Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:979
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep kort geding
1,095 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.350.282/01
arrest van 8 april 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. M.A. Ploemen te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.
als vervolg op de door het hof gewezen rolbeslissing van 4 februari 2025 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/336160 / KG ZA 24-410 gewezen vonnis van 17 december 2024.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de (spoed)appeldagvaarding tevens houdende grieven van appellante;
de rolbeslissing van 4 februari 2025;
de antwoordakte van geïntimeerde.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
2.1.
In de rolbeslissing van 4 februari 2025 heeft de rolraadsheer geconstateerd dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv voor korte gedingen voorgeschreven termijn van vier weken.
Appellante is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep waarna geïntimeerde in de gelegenheid is gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.
2.2.
Appellante heeft geen akte over de ontvankelijkheid genomen. Op 4 maart 2025 heeft appellante bij H-16 formulier verzocht om doorhaling van de zaak, waarbij is vermeld dat de advocaat van geïntimeerde hierop nog niet heeft gereageerd in verband met vakantie.
2.3.
Geïntimeerde heeft bij antwoordakte van 18 maart 2025 gesteld dat appellante in het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard met veroordeling in de kosten van het hoger beroep, inclusief nakosten.
2.4.
Op grond van artikel 339 lid 2 Rv bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak.
In de onderhavige zaak dateert het vonnis waarvan beroep van dinsdag 17 december 2024. De termijn van vier weken begint derhalve op woensdag 18 december 2024 (als eerste dag) en eindigt aan het eind van de dag op dinsdag 14 januari 2025 (als achtentwintigste dag). Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op donderdag 16 januari 2025, is de appeldagvaarding te laat uitgebracht en is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
In de onderhavige zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikt te handhaven appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv.
2.5.
De conclusie is dat appellante niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, inclusief nakosten.
3De uitspraak
Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep van en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerde op € 362,- aan griffierecht en op € 607,- aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II), en voor wat betreft de nakosten op € 178,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 270,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.
griffier rolraadsheer