Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:975
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Goederenrecht
Hoger beroep
6,892 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.810/01
arrest van 8 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. R. Struijk te Eindhoven,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. C.A.D. Oomes te Son en Breugel.
op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd;
de bij H12-formulier van 7 februari 2024 door [appellant] aan het hof gezonden akte overlegging productie, met productie 19, die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort
[appellant] is eigenaar van een strook grond die onderdeel uitmaakt van een tussen zijn woning en het pand van (tot voor kort) [geïntimeerde] gelegen bestrating die ook als inrit werd gebruikt. [appellant] wil niet langer dat zijn strook door [geïntimeerde] of een van haar huurders wordt gebruikt, behalve voor zover hij daar zelf mee instemt. [geïntimeerde] heeft haar pand inmiddels verkocht. Zij is geen eigenaar meer en heeft geen huurder(s) meer. Het hof beoordeelt wat de gevolgen zijn van die nieuwe situatie voor deze rechtszaak. Die gevolgen zijn onder andere dat [geïntimeerde] geen belang meer kan aanvoeren dat ertoe leidt dat [appellant] een beperking van zijn eigendomsrecht moet dulden.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
De rechtbank heeft in 2.1. tot en met 2.7. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling relevant achtte. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht. In hoger beroep zijn enkele nieuwe feiten bekend geworden. Het hof zal eerst de feiten vermelden zoals die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank luidden. Daarna zal het hof de in hoger beroep nieuw gebleken feiten vermelden.
Feiten
3.1.2.
[appellant] is sinds 17 februari 1978 eigenaar van de woning gelegen aan de
[adres 1] in [plaats] (hierna: de woning van [appellant] ). [geïntimeerde] is op 9
november 1999 eigenaar geworden van het naastgelegen pand gelegen aan het [adres 2] in [plaats] (hierna: het pand van [geïntimeerde] ).
3.1.3.
Het pand van [geïntimeerde] is onderverdeeld in huisnummer 1 (de winkelruimte met
magazijn op de begane grond) en huisnummer 1b (de woning boven de winkel) en huisnummer 1a (het woonhuis op de begane grond). Het deel met nummer 1a is op enig moment eigendom van een derde geworden. Het pand van [geïntimeerde] betreft hierna de nummers 1 en 1b.
3.1.4.
Tussen de woning van [appellant] en het pand van [geïntimeerde] ligt een inrit die
uitkomt bij het magazijn. De erfgrens van de percelen van [appellant] en [geïntimeerde] loopt over deze inrit, zodanig dat aan het begin van de inrit vanaf de straat gezien een driehoekige punt daarvan (hierna: de strook) op het perceel van [appellant] ligt en de rest van de inrit op het perceel van [geïntimeerde] . Het breedste deel van de inrit aan de straatzijde behoort tot het perceel van [appellant] .
3.1.5.
[geïntimeerde] verhuurt de winkelruimte aan [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Haar
zoon woont in de bovenwoning.
3.1.6.
Op 6 november 2006 is een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen [appellant] en [bedrijf] . Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(...) bevestigen hierbij hun mondelinge afspraak uit 1989. Deze afspraak behelst het gebruik van de inrit tussen de panden [adres 1] en [adres 2] . Tijdens de openingstijden van de winkel van [bedrijf] verleent de heer [appellant] toestemming aan
[bedrijf] om gebruik te maken van zijn gedeelte van de inrit tussen beide panden.
[bedrijf] verleent [appellant] toestemming om buiten de openingstijden van de
winkel het parkeerterrein naast de winkel te gebruiken om zijn auto te stallen. (...) ”
De nieuwe feiten in hoger beroep
3.1.7.
[geïntimeerde] heeft in 2024 zowel de winkel met magazijn als de bovenwoning verkocht en geleverd aan derden. De bovenwoning is verkocht zonder parkeergelegenheid op of achter de inrit. De leveringsakte van de winkel met magazijn vermeldt onder andere het volgende.
"Koper is op de hoogte van het kort geding en de bodemprocedure die de buurman heeft aangespannen tegen verkoper. Koper heeft de stukken hiervan ontvangen. De buurman heeft inmiddels hoger beroep aangetekend tegen de bodemprocedure. Koper is hiervan op de hoogte en vrijwaart verkoper van iedere aansprakelijkheid aangaande de uitkomst van dit hoger beroep. De proceskosten van het hoger beroep worden door de verkoper voldaan mits de zaak bij Oomes Advocatuur blijft lopen (die de zaak nu in behandeling heeft.)".
Procesverloop
3.2.1.
In deze procedure vorderde [appellant] (in conventie), samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. voor recht te verklaren dat er geen erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van het perceel van [geïntimeerde] ;
II. behoudens [appellant] daarvoor expliciete en schriftelijke toestemming heeft gegeven, het [geïntimeerde] alsmede diens huurders te verbieden nog langer gebruik te maken van het perceel van [appellant] om te komen en te gaan vanaf de openbare weg [adres 1] c.q. [adres 2] naar de achterliggende bedrijfsruimte op het perceel van [geïntimeerde] , een en ander op straffe van een dwangsom;
III. voor recht te verklaren dat het [appellant] jegens [geïntimeerde] vrij staat zijn perceel naar eigen inzicht in te richten en - desgewenst - af te sluiten;
Subsidiair
IV. behoudens [appellant] daarvoor expliciete en schriftelijke toestemming heeft gegeven, het [geïntimeerde] alsmede diens huurders te verbieden goederen en/of zaken op de strook/driehoek grond van [appellant] te stallen en/of te parkeren, een en ander op straffe van een dwangsom;
Zowel primair als subsidiair
V. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van de strook grond en dat er nooit een recht van erfdienstbaarheid ten laste van zijn strook is ontstaan ten gunste van het perceel van [geïntimeerde] .
3.2.3.
[geïntimeerde] vorderde (in reconventie), samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. [appellant] te veroordelen om alle in redelijkheid te verlangen medewerking te verlenen aan het notarieel vastleggen van het recht van overpad dat is ontstaan voor het pad van en naar de achteringang van het bedrijfspand aan de [adres 2] in [plaats] , van en naar de openbare weg;
II. [appellant] te bevelen aan [geïntimeerde] te voldoen een onmiddellijk opeisbare, niet voor matiging vatbare dwangsom indien [appellant] weigert om alle in redelijkheid te verlangen medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging;
Subsidiair
III. [appellant] te verbieden om de doorgang van en naar de achteringang van het bedrijfspand aan het [adres 2] in [plaats] op welke wijze dan ook te beperken, te hinderen of te verhinderen en te gebieden de doorgang in de steeg tussen de woningen aan de [adres 1] en het [adres 2] in [plaats] altijd open te laten, alsmede [appellant] te veroordelen het gebruik als pad voor de eigenaar(s) (al dan niet door de huurders) te gedogen;
IV. [appellant] te bevelen aan [geïntimeerde] te voldoen een onmiddellijk opeisbare, niet
voor matiging vatbare dwangsom indien [appellant] het verbod en gebod overtreedt;
Primair en subsidiair
V. [appellant] te veroordelen in de kosten van de reconventie.
3.2.4.
[geïntimeerde] heeft aan deze vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Er is ten laste van de strook van [appellant] en ten gunste van haar perceel een recht van erfdienstbaarheid ontstaan als gevolg van (bevrijdende) verjaring. Indien dit niet het geval is, maakt [appellant] misbruik van bevoegdheid door [geïntimeerde] en haar huurder (hof: [bedrijf] ) het sinds jaar en dag bestaande gebruik van de oprit inclusief de strook van [appellant] met een beroep op zijn eigendomsrecht te beletten. Daarbij kan de bewoner van de bovenwoning, indien de inrit verdwijnt, eveneens geen gebruik meer maken van de doorgang tussen de woningen en van eigen terrein om de auto op te parkeren of gebruik te maken van de garage. Er bestaat een onevenredigheid tussen de belangen van [appellant] en die van [geïntimeerde] . [appellant] heeft de strook nooit gebruikt en deze dient voor hem ook geen doel. [geïntimeerde] kan echter zonder gebruik van de strook de winkelruimte niet meer verhuren en verkopen omdat de inrit noodzakelijk is voor de bevoorrading van (het magazijn van) de winkel.
3.2.5.
In het bestreden eindvonnis van 31 januari 2024 heeft de rechtbank (in conventie) voor recht verklaard dat er geen erfdienstbaarheid is ontstaan ten behoeve van het
perceel van [geïntimeerde] ten laste van het perceel van [appellant] . Ook heeft de rechtbank [geïntimeerde] alsmede haar huurders verboden om, behoudens voor zover [appellant] daarvoor expliciete en schriftelijke toestemming heeft gegeven, goederen en/of zaken op de strook te stallen of te parkeren op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft verder (in reconventie) [appellant] verboden om de doorgang van de inrit op welke wijze dan ook te beperken, te hinderen of te verhinderen en hem geboden om de inrit altijd open te laten en het gebruik van de inrit door [geïntimeerde] of haar huurder toe te laten, op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de verboden en geboden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en (in conventie en in reconventie) beslist dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Procesverloop
3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep grieven aangevoerd tegen de beslissingen van de rechtbank inhoudende, kort gezegd,
(i) dat het [appellant] is verboden om de doorgang van de inrit op welke wijze dan ook voor [geïntimeerde] en haar huurder te beperken, te hinderen of te verhinderen,
(ii) dat de vorderingen van [appellant] onder II. en III. die ertoe strekken dat het [geïntimeerde] en haar huurders wordt verboden zonder zijn toestemming gebruik te maken van de strook grond en dat het hem vrij staat zijn perceel naar eigen inzicht in te richten, niet toewijsbaar zijn,
(iii) dat de proceskosten tussen partijen in beide gedingen worden gecompenseerd.
[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij zijn vorderingen zijn afgewezen en een vordering van [geïntimeerde] is toegewezen, en alsnog zijn vorderingen geheel toe te wijzen en die van [geïntimeerde] geheel af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van de procedure in hoger beroep.
3.4.
Het hof overweegt allereerst het volgende. Het hof constateert dat de omstandigheid dat het pand van [geïntimeerde] in handen van rechtsopvolgers is overgegaan, geen aanleiding is geweest voor schorsing van de procedure als bedoeld in artikel 225 lid 1 sub c Rv. Het hof constateert ook dat geen van de rechtsopvolgers van [geïntimeerde] (de kopers van haar pand) procespartij in deze procedure is geworden als gevolg van een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst als bedoeld in artikel 217 Rv, dan wel door een oproeping als bedoeld in artikel 118 Rv. Datzelfde geldt voor (voormalige) huurder(s) van [geïntimeerde] . Daarbij overweegt het hof dat het hof geen aanleiding heeft gezien hen ambtshalve op te roepen. De vordering van [geïntimeerde] , inhoudende dat [appellant] jegens haar misbruik van bevoegdheid maakt indien hij geen beperking van zijn eigendomsrecht aanvaardt, heeft geen betrekking op een processueel ondeelbare rechtsverhouding waarbij meerdere personen dan [geïntimeerde] zijn betrokken, die het rechtens noodzakelijk maakt dat de beslissing over die vordering jegens anderen, de kopers of huurders, in dezelfde zin luidt. Datzelfde geldt voor de door de rechtbank afgewezen primaire vorderingen II en III van [appellant] . Waar in voormelde vorderingen ‘huurders’ zijn genoemd, zijn deze niet toewijsbaar omdat ‘de huurders’ niet als procespartij in deze procedure zijn betrokken. Deze procedure in hoger beroep gaat aldus uitsluitend tussen de procespartijen, en dat zijn [appellant] en [geïntimeerde] .
3.5.
Gelet op de inhoud van de processtukken van [appellant] en van [geïntimeerde] in hoger beroep staat in dit hoger beroep tussen deze procespartijen vast dat [appellant] eigenaar is van de strook grond en dat die strook niet is bezwaard met een recht van erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel van (voorheen) [geïntimeerde] (en op dit moment van een nieuwe eigenaar). In dit hoger beroep gaat het er nog om of [appellant] enige beperking op zijn eigendomsrecht op de strook moet dulden door [geïntimeerde] , op de wijze zoals door de rechtbank is beslist. Ook gaat het er nog om of door de rechtbank afgewezen vorderingen van [appellant] , die in de kern dezelfde vraag betreffen, toewijsbaar zijn.
3.6.
Het hof heeft ter zitting met partijen van gedachten gewisseld over de gevolgen van de verkoop van het pand door [geïntimeerde] voor deze procedure. Daarbij is aan de orde gesteld het op dit moment bestaande belang van [appellant] bij dit hoger beroep en het op dit moment bestaande belang van [geïntimeerde] bij haar vordering, zoals die door de rechtbank is toegewezen.
3.7.
Het hof constateert dat [geïntimeerde] in 4.2. van haar memorie van antwoord vermeldt dat zij na de verkoop van haar pand in principe geen actieve partij meer is in het geschil omdat zij niet meer kan voorkomen dat de door de rechtbank uitgesproken verboden of geboden wel of niet worden geëerbiedigd en zij ook geen invloed kan uitoefenen op hetgeen de nieuwe eigenaren en/of huurders doen. Ter zitting heeft [geïntimeerde] daaraan toegevoegd dat het hof de rechtbank niet kan verwijten dat de verkoop van het pand niet in de beoordeling is betrokken, dat [geïntimeerde] als geïntimeerde verweer moet voeren, in ieder geval met het oog op de proceskosten, en dat de belangenafweging die de rechtbank heeft gemaakt in hoger beroep niet anders is geworden.
[appellant] heeft ter zitting vermeld dat zijn belang bij beoordeling van zijn grieven erin is gelegen dat hij door het hof vastgesteld wenst te zien dat de beslissingen van de rechtbank tot beperking van zijn eigendomsrecht onjuist zijn, als ook dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Daarnaast meent [appellant] dat een beslissing van het hof in deze procedure jegens [geïntimeerde] ook werking heeft, althans kan hebben jegens rechtsopvolgers van [geïntimeerde] .
Beide partijen hebben het hof ter zitting meegedeeld dat er tot heden geen dwangsommen zijn verbeurd en dat dit, gegeven de nieuwe feitelijke situatie, ook niet meer zal gebeuren.
3.8.
Het hof overweegt dat [appellant] al voldoende (proces)belang bij beoordeling van zijn grieven heeft doordat hij een andere, voor hem gunstigere beslissing over de proceskosten nastreeft.
3.9.
Het hof behandelt nu eerst de grieven van [appellant] tegen de beslissing van de rechtbank inhoudende, kort gezegd, dat de vordering van [geïntimeerde] wordt toegewezen in die zin dat het [appellant] wordt verboden om de doorgang van de inrit op welke wijze dan ook voor [geïntimeerde] en haar huurder te beperken, te hinderen of te verhinderen.
3.10.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het hof dient te oordelen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van de uitspraak van het hof voordoen. Het hof overweegt dat door [geïntimeerde] is gesteld, noch is gebleken dat [geïntimeerde] , nadat zij het pand heeft verkocht nu nog enig belang heeft bij toewijzing van haar (door de rechtbank) toegewezen) vordering. [geïntimeerde] heeft op dit moment niets meer met haar voormalige perceel en het perceel van [appellant] te maken, zo is ter zitting van het hof toegelicht. Dit brengt mee dat de eerder door de rechtbank gemaakte belangenafweging ten gunste van [geïntimeerde] in hoger beroep anders is. Het belang van [appellant] als eigenaar van de strook botst niet langer met enig belang van [geïntimeerde] . Met eventuele belangen van derden, zoals nieuwe eigenaren, kan in deze procedure geen rekening worden gehouden, nu deze eigenaren zelf niet zijn betrokken in de procedure en dus niet kan worden vastgesteld wat hun belangen zijn. Die kunnen immers niet zonder meer gelijkgesteld worden aan de mogelijke oorspronkelijke belangen van [geïntimeerde] . De grieven van [appellant] op dit punt slagen. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen.
3.11.
Aan de orde is nu of met de huidige feiten en omstandigheden de eerder door de rechtbank afgewezen vorderingen II en III van [appellant] alsnog toewijsbaar zijn. De vorderingen strekken ertoe dat [appellant] jegens [geïntimeerde] onbeperkt zijn eigendomsrecht mag uitoefenen (vordering III) en dat een beperking van zijn recht door [geïntimeerde] of haar huurders alleen met zijn instemming mogelijk is (vordering II).
Procesverloop
Alhoewel deze vorderingen jegens [geïntimeerde] zijn geformuleerd en zij inmiddels geen eigenaar meer is, kan niet gezegd worden dat [appellant] geen enkel materieel belang bij toewijzing van zijn vorderingen meer heeft, vanwege het bepaalde in artikel 236 lid 2 Rv. Het hof overweegt dat met de hierboven gemotiveerde beslissing van het hof tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] al is gegeven dat [appellant] jegens [geïntimeerde] geen beperking van zijn eigendomsrecht hoeft te dulden. Uit zijn vaststaande eigendomsrecht en het ontbreken van een recht van erfdienstbaarheid ten laste van zijn eigendom, vloeit immers voort dat [appellant] geen beperking van dat recht hoeft te dulden, behoudens indien sprake is van misbruik van dat recht, hetgeen in hoger beroep niet is komen vast te staan, of indien [appellant] zelf instemt met een beperking, hetgeen hij alleen jegens [bedrijf] bij overeenkomst heeft gedaan. Hieruit volgt dat de vorderingen II en III van [appellant] alsnog worden toegewezen, zij het alleen jegens [geïntimeerde] en zonder dat aan het overtreden van het verbod een dwangsom wordt verbonden. Het hof heeft immers hierboven al gemotiveerd dat vorderingen tegen huurders niet toewijsbaar zijn.
3.12.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank in 5.5. (in conventie) de vordering II van [appellant] jegens [geïntimeerde] en vordering III van [appellant] heeft afgewezen en voor zover de rechtbank in 5.6. (in reconventie) de vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen en deze beslissing in 5.7. uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Omdat gewijzigde feiten en omstandigheden die zich na het bestreden vonnis hebben voorgedaan ertoe hebben geleid dat voormelde beslissingen dienen te worden vernietigd, dient het hof na te gaan of de rechter in eerste aanleg ten tijde van zijn vonnis terecht tot zijn beslissing is gekomen. Indien dat niet het geval is wordt [geïntimeerde] alsnog in de proceskosten van de gedingen in conventie en in reconventie veroordeeld en dienen de beslissingen in 5.4. en in 5.8. van het bestreden vonnis te worden vernietigd. Indien dat wel het geval is blijven die beslissingen over de proceskosten in stand (HR 16-06-2023, ECLI:NL:HR:2023:918).
3.13.
Het hof is met [appellant] van oordeel dat [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om het oordeel te rechtvaardigen dat [appellant] misbruik van recht jegens haar maakt door zich op zijn eigendomsrecht te beroepen en daarvan geen beperking ten gunste van haar te dulden. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. Enige huurder van [geïntimeerde] is geen partij in deze procedure. Belangen van [geïntimeerde] kunnen daarom alleen in aanmerking worden genomen voor zover die haar persoonlijk aangaan. Onder omstandigheden kunnen dat ook belangen zijn die voortvloeien uit een contractuele relatie met bijvoorbeeld huurders. [geïntimeerde] heeft dergelijke belangen echter niet gesteld. Haar toenmalige huurder [bedrijf] had bovendien op grond van een overeenkomst met [appellant] het recht om inbreuk te maken op het eigendomsrecht van [appellant] . [geïntimeerde] heeft als haar persoonlijk betreffende belangen aangevoerd het belang van verkoopbaarheid en verhuurbaarheid van de winkel met magazijn en van de bovenwoning. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gesteld dat het niet kunnen gebruiken van de gehele inrit en de daarachter gelegen pareergelegenheid en magazijn de verkoopbaarheid of verhuurbaarheid van de winkel met magazijn onmogelijk maakt, althans negatief beïnvloedt en dat dit ook voor de bovenwoning geldt. [geïntimeerde] heeft deze stelling echter in eerste aanleg op geen enkele wijze nader (met cijfers of andere gegevens) onderbouwd. Dat [geïntimeerde] een belang heeft, laat staan een zwaarwegend belang, kan dan niet komen vast te staan. Het gevolg is dat [geïntimeerde] tegenover het belang van [appellant] bij een onbeperkt eigendomsrecht, welk recht het meest omvattende recht op een zaak is, geen belangen heeft die tot het oordeel kunnen leiden dat er een onevenredigheid bestaat tussen het belang van [appellant] bij de uitoefening van zijn eigendomsrecht en het belang van [geïntimeerde] dat daardoor wordt geschaad, die meebrengt dat [appellant] naar redelijkheid zijn recht niet onbeperkt mag uitoefenen. Het hof acht de beslissing van de rechtbank (in reconventie) in 5.6. onjuist. Uit het voorgaande volgt dan dat de beslissing van de rechtbank (in conventie) in 5.5. tot afwijzing van de vorderingen II en III van [appellant] ook onjuist is omdat er geen grond was voor afwijzing ervan (behoudens ten aanzien van de huurders). Dit brengt mee dat [geïntimeerde] als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden en in de proceskosten van [appellant] dient te worden veroordeeld. De grief van [appellant] tegen de beslissingen van de rechtbank over de proceskosten slaagt.
3.14.
Al het voorgaande leidt tot het volgende. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd voor zover het de beslissingen in 5.4. en 5.5. (in conventie) en in 5.6., 5.7. en 5.8. (in reconventie) betreft. [geïntimeerde] geldt ook als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom in de proceskosten van [appellant] in het hoger beroep veroordeeld.
3.15.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg (in conventie en in reconventie) aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
Explootkosten € 127,43
Griffierechten € 314,00
Salaris advocaat/gemachtigde € 1.495,00 (2 ½ punt(en) x tarief € 598,00)
Totaal € 1.936,43
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 136,71
Griffierechten € 349,00
Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punt(en) x tarief € 1.214,00)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.091,71
3.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van 31 januari 2024, voor zover aangevochten, ten aanzien van de beslissingen (in conventie) in 5.4. en 5.5. en (in reconventie) in 5.6., 5.7. en 5.8. en opnieuw recht doende:
verbiedt [geïntimeerde] , behoudens [appellant] daarvoor expliciete en schriftelijke toestemming heeft gegeven, gebruik te maken van het perceel van [appellant] om te komen en te gaan vanaf de openbare weg [adres 1] c.q. [adres 2] naar de achterliggende bedrijfsruimte op het perceel van (voorheen) [geïntimeerde] , onder afwijzing van deze vordering jegens de huurders;
verklaart voor recht dat het [appellant] jegens [geïntimeerde] vrij staat zijn perceel naar eigen
inzicht in te richten en -desgewenst- af te sluiten;
wijst de subsidiaire vorderingen III en IV van [geïntimeerde] alsnog af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie ten bedrage van € 1.936,43 en van het hoger beroep ten bedrage van € 3.091,71, te betalen binnen veertien dagen na heden.