Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-08
ECLI:NL:GHSHE:2025:973
Civiel recht
Hoger beroep
7,816 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.333.529/01
arrest van 8 april 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,
tegen
Woningstichting Woningbelang,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: Woningbelang
advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,
op het bij dagvaardingsexploot van 3 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 27 juli 2023 tussen [appellant] als gedaagde en Woningbelang als eiseres.
Procesverloop
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis en het tussenvonnis van 21 juli 2022.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ;
de door [appellant] genomen memorie van grieven, met producties 1 tot en met 4;
de door Woningbelang genomen memorie van antwoord, tevens aanvulling grondslagen van eis, met producties 74 en 75;
de door [appellant] genomen akte eiswijziging.
2.2
Nadat arrest is gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.
2.3
Het tegen [appellant] gewezen beroepen vonnis vermeldt als zijn [voorletters] ., maar de inleidende dagvaarding, de dagvaarding in beroep, de schriftelijke huurovereenkomst en overige relevante dossierstukken vermelden als zijn voorletters steeds [voorletters] Duidelijk is dat Woningbelang’s voormalige huurder [appellant] partij is in dit geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Blijkens hun standpunten bestaat hierover ook tussen partijen geen discussie.
3De beoordeling
Feiten
3.1
In dit hoger beroep dienen de volgende feiten tot uitgangspunt.
a. Met ingang van 18 februari 2008 heeft Woningbelang de woning [adres 1] te [plaats] aan [appellant] verhuurd. Buren en/of omwonenden van de woning [adres 1] hebben toen bij Woningbelang over [appellant] geklaagd.
b. Met ingang van 13 januari 2013 is [appellant] verhuisd naar de eveneens van Woningbelang gehuurde woning [adres 2] te [plaats] . Een verslechterende verstandhouding met buren van de woning [adres 2] leverden [appellant] toen stress en gezondheidsklachten op.
c. Met voorrang op grond van een verkregen medische (verhuis)urgentie heeft Woningbelang met ingang van 19 april 2017 de twee-onder-een-kapwoning [adres 3] te [plaats] aan [appellant] verhuurd. Voor zover hier van belang bepalen de toepasselijke Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte Woningbelang d.d. 1 augustus 2015 (hierna: AHV), samengevat, in:
- artikel 6.3 dat de huurder het gehuurde zal gebruiken en onderhouden zoals een goed
huurder betaamt;
- artikel 6.7 dat huurder dient zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder
wordt veroorzaakt door huurder of anderen die zich in of bij het gehuurde bevinden;
Tevens dient huurder zich als goed huurder te gedragen richting medewerkers van
verhuurder en/of door verhuurder ingehuurde derden. Wangedrag leidt tot passende
(juridische) maatregelen, die kunnen leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.
- artikel 6.9 dat huurder verplicht is zijn voor- en achtertuin als sier- of moestuin te gebruiken
en zodanig te onderhouden dat deze een verzorgde indruk maakt en geen bomen, struiken of
andere beplanting zal aanbrengen die overlast kunnen veroorzaken. Verhuurder mag
vorderen dat huurder bij het einde van de huur op eigen kosten door hem geplante bomen
en/of hoog opschietende beplanting (laat) verwijderen.
- artikel 6.12 dat huurder verplicht is het gehuurde gedurende de looptijd van de
overeenkomst in alle opzichten schoon te houden en regelmatig goed te ventileren en de
tuinen en achter- en zijpaden naar behoren te onderhouden, zodat deze een verzorgde
indruk maken. Indien de huurder dit nalaat mag verhuurder de benodigde werkzaamheden
voor rekening van huurder (laten) verrichten, nadat hij de huurder hiervan schriftelijk op de
hoogte heeft gesteld.
d. De andere helft van de door [appellant] gehuurde twee-onder-een-kapwoning is de woning [adres 4] , die Woningbelang had verhuurd aan [persoon A] en [persoon B] . Die buren en hun (schoon)ouders [XXX] hebben bij emails van 21 oktober 2019 aan Woningbelang geschreven over van [appellant] ondervonden overlast en door [appellant] geuite bedreigingen. Bij e-mail van 24 oktober 2019 heeft [persoon A] aan Woningbelang geschreven over een door [appellant] van voor tot achter aan de bestuurderszijde van zijn auto toegebrachte kras en een vermoedelijk door [appellant] aan zijn werkgever gestuurde e-mail. Laatstbedoelde e-mail bevatte de tekst:
“Beste heer/mevrouw, graag zou ik willen doorgeven dat een medewerker van jullie, [persoon A] uit [plaats] , geen aanwinst voor jullie bedrijf, maar een grote schande is.
Hij misdraagt zich keer op keer en vooral in het weekend wanneer hij dronken is
Als hij dat al niet op het werk is.
Ook rijdt hij over stoepen etc heen.
Graag wil ik dit door geven omdat ik verder alleen maar positieve ervaringen met jullie heb, en deze persoon jullie imago mijns inziens zou kunnen schaden.
Ik wens u al vast sterkte.
Met Vriendelijke groet,
[naam] .”
e. Sinds 11 november 2019 heeft Woningbelang meermaals geprobeerd met [appellant] in gesprek te komen want zij had:
“(…) van uw buren meerdere overlastmeldingen ontvangen over u. Deze overlastmeldingen spelen al vanaf april 2017, het moment dat u in de woning aan de [adres 3] bent gaan wonen. De laatste melding betreft het bekrassen van de auto van de buren die wonen op huisnummer [adres 4] . De buren hebben hiervan aangifte gedaan bij de politie. (…)” (inleidende dagvaarding productie 13).
[appellant] heeft de afspraken echter steeds afgezegd.
f. Vanaf 2019 heeft Woningbelang tevergeefs geprobeerd met [appellant] afspraken te maken voor regulier onderhoud aan de CV-ketel en voor het plaatsen van rookmelders in de door [appellant] gehuurde woning [adres 3] .
g. [persoon A] en [persoon B] hebben de huur van de door hen gehuurde woning [adres 4] schriftelijk opgezegd vanaf 14 augustus 2020 vanwege:
“Overlast” (inleidende dagvaarding productie 14).
h. Woningbelang heeft de woning [adres 4] vervolgens verhuurd aan [persoon C] , die in haar e-mail van 25 januari 2021 melding heeft gemaakt:
“(…) van overlast en bedreigingen van mijn buurman [adres 3] . Na de sleuteloverdracht [adres 4] is de ellende begonnen. (…)”(inleidende dagvaarding productie 15).
Ook in de daarop volgende maanden hebben [persoon C] en haar bezoekers bij herhaling overlast en bedreigingen door [appellant] gemeld.
i. [appellant] heeft op 8 augustus 2021 opnieuw een medische (verhuis)urgentie bij de gemeente Valkenswaard aangevraagd, maar de gemeente heeft die niet in behandeling genomen.
j. Op 13 augustus 2021 heeft [appellant] de hem door (de advocaat van) Woningbelang op 11 augustus 2021 toegezonden “vrijwillige gedragsaanwijzing” geaccepteerd en ondertekend, waarmee hij er mee heeft ingestemd dat hij zal:
“I. geen smaad en/of laster verspreiden over [persoon C] en haar zoon wonende aan de [adres 4] te [plaats] , hij zal zich in ieder geval niet over het (vermeende) gedrag van haar en dat van haar zoon beklagen bij anderen, in welke vorm dan ook;
II. geen geluidsoverlast aan buren/omwonenden veroorzaken, hij zal dus sowieso niet (meer) op de (scheidings)muren bonken (met voorwerpen) en niet schreeuwen in en rondom het gehuurde;
III. de buren/omwonenden niet uitschelden en/of bedreigen, op welke manier dan ook,
IV. eigendommen van buren/omwonenden niet (moedwillig) beschadigen;
V. zijn tuinen goed onderhouden, hij zal er derhalve voor zorgen dat zowel zijn voor- als achtertuin te allen tijde een verzorgde indruk maken;
VI. ervoor zorgen dat in en nabij het gehuurde ook door zijn bezoek geen overlast wordt veroorzaakt en/of bedreigingen worden geuit richting omwonenden en hun bezoekers alsmede zijn bezoek aanspreken indien deze dergelijke gedragingen wel vertonen.” (inleidende dagvaarding productie 47).
Daarbij heeft Woningbelang uitdrukkelijk aangegeven dat zij bij overtreding van (één van) die voorwaarden direct een gerechtelijke procedure tegen [appellant] zal starten.
k. [appellant] heeft op 31 augustus 2021 aan Woningbelang verzocht om hem met urgentie in een andere woning te huisvesten.
l. Op 5 oktober 2021 heeft Woningbelang een psychologisch onderzoek verzocht met betrekking tot de vraag of er op medische gronden een noodzaak voor het welzijn van [appellant] is om te verhuizen naar een andere woning.
m. In november en december 2021 hebben [persoon C] en haar bezoekers bij herhaling overlast en bedreigingen door [appellant] gemeld.
n Nadat op 21 januari 2022 het gesprek tussen een onafhankelijke psycholoog en [appellant] heeft plaatsgevonden, is [appellant] naar het kantoor van Woningbelang gegaan.
Procesverloop
3.2
In dit met de dagvaarding van 25 april 2022 ingeleide geding heeft Woningbelang, beknopt samengevat, gevorderd:
primair:
I. ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellant] om het gehuurde binnen drie dagen te ontruimen;
II. veroordeling van [appellant] tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor iedere (gedeelte van een) maand tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente;
subsidiair:
III. veroordeling van [appellant] tot onmiddellijke nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en [appellant] :
a. te verbieden om smaad en/of laster te verspreiden over [persoon C] en haar zoon;
b. te verbieden om geluidsoverlast aan buren/omwonenden te veroorzaken;
c. te verbieden om buren/omwonenden uit te schelden en/of te bedreigen;
d. te verbieden om eigendommen van buren/omwonenden (moedwillig) te beschadigen;
e. te gebieden om de tot het gehuurde behorende tuinen goed te (laten) onderhouden zodat deze te allen tijde een verzorgde indruk maken.
IV. ontbinding van huurovereenkomst indien en zodra [appellant] zich niet houdt aan één of meer van de in het vonnis op te leggen verboden en/of geboden zoals omschreven onder II. (maar dit lijkt een verschrijving en bedoeld lijkt: III; het hof komt hier zo nodig nog op terug).
meer subsidiair:
V. veroordeling van [appellant] tot onmiddellijke nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en [appellant] :
a. te verbieden om smaad en/of laster te verspreiden over [persoon C] en haar zoon;
b. te verbieden om geluidsoverlast aan buren/omwonenden te veroorzaken;
c. te verbieden om buren/omwonenden uit te schelden en/of te bedreigen;
d. te verbieden om eigendommen van buren/omwonenden (moedwillig) te beschadigen;
e. te gebieden om de tot het gehuurde behorende tuinen goed te (laten) onderhouden zodat deze te allen tijde een verzorgde indruk maken,
op straffe van een dwangsom van € 750,-- per dag met een maximum van € 10.000,-- aan te verbeuren dwangsommen;
(hierna: vorderingen I tot en met V), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3
Bij het tussenvonnis van 21 juli 2022 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald, die uiteindelijk op 16 februari 2023 heeft plaatsgevonden.
3.4
Bij het beroepen eindvonnis van 27 juli 2023 heeft de kantonrechter, verkort weergegeven, als volgt overwogen:
Om de navolgende reden is sprake van een ernstige tekortkoming van [appellant] in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen die de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt (beroepen vonnis rov. 4.2 en 4.9).
Woningbelang heeft haar stelling dat [appellant] vanaf 2019 (geluids)overlast veroorzaakt, met een groot aantal overlastmeldingen onderbouwd (beroepen vonnis rov. 4.3).
Er is op de mondelinge behandeling uitgebreid gesproken over een mogelijk zorg- en begeleidings-traject voor [appellant] . Woningbelang heeft contact gelegd met de gemeente, Bemoeizorg, maatschappelijk werk, [appellant] , zijn moeder en stiefvader en zo is een geschikte zorgpartij en locatie gezocht en bekeken, maar [appellant] bleek uiteindelijk alleen bereid te verhuizen naar een andere sociale huurwoning, wat volgens Woningbelang geen duurzame oplossing voor de situatie is (beroepen vonnis rov. 4.4).
Hoewel [appellant] van Woningbelang meerdere uitnodigingen heeft ontvangen voor een gesprek, heeft [appellant] alle afspraken afgezegd en is [appellant] doorgegaan met zijn overlast veroorzakende gedrag. Deze tekortkoming blijkt van dien aard dat de ontbinding van de huurovereenkomst in beginsel gerechtvaardigd is (beroepen vonnis rov. 4.5).
Het belang van [appellant] om in de woning te blijven wonen, weegt uiteindelijk niet op tegen het belang van Woningbelang dat haar andere huurders (buren en omwonenden van [appellant] ) van de overlast gevrijwaard blijven (beroepen vonnis rov. 4.6 tot en met 4.8).
Omdat de primaire vorderingen zullen worden toegewezen, wordt aan de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen niet toegekomen (beroepen vonnis rov. 4.9).
De kantonrechter heeft op grond van deze oordelen:
de huurovereenkomst voor het gehuurde aan de [adres 3] te [plaats] ontbonden;
[appellant] veroordeeld om het gehuurde aan de [adres 3] te [plaats] binnen veertien dagen te ontruimen;
[appellant] veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor iedere (gedeelte van een) maand tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente;
en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg, te vermeerderen met wettelijke rente.
Procesverloop
3.5
In dit met de dagvaarding van 3 oktober 2023 ingeleide hoger beroep formuleert [appellant] vijf grieven en concludeert [appellant] , in de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Woningbelang zal afwijzen, met veroordeling van Woningbelang in de proceskosten.
3.6
Woningbelang weerspreekt de door [appellant] geformuleerde grieven en concludeert, naar de kern samengevat, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering van gronden, het beroepen vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente.
De omvang van het hoger beroep
3.7
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarmee komt [appellant] op tegen de door de kantonrechter zonder bewijslevering toegewezen primaire vorderingen I (ontbinding en ontruiming) en II (gebruiksvergoeding). Mede door de devolutieve werking van het beroep liggen aan het hof niet alleen de door de kantonrechter aan Woningbelang toegewezen primaire vorderingen I en II voor, maar zo mogelijk ook de subsidiaire vorderingen III (nakoming huurdersverplichtingen met gedragsaanwijzingen) en IV (voorwaardelijke ontbinding) en de meer subsidiaire vordering V (nakoming huurdersverplichtingen met gedragsaanwijzingen op straffe van een dwangsom). Door de toewijzing van de primaire vorderingen I en II is de kantonrechter aan de behandeling van de vorderingen III, IV en V immers niet meer toegekomen.
De primaire vorderingen I (ontbinding en ontruiming) en II (gebruiksvergoeding)
3.8
Net zoals in eerste aanleg legt Woningbelang aan de primaire vorderingen I en II in de kern ten grondslag dat [appellant] structureel ernstig tekort is geschoten in de nakoming van huurdersverplichtingen en dat [appellant] meer in het bijzonder de artikelen 7:213 BW en 6.3, 6.7, 6.9 en 6.12 AHV pleegt te schenden. Woningbelang verwijt [appellant] hiertoe met name het veroorzaken van aanhoudende ernstige overlast door buren en omwonenden uit te schelden en te bedreigen, door nabij of vanaf de door hem gehuurde woning [adres 3] naar hen te schreeuwen en door (met voorwerpen) op de scheidingsmuren te bonken. Verder verwijt Woningbelang aan [appellant] het niet of onvoldoende uitvoeren van benodigd onderhoud aan zowel zijn voor- en achtertuin als paden en het moedwillig beschadigen van eigendommen van buren en omwonenden.
3.9
Woningbelang zegt die grondslag van de vorderingen I en II in hoger beroep aan te vullen met de aan [appellant] verweten tekortkomingen in de nakoming van huurdersverplichtingen door:
a. niet mee te werken aan de uitvoering van het onderhoud aan de CV-ketel;
b. niet mee te werken aan het plaatsen van rookmelders;
c. het niet schoonhouden van de woonruimte en het niet schoon en zonder schade opleveren
van de woonruimte bij einde van de huurovereenkomst.
[appellant] maakt tegen die aanvulling bezwaar en ontkent ook de juistheid daarvan.
Het hof verwerpt het door [appellant] opgeworpen verweer dat Woningbelang in dit late stadium van de procedure niet meer met aanvullingen mag komen, omdat dit inherent is aan de bij wet (artikelen 130 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv) geboden mogelijkheid om de grondslag van de eis in hoger beroep nog te kunnen aanvullen. Op grond van de (in beginsel strenge) tweeconclusieregel van artikel 347 lid 1 Rv mag een partij in hoger beroep alleen bij de eerste memorie de grondslag van de eis aanvullen, wat Woningbelang hier dus tijdig in haar memorie van antwoord heeft gedaan. Waar [appellant] nadien nog de gelegenheid is geboden om op die aanvulling te reageren en [appellant] dat bij akte ook daadwerkelijk heeft gedaan, komt toelating van de aanvulling niet in strijd met het recht op (hoor en) wederhoor of anderszins in strijd met de eisen van een goede procesorde. Of de voorliggende vorderingen I en II daarmee ook toewijsbaar zijn en in hoeverre deze aanvulling daar al dan niet aan bijdraagt, is een andere kwestie en zal het hof hierna onderzoeken.
3.10
Woonbelang heeft gemotiveerd gesteld dat [appellant] de auto van de buurman heeft bekrast. [appellant] heeft dat erkend. Ook staat vast dat op 28 maart 2023 is geconstateerd dat de CV-ketel vanaf 2019 geen onderhoud meer had gehad, wat een gevaarzettende situatie heeft opgeleverd. Ditzelfde geldt voor de in of omstreeks maart 2023 door de brandweer en een monteur gedane vaststelling dat [appellant] door niet voldoende op te ruimen en allerlei gemaakte snoeruitbreidingen, een (brand)gevaarlijke situatie in de door [appellant] gehuurde woning [adres 3] heeft laten ontstaan.
3.11
Daarnaast geldt in het algemeen dat een goed huurder zich dient te onthouden van overlast veroorzakend en/of hinderlijk gedrag. In het licht van de vele gedocumenteerde meldingen is voldoende gebleken van sinds 2019 door [appellant] aan buren en omwonenden veroorzaakte ernstige overlast en zijn hinderlijk gedrag, vooral door hen uit te schelden en/of te bedreigen, door nabij of vanaf de door hem gehuurde woning [adres 3] naar hen te schreeuwen en door (met voorwerpen) op de scheidingsmuren te bonken.
[appellant] werpt in dit verband tegen dat hij zelf overlast en hinder heeft ondervonden van verbouwingen door [persoon C] en dat Woningbelang de tussen hem en [persoon C] over en weer gemelde onenigheid en overlast eenzijdig heeft benaderd. Er kan evenwel niet worden voorbijgezien aan de reeds door de vorige buren [persoon A] en [persoon B] van [appellant] ondervonden overlast en ervaren bedreigingen en de sinds 2019 bij Woningbelang ingekomen klachten daarover. De vorige buren [persoon A] en [persoon B] hebben de huur van de door hen gehuurde woning [adres 4] destijds zelfs opgezegd vanwege de van [appellant] ondervonden overlast en de ervaren bedreigingen.
Blijkens de aanhoudende meldingen heeft [appellant] zijn overlastgevende gedrag en de bedreigingen voortgezet nadat [persoon C] de woning [adres 4] in 2020 is gaan huren en ook nog nadat [appellant] de hem in 2021 door Woningbelang toegezonden “vrijwillige gedragsaanwijzing” zelf had geaccepteerd en ondertekend, welk gedrag [appellant] zelfs nog tot in 2023 en tijdens dit geding in eerste aanleg heeft voorgezet. Dat dergelijk gedrag [appellant] als zodanig niet vreemd is, vindt bovendien nog eens bevestiging in het op 21 januari 2022 ten toon gespreide onacceptabele gedrag dat aanleiding is geweest om [appellant] onder dwang het kantoorpand van Woningbelang te doen verlaten.
3.12
Reeds gelet op de aard en de ernst van de voornoemde tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder van de woning [adres 3] door het hiervoor bedoelde overlastgevende, hinderlijke en gevaarzettende gedrag, is Woningbelang bevoegd om de huurovereenkomst te (doen) ontbinden. In het licht van de vele gedocumenteerde meldingen heeft de kantonrechter die conclusie terecht kunnen en mogen trekken zonder (verder) bewijs te verlangen. Met name ook in het licht van het sinds 2019 jarenlang aanhoudend en ernstig tekortschieten van [appellant] in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen, vormt de met een enkele weinigzeggende vage algemene schriftelijke verklaring van een voormalig buurman [persoon E] gesteunde ontkenning van overlast, een onvoldoende betwisting daarvan.
Procesverloop
Anders dan [appellant] meent, zien de ingebrachte schriftelijke verklaringen van vriendin [persoon F] en van zijn moeder in het bijzonder op het gedrag van (niet [appellant] , maar) [persoon C] en volgt hieruit al helemaal niet dat [appellant] :
“(…) geen overlast bezorgde (…)” (memorie van grieven pagina 5 alinea 3).
Dat [appellant] zegt de huurpenningen steeds tijdig te hebben voldaan en dat [appellant] ook wel eens overlast zegt te hebben ondervonden van [persoon C] , kan weinig of niets afdoen aan de vele ernstige tekortkomingen van [appellant] sinds 2019.
Voor zover [appellant] aan Woningbelang schending van verhuurdersverplichtingen verwijt, weerspreekt Woningbelang dat gemotiveerd, maar kan dat verder onbesproken blijven. Zelfs bij juistheid van dat verwijt, maakt dat de eigen wanprestaties van [appellant] nog niet ongedaan, bevrijdt dat [appellant] nog niet van de eigen verplichtingen uit de huurovereenkomst en kan dat onder omstandigheden hooguit een (rechts)grond vormen voor een mogelijke eigen (tegen)vordering, maar die is hier niet ingeroepen. Ook voor zover [appellant] meent dat de tekortkomingen hem niet kunnen worden toegerekend, doet dat aan de ontbindingsbevoegdheid van Woningbelang als zodanig niet af.
3.13
Verder maakt in het bijzonder het aanhoudend en langdurig tekortschieten van [appellant] in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen, dat niet kan worden geoordeeld dat de tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen. [appellant] heeft onmiskenbaar belang om in de door hem gehuurde woning [adres 3] te kunnen blijven wonen, maar het belang van Woningbelang dat haar andere huurders en omwonenden gevrijwaard blijven van het overlastgevende, hinderlijke en gevaarzettende gedrag van [appellant] weegt hier aanzienlijk zwaarder.
3.14
Zo beroept [appellant] zich er in dit verband op dat hij:
“(…) een bijzonder kwetsbaar persoon was en is, die serieuze psychische en lichamelijke problemen heeft. (…)” (memorie van grieven pagina 3 bovenste alinea),
Maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De hiertoe door [appellant] ingebrachte informatie van huisarts [persoon G] vermeldt als medische informatie met name slechts door [appellant] ervaren lijdensdruk door spanning en stress en:
“Er is geen diagnose van GGz dan wel andere behandelaar ivm psych klachten bij dhr betrokken (…)” (conclusie van antwoord productie 1).
Voor zover [appellant] hiertoe verwijst naar ingebrachte stukken van het Catharina Ziekenhuis Eindhoven blijkt daaruit slechts van een onderzoek en korte afspraken op de polikliniek Cardiologie en van korte afspraken op de polikliniek Chirurgie, maar bevatten die verder geen relevante medische informatie over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van [appellant] .
In de beschikbare Adviesrapportage van 21 februari 2022 heeft [persoon D] in zoverre nog over [appellant] geschreven:
“(…) Bij eigen onderzoek werd vastgesteld althans aannemelijk gemaakt dat de (…) problematiek met de buren een grote, negatieve, impact heeft op het welzijn van cliënt. Of en in welke mate hierbij medische problematiek aan de orde is werd niet duidelijk.
Navraag bij de huisarts leert dat er geen geobjectiveerde medische diagnose is in dit kader. Cliënt meldt zich weliswaar met enige regelmaat met klachten in samenhang met conflictueuze situaties, je zou zelfs kunnen spreken van een zeker patroon, maar dit heeft nimmer tot verder onderzoek geleid omdat cliënt hiervoor niet ontvankelijk is gebleken. Ondanks regelmatige aanzet daartoe. Cliënt heeft geen concrete hulpvraag in dat kader. De interventies zijn derhalve altijd beperkt gebleven en behelzen feitelijk niet anders dan ventilerende gesprekken bij huisarts en praktijkverpleegkundige.
Er zijn dus weliswaar aanwijzingen voor medische problematiek, maar deze is als zodanig niet geobjectiveerd (en behandeld) (…)” (inleidende dagvaarding productie 58).
Bij gebreke van verdere relevante medische informatie is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van [appellant] zoveel gewicht toekomt, dat (ondanks het aanhoudend en langdurig tekortschieten van [appellant] in de nakoming van zijn huurdersverplichtingen) hier niet kan worden geoordeeld dat de tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen.
3.15
Hierbij is verder van belang dat Woningbelang in het verleden al tweemaal aan [appellant] tegemoet is gekomen door het aanbieden van een andere huurwoning. Ook heeft Woningbelang bij herhaling getracht anderszins met [appellant] en huurders van de buurwoning [adres 4] tot constructieve oplossingen te komen, waarvoor [appellant] evenwel niet voldoende bleek open te staan. Verder is bij een door Woningbelang verzocht onafhankelijk onderzoek naar een medische noodzaak om [appellant] opnieuw te herhuisvesten in 2022 nog gebleken dat daartoe geen voldoende medische grond bestond. Blijkens het beroepen vonnis (rov. 4.4) heeft Woningbelang ondanks al het voorgaande vrij recent zelfs nog (in overleg met o.m. de gemeente en hulpverleningsinstanties) een mogelijkheid voor woonruimte met ambulante begeleiding en/of zorg ten behoeve van [appellant] willen regelen, maar bleek [appellant] hiervoor uiteindelijk niet open te staan. Dat [appellant] ook deze oplossing uiteindelijk niet heeft willen aanvaarden staat hem uiteraard vrij. Maar net als andere keuzes die [appellant] meent te moeten maken, valt die keuze alleen [appellant] zelf toe te rekenen. [appellant] maakt Woningbelang evenwel ten onrechte het verwijt dat zij geheel aan zijn belangen voorbij is gegaan
3.16
Reeds op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de kantonrechter de primaire vorderingen I en II terecht heeft toegewezen. Andere daaraan nog ten grondslag gelegde verwijten en aanvullingen kunnen daarom verder onbesproken blijven.
Bewijsaanbod
3.17
Het algemene bewijsaanbod van [appellant] is te vaag en bevat geen concrete feiten die het hof anders kunnen doen beslissen. Voor zover [appellant] te bewijzen aanbiedt dat hij geen overlast of hinder heeft veroorzaakt, houdt dat alleen een conclusie in, maar bevat dat geen (voor bewijs vatbare) concrete feiten.
De slotsom
3.18
Alles bij elkaar concludeert het hof dat de kantonrechter de primaire vorderingen I en II terecht heeft toegewezen, zodat niet meer wordt toegekomen aan een behandeling van de subsidiaire vorderingen III en IV (met de mogelijke verschrijving) en de meer subsidiaire vordering V. Nu [appellant] de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij blijft, heeft de kantonrechter [appellant] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Het beroepen vonnis dient te worden bekrachtigd.
Het hof zal de ongelijk krijgende [appellant] ook veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Daarbij in aanmerking nemend dat de proceskostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert, stelt het hof stelt die kosten aan de zijde van Woningbelang voor het hoger beroep op:
griffierecht € 783,--
salaris gemachtigde € 1.214,-- (1 punt x tarief II HB)
nakosten € 178,-- (plus verhoging conform beslissing)
totaal € 2.175,--
te vermeerderen met de verlangde wettelijke rente daarover en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Wat verder nog is aangevoerd, bevat geen concrete feiten die het hof anders doen beslissen.