562-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘ opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent ’ en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft bij deze voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden gesteld, te weten een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. De politierechter heeft de verdachte ook veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is toegewezen tot een bedrag van € 846,61, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van € 2.346,61, waarvan € 846,61 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 846,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering tot schadevergoeding slechts aan het oordeel van het hof onderworpen voor zover deze door de politierechter is toegewezen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. Verder vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 846,61, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . In zoverre wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd. Aanvulling van de bewijsmiddelen In aanvulling op de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel: De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 31 maart 2026. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De politierechter heeft in het vonnis het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Het hof stelt vast dat de kwalificatie niet geheel in overeenstemming is met het (door het hof bevestigde) bewezenverklaarde zoals blijkt uit het vonnis waarvan beroep. Immers is bewezenverklaard dat de verdachte ‘ opzettelijk een minderjarige heeft onttrokken en onttrokken heeft gehouden aan het wettig over die minderjarige gesteld gezag van de vader en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was ’. Het bewezenverklaarde wordt daarom opnieuw en als volgt gekwalificeerd: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte heeft bekend dat zij [slachtoffer 1] in de periode van 25 september 2024 tot en met 22 oktober 2024 heeft onttrokken aan het wettig gezag van haar vader en aan de gecertificeerde instelling [Instelling] door de toen 6 jarige [slachtoffer 1] mee te nemen naar Engeland. Door de verdediging is een beroep gedaan op psychische overmacht en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat de verdachte zich niet gehoord voelde door de hulpverlening omtrent haar zorgen over [slachtoffer 1] en er sprake was van zeer prangende en acute omstandigheden. Dit bracht een zo heftige gemoedsbeweging bij de verdachte te weeg, dat zij besloot om met [slachtoffer 1] naar Engeland te gaan. Zij heeft geen andere uitweg gezien dan het plegen van het strafbare feit. Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte en aangever – de vader van [slachtoffer 1] – in een langlopende juridische procedure bij de kinderrechter waren verwikkeld. Het hof constateert dat de verdachte diverse beschuldigingen heeft geuit in de richting van aangever betreffende mishandeling van haar dochter door zijn vriendin en haar kinderen, maar dat deze beschuldigingen niet concreet zijn onderbouwd. Echter blijkt uit verschillende stukken dat er zorgen waren omtrent het gedrag van de verdachte. Zo bevat het dossier een brief van [Instelling] aan de Rechtbank Zeeland – West-Brabant met het verzoek om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 text/xml public 2026-05-13T12:10:24 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-04-14 20-001754-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Middelburg Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 text/html public 2026-05-13T12:09:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1052 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-04-2026 / 20-001754-25 Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Parketnummer : 20-001754-25 Uitspraak : 14 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-354562-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis, waarvan beroep, heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘ opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent ’ en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft bij deze voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden gesteld, te weten een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. De politierechter heeft de verdachte ook veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is toegewezen tot een bedrag van € 846,61, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van € 2.346,61, waarvan € 846,61 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 846,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering tot schadevergoeding slechts aan het oordeel van het hof onderworpen voor zover deze door de politierechter is toegewezen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. Verder vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 846,61, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . In zoverre wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd. Aanvulling van de bewijsmiddelen In aanvulling op de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel: De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 31 maart 2026. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde De politierechter heeft in het vonnis het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Het hof stelt vast dat de kwalificatie niet geheel in overeenstemming is met het (door het hof bevestigde) bewezenverklaarde zoals blijkt uit het vonnis waarvan beroep. Immers is bewezenverklaard dat de verdachte ‘ opzettelijk een minderjarige heeft onttrokken en onttrokken heeft gehouden aan het wettig over die minderjarige gesteld gezag van de vader en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was ’. Het bewezenverklaarde wordt daarom opnieuw en als volgt gekwalificeerd: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte heeft bekend dat zij [slachtoffer 1] in de periode van 25 september 2024 tot en met 22 oktober 2024 heeft onttrokken aan het wettig gezag van haar vader en aan de gecertificeerde instelling [Instelling] door de toen 6 jarige [slachtoffer 1] mee te nemen naar Engeland. Door de verdediging is een beroep gedaan op psychische overmacht en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat de verdachte zich niet gehoord voelde door de hulpverlening omtrent haar zorgen over [slachtoffer 1] en er sprake was van zeer prangende en acute omstandigheden. Dit bracht een zo heftige gemoedsbeweging bij de verdachte te weeg, dat zij besloot om met [slachtoffer 1] naar Engeland te gaan. Zij heeft geen andere uitweg gezien dan het plegen van het strafbare feit. Het hof overweegt als volgt. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte en aangever – de vader van [slachtoffer 1] – in een langlopende juridische procedure bij de kinderrechter waren verwikkeld. Het hof constateert dat de verdachte diverse beschuldigingen heeft geuit in de richting van aangever betreffende mishandeling van haar dochter door zijn vriendin en haar kinderen, maar dat deze beschuldigingen niet concreet zijn onderbouwd. Echter blijkt uit verschillende stukken dat er zorgen waren omtrent het gedrag van de verdachte. Zo bevat het dossier een brief van [Instelling] aan de Rechtbank Zeeland – West-Brabant met het verzoek om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Volledig
Het hof is van oordeel dat uit deze stukken geenszins de conclusie kan worden getrokken dat [slachtoffer 1] in een onveilige situatie verkeerde bij haar vader. Naar het oordeel van het hof worden de zorgen die de verdachte over de veiligheid van [slachtoffer 1] stelt te hebben gehad dan ook op geen enkele wijze gestaafd door objectieve gegevens uit het dossier. Het hof stelt verder vast dat Veilig Thuis op 10 september 2024, vijftien dagen voordat de verdachte haar dochter aan het gezag van haar vader onttrok, werd ingeschakeld om zich actief bezig te houden met het welzijn van [slachtoffer 1] . De stelling van de verdediging dat de hulpverlening de zorgen van de verdachte betreffende het welzijn en de veiligheid van [slachtoffer 1] niet serieus adresseerde, kan daarom naar het oordeel van het hof niet als juist worden aanvaard. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij na het gesprek met [Instelling] , twee dagen voordat de zitting bij de kinderrechter inzake een verzoek tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [slachtoffer 1] zou plaatsvinden, vermoedde dat zij het gezag over [slachtoffer 1] zou verliezen. [slachtoffer 1] zou dan niet veilig zijn en de verdachte zag zich om die reden genoodzaakt om haar dochter mee te nemen naar Engeland. De verdachte heeft hierop besloten tickets te kopen voor de overtocht naar Engeland met als vertrekdatum 25 september 2024 en als retourdatum 27 september 2024. Op het formulier ‘Toestemming reizen met een minderjarige’ heeft de verdachte de gegevens van de aangever ingevuld en zijn handtekening erop geplakt, omdat ze wist dat aangever niet akkoord zou gaan met de reis. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie – op de vraag van verbalisant hoe zij denkt dat de politie haar locatie en die van [slachtoffer 1] heeft achterhaald – verklaard dat het stom is dat ze haar simkaart niet eerder uit haar telefoon heeft gehaald om zo het achterhalen van haar locatie te kunnen bemoeilijken. Voorts is het hof gebleken dat er op 10 oktober 2024 een zitting heeft plaatsgevonden inzake de spoeduithuisplaatsing van [slachtoffer 1] . De verdachte was telefonisch op die zitting aanwezig, heeft aangegeven te weten waar de zitting over ging, alsmede dat zij haar verblijfslocatie niet kenbaar heeft willen maken. Ook heeft de verdachte bij de politie verklaard voor onbepaalde tijd in Engeland te willen blijven als een soort protestactie, tot zij zich door de instanties gehoord voelde. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte op het moment van het plegen van het strafbare feit redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het gaat om een geplande actie om met [slachtoffer 1] naar Engeland te reizen en daar met haar te verblijven, waar geen plotselinge paniek uit blijkt, integendeel. Het hof is niet gebleken van acute en prangende omstandigheden zoals door de raadsman is gesteld. Er was geen drang waartegen de verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden, ook niet als wordt uitgegaan van de door haar gestelde paniek. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte het strafbare feit onder dusdanige omstandigheden heeft gepleegd dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden. Het verweer wordt derhalve verworpen. De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. Daarnaast vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek van de dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft zich – subsidiair – op het standpunt gesteld dat een grotendeels voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd dient te worden opgelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten het zeer beperkte contact dat zij op dit moment in het kader van een begeleide omgangsregeling met haar dochter heeft. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van [slachtoffer 1] , haar destijds zesjarige dochter, aan het gezag van haar vader en aan de gecertificeerde instelling [Instelling] . De verdachte heeft haar dochter op 25 september 2024 meegenomen naar Engeland en haar daar zonder toestemming van de vader ongeveer een maand gehouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte het voor de vader onmogelijk gemaakt zijn taak als degene die met het ouderlijk gezag was belast, uit te voeren. Ouderlijk gezag is het recht en de plicht van de ouder om zijn of haar kind op te voeden en te verzorgen. Het belang van het kind staat hierbij centraal en dat behoort door eenieder te worden gerespecteerd. De verdachte heeft met haar handelen haar eigen belangen boven het belang van haar dochter en dat van de vader geplaatst, hetgeen het hof de verdachte in ernstige mate aanrekent. In het advies van de reclassering d.d. 20 juni 2025 wordt geschreven dat de kans op herhaling als hoog wordt ingeschat. Om te voorkomen dat een en ander nog een keer gebeurt zal het hof net als de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Naast deze voorwaardelijke straf acht het hof ook de oplegging van een taakstraf voor de duur van tachtig uren op zijn plaats en brengt daarbij in mindering de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend nu ook de gevolgen van deze strafzaak voor de verdachte groot zijn. Immers ze mag haar dochter, die altijd bij haar heeft gewoond, nog slechts één uur per week onder begeleiding zien. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het hof overweegt daartoe als volgt. De reiskosten zijn naar het oordeel van het hof op basis van de aangeleverde stukken voldoende aannemelijk geworden. Het hof wijst dit deel van de vordering volledig toe, te weten een bedrag van € 241,88. De opgenomen verlofuren zijn naar het oordeel van het hof beperkt onderbouwd, maar acht het hof voor een deel aannemelijk.
Volledig
Het hof is van oordeel dat uit deze stukken geenszins de conclusie kan worden getrokken dat [slachtoffer 1] in een onveilige situatie verkeerde bij haar vader. Naar het oordeel van het hof worden de zorgen die de verdachte over de veiligheid van [slachtoffer 1] stelt te hebben gehad dan ook op geen enkele wijze gestaafd door objectieve gegevens uit het dossier. Het hof stelt verder vast dat Veilig Thuis op 10 september 2024, vijftien dagen voordat de verdachte haar dochter aan het gezag van haar vader onttrok, werd ingeschakeld om zich actief bezig te houden met het welzijn van [slachtoffer 1] . De stelling van de verdediging dat de hulpverlening de zorgen van de verdachte betreffende het welzijn en de veiligheid van [slachtoffer 1] niet serieus adresseerde, kan daarom naar het oordeel van het hof niet als juist worden aanvaard. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij na het gesprek met [Instelling] , twee dagen voordat de zitting bij de kinderrechter inzake een verzoek tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [slachtoffer 1] zou plaatsvinden, vermoedde dat zij het gezag over [slachtoffer 1] zou verliezen. [slachtoffer 1] zou dan niet veilig zijn en de verdachte zag zich om die reden genoodzaakt om haar dochter mee te nemen naar Engeland. De verdachte heeft hierop besloten tickets te kopen voor de overtocht naar Engeland met als vertrekdatum 25 september 2024 en als retourdatum 27 september 2024. Op het formulier ‘Toestemming reizen met een minderjarige’ heeft de verdachte de gegevens van de aangever ingevuld en zijn handtekening erop geplakt, omdat ze wist dat aangever niet akkoord zou gaan met de reis. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie – op de vraag van verbalisant hoe zij denkt dat de politie haar locatie en die van [slachtoffer 1] heeft achterhaald – verklaard dat het stom is dat ze haar simkaart niet eerder uit haar telefoon heeft gehaald om zo het achterhalen van haar locatie te kunnen bemoeilijken. Voorts is het hof gebleken dat er op 10 oktober 2024 een zitting heeft plaatsgevonden inzake de spoeduithuisplaatsing van [slachtoffer 1] . De verdachte was telefonisch op die zitting aanwezig, heeft aangegeven te weten waar de zitting over ging, alsmede dat zij haar verblijfslocatie niet kenbaar heeft willen maken. Ook heeft de verdachte bij de politie verklaard voor onbepaalde tijd in Engeland te willen blijven als een soort protestactie, tot zij zich door de instanties gehoord voelde. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte op het moment van het plegen van het strafbare feit redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het gaat om een geplande actie om met [slachtoffer 1] naar Engeland te reizen en daar met haar te verblijven, waar geen plotselinge paniek uit blijkt, integendeel. Het hof is niet gebleken van acute en prangende omstandigheden zoals door de raadsman is gesteld. Er was geen drang waartegen de verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden, ook niet als wordt uitgegaan van de door haar gestelde paniek. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte het strafbare feit onder dusdanige omstandigheden heeft gepleegd dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden. Het verweer wordt derhalve verworpen. De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [locatie 1] en [locatie 2] en een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van betaald en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. Daarnaast vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis met aftrek van de dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft zich – subsidiair – op het standpunt gesteld dat een grotendeels voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd dient te worden opgelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten het zeer beperkte contact dat zij op dit moment in het kader van een begeleide omgangsregeling met haar dochter heeft. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van [slachtoffer 1] , haar destijds zesjarige dochter, aan het gezag van haar vader en aan de gecertificeerde instelling [Instelling] . De verdachte heeft haar dochter op 25 september 2024 meegenomen naar Engeland en haar daar zonder toestemming van de vader ongeveer een maand gehouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte het voor de vader onmogelijk gemaakt zijn taak als degene die met het ouderlijk gezag was belast, uit te voeren. Ouderlijk gezag is het recht en de plicht van de ouder om zijn of haar kind op te voeden en te verzorgen. Het belang van het kind staat hierbij centraal en dat behoort door eenieder te worden gerespecteerd. De verdachte heeft met haar handelen haar eigen belangen boven het belang van haar dochter en dat van de vader geplaatst, hetgeen het hof de verdachte in ernstige mate aanrekent. In het advies van de reclassering d.d. 20 juni 2025 wordt geschreven dat de kans op herhaling als hoog wordt ingeschat. Om te voorkomen dat een en ander nog een keer gebeurt zal het hof net als de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Naast deze voorwaardelijke straf acht het hof ook de oplegging van een taakstraf voor de duur van tachtig uren op zijn plaats en brengt daarbij in mindering de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend nu ook de gevolgen van deze strafzaak voor de verdachte groot zijn. Immers ze mag haar dochter, die altijd bij haar heeft gewoond, nog slechts één uur per week onder begeleiding zien. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het hof overweegt daartoe als volgt. De reiskosten zijn naar het oordeel van het hof op basis van de aangeleverde stukken voldoende aannemelijk geworden. Het hof wijst dit deel van de vordering volledig toe, te weten een bedrag van € 241,88. De opgenomen verlofuren zijn naar het oordeel van het hof beperkt onderbouwd, maar acht het hof voor een deel aannemelijk.
Volledig
Het hof zal dit deel van de vordering naar billijkheid schatten op een bedrag van € 272,40 (te weten 40 uur x € 6,81). De toe te wijzen materiële schade komt hiermee in een totaal op een bedrag van € 514,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 nu de schade op dat moment is ontstaan. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. Ten slotte zal het hof de verdachte veroordelen in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 514,28. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en doet in zoverre opnieuw recht. veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden . bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden : * dat verdachte zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoek met haar dochter, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , wonende te [adres 2] . Uitzonderingen op dit contactverbod kunnen door de betrokken jeugdbescherming noodzakelijk geachte contactmomenten zijn, in het kader van de omgang, goed te keuren door de reclassering, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt; * dat verdachte zich niet bevindt in [locatie 1] en in [locatie 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; * dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 514,28 (vijfhonderdveertien euro en achtentwintig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 514,28 (vijfhonderdveertien euro en achtentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 oktober 2024. bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter, mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. Bosch, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers, en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Het hof zal dit deel van de vordering naar billijkheid schatten op een bedrag van € 272,40 (te weten 40 uur x € 6,81). De toe te wijzen materiële schade komt hiermee in een totaal op een bedrag van € 514,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 nu de schade op dat moment is ontstaan. De vordering zal voor het overige worden afgewezen. Ten slotte zal het hof de verdachte veroordelen in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 514,28. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en doet in zoverre opnieuw recht. veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden . bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden : * dat verdachte zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoek met haar dochter, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , wonende te [adres 2] . Uitzonderingen op dit contactverbod kunnen door de betrokken jeugdbescherming noodzakelijk geachte contactmomenten zijn, in het kader van de omgang, goed te keuren door de reclassering, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt; * dat verdachte zich niet bevindt in [locatie 1] en in [locatie 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; * dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of onbetaald werk, met een vaste structuur. * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 514,28 (vijfhonderdveertien euro en achtentwintig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 514,28 (vijfhonderdveertien euro en achtentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 oktober 2024. bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter, mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. Bosch, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers, en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.